Opa is dood, hij ligt in een kist

De gedichten van Hans en Monique Hagen ademen een warme, vrolijke, veilige sfeer, een wereld zoals je die iedere peuter zou toewensen....

Marieke Henselmans

Ik zie lichtjes in je ogen (Van Goor; fl 28,50) bevat alle gedichten die eerder verschenen in de bundels Daar komt de tijger en Misschien een olifant. Niet alleen het kind dat dit boek krijgt voorgelezen, voelt zijn oprechte optimisme bevestigd. Ook de voorlezende volwassene krijgt een vriendelijk zetje: uitslapen kan weer als de kinderen groot zijn. Nu opstaan. En kunstjes doen. 'Jij moet gaan lopen/ met mij op je schoen'.

Er is aandacht voor twijfels en zenuwen, maar ook die worden optimistisch benaderd: 'LOGEREN/ ik ga het proberen/ voor de eerste keer logeren/ Ik blijf helemaal alleen/ bij oma vinkeveen/ als ik straks ga slapen/ is het al heel laat/ dan bel ik mama even op/ om te vragen hoe het gaat/ dan zeg ik haar welterusten/ door de telefoon/ omdat ik nu een nachtje/ bij mijn oma woon/ ik ga het proberen/ want logeren kun je leren.'

De illustratie laat een ouderwetse maar heel gezellige oma zien met een telefonerend klein meisje op schoot. Zo klein als ze zich voelt, is ze getekend. Maar als je naar de speelbeesten, het poppenbed en de koesterende oma kijkt, zie je dat het gaat lukken, dat nachtje bij oma Vinkeveen.

De illustraties zijn soms een tikje gedateerd. Toch is dat geen bezwaar. De tekst is tijdloos, subtiel en zit vol verrassingen. Het logerende kind vraagt mama hoe het gaat, of zij het wel redt zonder haar dochtertje, in plaats van andersom. Prachtig is het gedicht over een kind dat iets 'veel te moeilijks uitknipt' en steeds haar plan aanpast. 'Het wordt misschien een olifant', maar eindigt als een prop papier. Je voelt mee met het kind dat verdrietig is, omdat iets niet gelukt is.

Deze gedichten zijn wel gelukt. Een goed idee om de bundels samen te brengen en een nieuwe ronde te gunnen. Het resultaat werd bekroond met de Pluim van de Maand.

Kleine kinderen worden ook geconfronteerd met grote zaken. In Een opa om nooit te vergeten van Bette Westera (Hillen; fl 28,50) zit kleuter Joost te wachten op de begrafenisauto's. Opa is dood, hij ligt in een kist. Joost voelt tranen in zijn ogen prikken. Zijn moeder geeft hem een zakdoek, de rode zakdoek van opa. Dit wordt de rode draad in het verhaal. Opa speelde kiekeboe met die zakdoek toen Joost nog een baby was. Later speelden ze cowboy, waarbij de zakdoek om Joost zijn hals was geknoopt. Opa was het paard.

De sepia-achtige illustraties van Harmen van Straaten zijn heerlijk. Vol details geven ze uitdrukking aan de dingen die in woorden moeilijk zijn te vangen. Opa en Joost hadden een keer een piratenschip gemaakt (de zakdoek als vlag), ze namen papa gevangen en roofden vijf gulden uit zijn broekzak om friet te kopen. We zien opa en Joost, allebei met een ooglapje, zittend achter een schuurtje friet eten. De manier waarop Joost naar zijn opa kijkt, maakt duidelijk hoe gelukkig hij daar was.

Als Joost komt logeren, zal opa nooit vergeten muisjes, koekjes, friet, komkommer en aardbeienijs in huis te halen, want daarvoor legde hij een knoop in zijn zakdoek. Van mama mag Joost de zakdoek houden. Met een knoop erin, zodat hij zijn opa nooit zal vergeten. Dit boek werd bekroond met een Vlag en Wimpel van de griffeljury.

Een andere, maar ook aansprekende benadering koos de Zweedse schrijfster Pernilla Stalfelt in Het boek van de dood. Zij beschrijft daarin - en tekende, stripachtig humorvol - dat niet alleen mensen ooit doodgaan, maar ook bloemen, mieren en schildpadden. Wat er allemaal gebeurt bij een begrafenis en een crematie, en hoe in andere culturen met de dood wordt omgesprongen.

Even humoristisch en origineel pakt ze nu het onderwerp 'anders zijn' bij de kop. In Net als jij (Hoogland & Van Klaveren, fl 22,50), mooi vertaald door Cora Polet, heeft de schrijfster het over onverdraagzaamheid, pesten en gepest worden. Tekeningen en tekst vormen een prachtig geheel. Je zou bladzijden kunnen vullen wanneer je wilt beschrijven hoe het voelt, als ze over je hoofd heen beslissen, of zo tegen je praten dat je je dom voelt, als ze je duwen, schoppen of uitschelden.

Stalfelt kan het af met een enkel zinnetje en vertelt de rest in haar tekeningen. Ze tekent kinderen die boos zijn, schelden en vechten. En de schade aan het lichaam (vijftien hechtingen, kapotte bril, bloedneus) en de ziel (krassen erop). Ze gaat diep op de dingen in. Waarom sluiten kinderen anderen buiten? Is het makkelijker om gemeen te doen tegen iemand die alleen is? Is het makkelijker om gemeen te zijn als je met meer bent?

Zoals de Hagens in hun poëzie verrassen door dingen om te draaien, komt ook Stalfelt met onverwachte formuleringen. Wie dood is, mag in een kist liggen. De stervende mens, vogel, vlinder en mug slaken een zucht van verlichting, omdat ze moe zijn en, eenmaal dood, mogen uitrusten. De pestkoppen in Net als jij blijken zelf verdrietig te zijn, en misschien zelf wel gepest. Stalfelt eindigt haar boek met een kleine pestkop die staat te juichen: 'Eindelijk mag ik stoppen.' Toch is dit boekje niet moraliserend of voorspelbaar, integendeel. De Zweedse regering heeft het laten verspreiden onder alle leerlingen van basisscholen. Dat zal in Nederland niet snel gebeuren. Maar gelukkig mogen ouders (om in de trant van Stalfelt te blijven) deze boeken wel zelf kopen.

Meer over