Openheid over Europees arrestatiebevel gewenst

De totstandkoming van het voorstel voor een Europees arrestatiebevel is tekenend voor het gebrek aan openheid in de EU. Erik Jurgens vraagt zich af of, ook als er inhoudelijk geen bezwaren zijn, het Nederlandse parlement om die reden niet tegen zou moeten stemmen....

NA 11 september is door de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de Europese Unie (de JBZ-Raad) intensief overleg gepleegd over verdergaande samenwerking op hun terrein. Deze samenwerking behoort tot de zogenoemde Derde Pijler van het EU-Verdrag, daarin opgenomen bij het verdrag van Maastricht in 1992. Omdat landen niet graag soevereiniteit afstaan als het gaat om justitie en politie, is de besluitvorming in deze pijler anders geregeld dan in de Eerste Pijler. Onder deze laatste vallen alle beleidsterreinen, behalve defensie (Tweede Pijler) en JBZ-zaken. In die Eerste Pijler hebben de Europese Commissie en het Europees Parlement (EP) wezenlijke bevoegdheden gekregen, die er vooral voor zorgen dat aan eisen van openbaarheid en van parlementair toezicht wordt voldaan.

Dat is bij justitie en binnenlandse zaken anders. De JBZ-Raad kan wel bij unanimiteit besluiten nemen die de lidstaten binden, maar de Commissie en het EP staan er buiten. Dat was destijds reden voor het Nederlandse parlement de Nederlandse ministers in de JBZ-Raad aan banden te leggen. Als de besluiten Nederland binden, dan moeten beide Kamers daarmee instemmen.

Dat is niet eens zo eenvoudig. De ontwerp-besluiten worden krap veertien dagen tevoren vertrouwelijk aan de Kamers medegedeeld. Als zij niet tijdig 'ho!' roepen kan de regering zijn gang gaan. Als je dat vergelijkt met de grote zorg waarmee in ons land ontwerp-wetgeving wordt voorbereid dan is het contrast groot.

De ontwerp-besluiten van de JBZ-Raad worden uitgebroed in overleg tussen de ambtenaren van de vijftien lidstaten. Zij zijn vanzelfsprekend voorwerp van onderhandeling en politieke druk. Tot op het laatste moment, ook in de vergaderingen van de JBZ-Raad, worden nog veranderingen aangebracht. Gebeurt dat laatste, of heeft een der Kamers geen instemming gegeven, dan moet onze minister een zogenaamd 'parlementair voorbehoud' maken. Dit betekent dat Nederland (nog) niet kan voorstemmen, en dat het besluit dus - bij gebrek aan unanimiteit - niet is aanvaard.

Deze procedurele inleiding is nodig om te kunnen begrijpen hoe de politieke besluitvorming rondom het Europees arrestatiebevel plaatsvindt. Meteen na 11 september is de JBZ-Raad begonnen aan de opstelling van twee 'kaderbesluiten', een over terrorismebestrijding, en een over het Europees arrestatiebevel. Kaderbesluiten zijn juridisch bindend voor de lidstaten. Zij moeten hun nationale wetgeving daarmee in overeenstemming brengen, of de nationale parlementen dat nu leuk vinden of niet. Dat is dus een niet geringe vorm van machtsuitoefening.

Dat er een verdere Europese integratie moet komen op het punt van justitie en politie acht ik buiten kijf. Je kunt niet op vele terreinen je wetgeving en je politieke stelsel harmoniseren, zonder dit ook te doen voor deze sector, die tenslotte moet helpen zorgen voor het doen nakomen van de gemeenschappelijke regels. Maar waarom kunnen we het maken van die regels niet met dezelfde openbaarheid en parlementair toezicht waarborgen als dat voor andere Europese regels geldt?

Een van de typische gevolgen van dat niet-openbare is te vinden in het artikel van advocaat Spong in Forum van 27 oktober. Hij uit zijn kritiek op het ontwerp voor een Europees arrestatiebevel op grond van uitgelekte teksten die intussen weer zijn achterhaald. Dat kan hij niet helpen. Zelfs de leden van het Europees Parlement beschikken niet over die teksten! En als ik er als senator wel vertrouwelijk over beschik, dan is dat vanwege de bijzondere Nederlandse procedure.

Uit die stukken kan ik getuigen dat de Nederlandse ministers zich er bijzonder voor inzetten dat het arrestatiebevel aan een aantal wezenlijke voorwaarden voldoet. Want een buitenlandse rechter bevoegd maken om in Nederland iemand te laten oppakken en uitleveren moet met waarborgen worden omgeven. Waarborgen zoals een beperking van de misdrijven waarvoor dit kan (de lijst bevat inmiddels tientallen delicten), en zoals de vraag of het ook kan voor feiten die in Nederland niet of niet in die mate strafbaar zijn. Datzelfde geldt voor de vraag of een eenmaal uitgeleverd iemand ook voor andere feiten mag worden berecht door die buitenlandse rechter.

Op 6 december moet het besluit vallen, om dan nog bevestigd te worden in de Europese Raad van regeringsleiders in Laken op 13 december. Dat is kort dag. Die eindtekst had al op 22 november (veertien dagen voor 6 december) bij de beide Kamers moeten zijn. Ik heb hem nog niet gezien. Eigenlijk kan het dus al niet meer.

Iemand zoals ik die een warm voorstander is van verdere Europese integratie ook op het JBZ-terrein, mits met behoorlijk parlementair en rechterlijk toezicht, komt nu in een moeilijke positie. Misschien komt er een tekst uit die ik inhoudelijk goed vind. Moet ik dan omwille van dat goede doel mijn opvatting prijsgeven dat wezenlijke zaken als deze, waarbij het mede gaat om beginselen van onze rechtsstaat, niet in achterkamers mogen worden beslist?

Er is volgens mij een oplossing mogelijk. Die zou inhouden dat de JBZ-Raad begin december wel de inhoud van de twee genoemde besluiten openbaar maakt. Maar dat eerst de openbare discussie volgt, alvorens het terugkomt - zeg twee maanden later - ter besluitvorming in die JBZ-Raad. Weliswaar voorzien de huidige verdragsregels hier niet in. Maar zo'n procedure is wel in overeenstemming met de vooral ook door Nederland steeds benadrukte democratische noodzaak van openbaarheid en transparantie in de EU-besluitvorming.

Zou, kortom, het Nederlandse parlement niet zijn instemming moeten onthouden, zelfs als de tekst aanvaardbaar is, als niet een dergelijke openbare procedure wordt gevolgd? Nederland zou daarmee in Laken misschien spelbreker zijn bij het snel vaststellen van de teksten. Men wil daar daadkracht tonen, maar daarvoor is die haastige spoed niet nodig.

Is het niet de moeite waard om met zo'n dwarsliggen de broodnodige openheid af te dwingen?

Meer over