Opgelapt door de tempotherapeut

Steeds meer werknemers zijn niet opgewassen tegen de stress, of melden zich overspannen als gevolg van privéproblemen. Omdat de reguliere gezondheidscentra niet snel en adequaat genoeg zijn om aan de groeiende hulpvraag te voldoen, wendt het bedrijfsleven zich tot het commerciële circuit....

RUIM 27 jaar was hij actief in het 'gesubsidieerde' maatschappelijk werk. Nu is hij wegbezuinigd. Maar Fred van der Plas is niet van plan om in Almere te gaan zitten duimendraaien. Hij weigert werkloos te blijven toezien, juist nu de maatschappij een groeiende behoefte heeft aan hulpverleners als hij.

Steeds meer mensen raken psychisch in de knel. Ze bezwijken onder de druk van de drukte, onder het hoge verwachtingspatroon dat ze zichzelf opleggen of dat hun door werkgever of partner wordt opgedrongen. Ze raken, om welke redenen dan ook, geestelijk uit balans en kunnen het niet langer opbrengen mee te racen in de tredmolen van het leven. Ze zijn niet langer stressbestendig, melden zich ziek, zijn overspannen. Ze gaan in plaats van op het werk, thuis op de bank zitten tobben.

Maar dat tobben mag niet al te lang duren. Sinds de privatisering van de ziektewet, sinds de werkgevers in toenemende mate zelf moeten opdraaien voor de kosten van zieke employés, wordt van alles ondernomen om het verzuim zo kort mogelijk te houden. Een bedrijf kan het zich niet permitteren om een duurbetaalde kracht op de wachtlijst te zetten bij de Riagg en vervolgens geduld te betrachten tot de therapeuten de getormenteerde ziel afdoende hebben gemasseerd.

Bedrijven willen efficiënte hulp op maat. Dus omzeilen ze de reguliere hulpverlening en gaan de commerciële markt op, die zich in snel tempo uitbreidt. Van der Plas zoekt ook een plekje op die markt. Hij wil een eigen bedrijfje beginnen, een 'maatschappelijk begeleidingsbureau' noemt hij het zelf. Van der Plas: 'Ik zou cursussen kunnen geven om de werknemer stressbestendiger, weerbaarder te maken. Ik kan een klankbord zijn, als vertrouwensman functioneren.' Moeiteloos denkt hij te kunnen overstappen van het gesubsidieerde naar het commerciële circuit. Want hij kent het feilen van de reguliere hulp.

'Ik kan snel en flexibel werken. Kan 's avonds en in de weekeinden bij mensen langs gaan. Ben niet slechts, zoals de gezondheidscentra, van 9 tot 5 uur open. Probeer 's avonds laat maar eens hulp te krijgen als je partner in de dakgoot staat en dreigt zich met een scheermes de polsen door te snijden. . . Mijn kracht is dat ik buitengewoon rekbaar ben en geen last heb van bureaucratisering.'

Maar daarmee vormt hij tevens, beseft hij, een bedreiging voor de reguliere hulp. Als tempotherapeuten sneller en met resultaat werken, heeft dat onherroepelijk gevolgen voor de Riagg's en andere geestelijke hulpdiensten. Ook flexibiliteit zal navolging afdwingen. Van der Plas: 'Na de verruiming van de winkelsluitingswet kunnen sommige winkels het zich niet meer veroorloven strikte openingstijden te handhaven. Zo zal het ook gaan in de geestelijke en maatschappelijke hulpverlening.'

De psychische hulpvraag is immens groot en het commerciële aanbod - zowel in curatieve als preventieve zin - groeit in snel tempo. Vrij gevestigde psychologen en psychotherapeuten, bedrijfsriagg's en instellingen voor bedrijfsmaatschappelijk werk melden zich op de markt. Maar ook consultancy bureaus die een keur aan cursussen aanbieden: van time-management tot stresshantering.

'Ik spreek wel van een Ratelbandisering van het bedrijfsmanagement', schampert Maurice de Valk, bedrijfsarts, hoofdredacteur van het tijdschrift Arts en Bedrijf en voorzitter van het International Forum for Organizational Health (IFOH). 'Voor veel topmanagers zijn dergelijke cursussen egotripperij. Het is een maatschappelijke fabel dat vooral managers worstelen met stress. De meeste leidinggevenden halen veel voldoening uit hun werk. Ze kunnen delegeren en zijn vaak op tijd thuis. Het is het middenkader, de link naar boven en naar beneden, dat steeds meer onder druk komt te staan. Vooral nu je ziet dat grote concerns als Philips en Shell juist op dat middenkader bezuinigen.'

De Valk meent dat de geestelijke hulpverlening in bedrijven te vaak op het individu is gericht. De werknemer knapt af en wordt met kunst- en vliegwerk weer opgelapt. Maar meestal wordt verzuimd te kijken naar de arbeidsverhoudingen in het bedrijf, naar het algehele geestelijke klimaat. 'Door diverse factoren, de toevloed van informatie, de toegenomen werkdruk, de flexibilisering, privatisering, door reorganisaties, worden werknemers over de kling gejaagd. Ik vind dat bedrijven zouden moeten worden getoetst op arbeidsethiek. Scheppen ze voldoende voorwaarden voor hun werknemers om optimaal te kunnen functioneren?'

0H ET IFOH pleit in dit verband voor de invoering van een internationaal keurmerk. 'Een soort greenmark, zoals je hebt voor milieuvriendelijke productie. Bedrijven die aandacht besteden aan de menselijke factor in hun organisatie, die werknemers niet zien als wegwerpproducten, die erin slagen het verzuim laag te houden en de graad van tevredenheid hoog, zouden zo'n groenlabel kunnen verdienen.'

Volgens het IFOH zijn er methoden ontwikkeld die het welzijn op het werk kunnen meten. De Valk: 'Het is mogelijk op groepsniveau te peilen hoe het is gesteld met de stress in een organisatie. De Rabo en de Generale Bank willen zich op dat terrein gaan profileren.' In september organiseert het IFOH in het Noorse Lillehammer een conferentie over het stress-keurmerk.

'De tijd is er rijp voor', zegt De Valk, die een groeiende belangstelling voor geestelijke gezondheid in de werksfeer ontwaart. Hij wijst erop dat het IFOH al sinds 1963 bestaat, maar dat het thema pas de laatste jaren tot de verbeelding begint te spreken. 'Ik zie een parallel met de milieu-discussie. Pas jaren na de verschijning van het Rapport van Rome kwam het milieubewustzijn op gang. Nu is het milieu een belangrijke maatschappelijke factor.'

Anthony Gaillard, hoogleraar psychologie aan de Katholieke Universiteit Brabant en medewerker van TNO Technische Menskunde, is wel gecharmeerd van het groene keurmerk. De hoogleraar deed onderzoek naar stress op het werk en publiceerde onlangs het boek Stress, produktiviteit en gezondheid. 'Stress en burn out zijn geen modeverschijnsel', zegt hij. 'Steeds meer werknemers bezwijken onder de stress, ook veel jongeren. Het is dus noodzakelijk dat we duidelijkheid krijgen over stressgevoelige bedrijven.'

Gaillard ziet wel wat in het registreren van bedrijven met een hoog psychisch ziekteverzuim. Daar zou dan wel een gedifferentieerd premiestelsel aan moeten worden gekoppeld, vindt hij. Stress-correcte bedrijven dienen financieel te worden beloond.

Gaillard is het met De Valk eens dat reguliere én tempotherapeuten geneigd zijn te veel naar het individu te kijken. 'Met snel een werknemer oplappen, loop je het risico aan symptoombestrijding te doen. Het hele bedrijf moet onder de loep worden genomen.' Stressmanagementcursussen, relaxation- en fitness-trainingen op het werk, de werkvloer aankleden met therapeutisch groen, vindt de hoogleraar 'leuk meegenomen'. Maar ze vormen franje, zullen het ziekteverzuim niet echt terugdringen.

Dat de commerciële tempotherapeut een dergelijke toer wel zou kunnen verrichten, betwijfelt Gaillard. Vooral omdat die therapeut niet zal kunnen en mogen sleutelen aan de bedrijfscultuur. Toch is Gaillard niet, zoals veel deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg, tegen de vercommercialisering van de hulpverlening. Hij vreest geen tweedeling en ziet niet overwegend schaduwkanten aan de 'geestelijke hulp als product'. 'Belangrijk is dat een mens die in de put dreigt te raken snel wordt geholpen. Bij de Riagg's komt de gestresste werknemer op een enorme wachtlijst. En wie lang uit het werkproces is, kan steeds moeilijker de drempel naar kantoor weer overstappen. Bovendien hebben de Riagg's het zelf laten afweten. Riagg-therapeuten hadden geen flauw benul van de situatie in bedrijven. Ze peurden eindeloos in relaties, wroetten in de jeugd, maar vroegen niet naar de verhouding met de chef of collega's. Nu pas zijn ze wakker geworden. Nu zie je ook bedrijfsriagg's uit de grond schieten. Een ontwikkeling van de laatste twee jaar.'

Angst dat de tempotherapeut in dienst van een bedrijf zich te veel met de privésituatie van de werknemer gaat bemoeien, een ander argument dat de tegenstanders van de commerciële hulpaanpak hanteren, heeft Gaillard niet. 'Belangrijk is dat snel een analyse wordt gemaakt. Als de problemen voornamelijk wortelen in de situatie thuis, moet de bedrijfstherapeut zich er niet mee bemoeien. Hij moet dan doorverwijzen. Als de problemen vooral door het werk worden veroorzaakt, kan hij aan de slag.'

Werkgevers zijn in het algemeen niet geneigd zich met de privé-omstandigheden van hun employé te bemoeien, weet Pietie van den Berg, directeur van NIM BMW in Nijmegen, de snelst groeiende organisatie van bedrijfsmaatschappelijk werk in Nederland. 'Bij psychisch ziekteverzuim is veelal sprake van een vermenging van problemen thuis en op het werk. Een werknemer is net gescheiden, worstelt met een sterfgeval, heeft financiële problemen en ligt bijvoorbeeld tegelijkertijd op het werk in de clinch met zijn chef. Het bedrijf verwacht van ons dat we de werknemer helpen met zijn problemen. Liefst zo snel mogelijk. Hoe we dat doen en waar, zal de werkgever een zorg zijn.'

De bedrijfsmaatschappelijk werker spreekt de werknemer altijd aan op zijn eigen verantwoordelijkheid, zegt Van den Berg. 'Hij moet beseffen dat zijn werkgever voor de hulpverlening betaalt, dat er dus geen sprake kan zijn van tijdrekken'. NIM BMW stelt een maximum van tien gesprekken aan een begeleiding, maar meestal zijn vier tot vijf contacten voldoende. Zwaardere problematiek wordt doorverwezen.

0V AN DEN BERG benadrukt dat de bedrijfsmaatschappelijk werker een neutrale bemiddelingsfunctie vervult. Hij moet onafhankelijk kunnen functioneren, staat als het ware tussen de zieke werknemer en de werkgever in. 'Dat stelt ons bij de werving wel eens voor problemen. Omdat de hulpverlener van nature geneigd is de kant van de zwakke, van de zieke werknemer te kiezen.

'We zijn dan ook heel voorzichtig met het aannemen van bedrijfsmaatschappelijk werkers die een OR- of vakbondsachtergrond hebben. We trainen voortdurend op onafhankelijkheid. We moeten niet worden beschouwd als een verlengstuk van de werkgever, noch als spreekbuis voor de werknemer.'

Een derde argument van tegenstanders van vercommercialisering, het gebrek aan kwaliteitscontrole - iedere werkloze of wegbezuinigde hulpverlener kan een praktijk beginnen - wuift Van den Berg gedecideerd weg. 'We zullen op onze resultaten worden afgerekend.' Ook Gaillard vindt dit argument weinig steekhoudend. 'Er is sowieso sprake van een overmaat aan pretentie in de geestelijke gezondheidszorg. Moeten we de commercie daar dan extra op afrekenen?'

Fred van der Plas, de werkloze maatschappelijk werker uit Almere, voelt zich al evenmin aangesproken. 'Als we op competentie worden afgerekend, durf ik de strijd met de reguliere hulpverlening best aan.'

Meer over