Opa D. vir Suid-Afrika

'Op hetzelfde ogenblik barstte de bom boven mijn hoofd. Ik hoorde de scherven vliegen, voelde snijdende pijn in de linkerzij en viel dadelijk ter aarde.' Op zoek in Zuid-Afrika naar de boerenoorlog van Opa D....

KAAPSTAD is twaalf uur vliegen. Opa D., mijn grootvader, deed er honderd jaar geleden vier weken over. In Transvaal was werk te vinden, had zijn broer geschreven, die er woonde. In juli 1897 meerde Opa D. aan bij de Victoria Wharf aan de Kaap.

Kaapstad heeft tegenwoordig een nieuwe, grotere haven. De Victoria Wharf is gevuld met kiosken en restaurants, de kade met terrasjes en rondvaartboten.

Mijn vader en ik reizen Opa D. achterna naar Natal. Daar werd hij in de Boerenoorlog neergeschoten. In Kaapstad zijn de weinige bouwwerken uit de tijd van Opa D. (een kerk, een bankgebouw, een paar ijzeren straatlantaarns) weggemoffeld tussen hoogbouw en autowegen.

Van het station waar Opa D. honderd jaar geleden de trein naar Pretoria nam, is een donkere betonkolos gemaakt. Het waait er nog harder dan op straat. Zwerfvuil vliegt door de gangen. Tegen de buitengevels hebben kooplieden hun marktwaar uitgestald. De kleurrijke kleren, tassen en vruchten versomberen in de schaduw van de Suid-Afrikaanse Spoorweë. De kruidige geur van specerijen en Indiase frituur-stalletjes wordt verdrongen door de walm uit het openbare toilet. Woeste typen hangen daar rond.

De voorste wagons van de Trans Karoo puilen uit. Het is de derde klas, in de rook en het roet van de voorheen stoom-, nu dieselloc. Wij mogen achterin, in een bijna lege wagon. Je kunt alleen naast elkaar zitten, tegenover een blinde muur. Benen strekken lukt niet. De trein kachelt Kaapstad uit en blijft boemelen als we de Tafelberg al lang niet meer kunnen zien. In de verte rijzen de Hexrivierberge op. Naast de spoorlijn is een oude spoordijk zichtbaar: het talud waarover Opa D. spoorde.

'Onderweg', schrijft hij in zijn dagboek, 'zagen we overal kafferhutten, terwijl de weg voerde tussen kolossale bergen en rotsen. Om die te vermijden moest de trein tallooze krommingen maken.'

Wij zien nauwelijks hutten. De 'kaffers' zijn er tijdens de apartheid uitgejaagd. Tegen de avond klingelt een triangel dat het eten klaar is. 'Passagiers word versoek om hulle aansitkaartjies aan die kelner te oorhandig sodra hulle in die eetwa kom', lezen we op onze aansitkaartjies, die we inleveren. Er zijn alleen witten in de eetwa, op de drie zwarte obers na.

In het restauratierijtuig creëert de airco een polaire temperatuur. Opa D. zat zonder koeling te rillen; hij klaagt in zijn dagboek over een 'zeer koude nacht', maar hij reisde dan ook hartje winter.

De volgende morgen klimt de zon enthousiast omhoog uit de Great Karoo, een kurkdroge vlakte van taaie graspollen.

Er rijzen symmetrische heuvels op. Alsof ze zijn aangelegd. Dat zijn ze ook; met het puin uit de goudmijnen. We zijn in het stedelijke gebied rond Pretoria en Johannesburg aangeland, met de mijnen en een kwart van de poen van heel Afrika. Over de vijftig kilometer van Johannesburg naar Pretoria doen we twee uur. Het landschap is vergeven van spoorlijnen, pijpleidingen, hoogspanningsmasten, fabrieken. En overal die opgegraven heuvels.

In 1886 werd hier goud ontdekt. Drie jaar later waren de vier gehuchten in de droge, onvruchtbare streek uitgegroeid tot Zuid-Afrika's grootste stad. Er moeten duizenden mijnschachten, gangen, tunnels, ruimten als paleiszalen in de grond zitten. Achter de mijnen en industriegebieden gaan uitgestrekte woonoorden schuil. De stank van smeulend vuilnis waait de coupé in. Hier en daar scharrelen mensen rond tussen krotten van golfplaat en afval.

Opa D. arriveerde 15 juli 1897 in Pretoria, waar hij twee jaar woonde. Te paard trok hij naar afgelegen hoeven, om blanke Boeren een nieuw type dorsvlegel of het laatste model dubbelloops aan te smeren. Johannesburg was een bruisend oord van goudzoekers, handelaars, hoeren; lieden van allerlei ras en nationaliteit. De Boeren van Transvaal moesten niks van die uitlanders hebben.

In 1899 eiste Engeland stemrecht voor de zestigduizend Engelssprekende blanke uitlanders in de Rand. Via stemrecht zou Engeland invloed op Transvaal en grip op de goudvoorraden krijgen. Kruger weigerde. Een Engelse oorlogsvloot stoomde naar Durban, Britse troepen trokken samen langs de grenzen van de Boerenrepublieken. President Paul Kruger eiste dat Engeland zijn soldaten voor 11 oktober terugtrok. Zo niet, dan was het oorlog. Begin oktober liep Pretoria leeg.

'Treinen vol strijdbare helden', dweept Opa D., 'verlieten Pretoria naar de Natalsche grens, vertrouwende op God, dat Hij hun de overwinning zou schenken.'

De Boeren waren van Nederlandse afkomst en gereformeerd. Hij ook. Hij sympathiseerde met de vrijbuiterige Boeren, die het op dorsten nemen tegen wereldmacht No. 1. Hij werd trompetter in het leger van de Boer.

'Paard, zadel, zadeltasschen, toom, Mauserkarabijn werden ons gratis verstrekt', schrijft Opa D. 'Ik kreeg een klein, bruin paard, een echte Basuto-pony. Ik werd aangesteld als hoornblazer.'

De 140 vrijwilligers van het Hollandercorps kwamen treinen tegen, volgepropt met Engelse vluchtelingen. 'Dezen werden uitgejouwd en met steenen geworpen.' In Natal plunderden de soldaten onbekommerd winkels. Ze vorderden 'kleeren, sigaren en lekkernijen, zoodat enkelen met kruiwagens en koffers vol goederen, dronken in 't kamp terugkeerden. Een schoenwinkelier was slim geweest: hij had zijn geheelen voorraad uitgepakt en door elkaar op een hoop gegooid, zoodat men onmogelijk twee gelijken kon uitzoeken. Men roosterde schapen in uitgeholde termietenheuvels. Zingen mocht niet van de kapitein, omdat 'de Engelschen in de buurt konden wezen. ''Zing'', zei hij, ''als we de overwinning hebben behaald''.'

Uit voorzichtigheid reisde men voortaan 's nachts. Op 20 oktober bereikten ze Elandslaagte, een paar huizen rond een stationnetje. Daar verzamelden zich duizend Boeren onder leiding van generaal Kock.

Opa D. en wat makkers forceerden een gebarricadeerd huis en zagen binnen een gedekte tafel, met 'allerlei eetwaren, voor consumptie gereed. In een der slaapkamers troffen we den stationschef. Of de man op ons bezoek gesteld was, betwijfel ik zeer, doch hij stond machteloos. Het duurde niet lang of het huis geleek een varkenshok.'

Generaal Kock had zich met zijn kleine leger griezelig ver in het vijandelijke Natal gewaagd. De Engelse generaal French, uit het naburige Ladysmith, haastte zich om hen in de pan te hakken voor er versterkingen zouden opdagen. De strijders waren zich niet bewust van het gevaar. 'Sommigen zaten in het zadel te slingeren van de whiskey.'

De volgende ochtend in het kamp klonk een doffe knal. 'Tot ieders verbazing sloeg een bom vlak bij in den grond. Daar er spoedig meer volgden, geraakte men aanstonds in verwarring. Het Hollandercorps kreeg order om een kranig stuk werk te verrichten: den vijand verslaan.' De Johannesburgers, Hollanders en Duitsers verschansten zich op het hoogste kopje (heuvel). 'Dekking was er genoeg, de kruin was bezaaid met rotsblokken, steenen en struikgewas.'

Dat is vandaag de dag niet anders. We rijden over steeds smallere weggetjes door de savanne naar de kopjes bij Elandslaagte. Op elk kopje staat een monument, tussen rotsblokken en frisgroen uitbottende acacia's. Eén heuvel voor de gevallen Engelsen, de andere voor Boeren en Hollanders. We klimmen langs het met wit geverfde keien gemarkeerde pad naar de top, klauteren over een hek naar de gedenkstenen. Een mangoeste, een soort marter, scharrelt rond. Twee gazellen springen door de savanne. Het ruikt naar ochtenddauw. De zon is warm. Vogels fluiten. In de verte tjoekt een kolentrein van minstens drie kilometer lengte traag door de vlakte.

Hiervandaan zag Opa D. honderd jaar geleden gepantserde treinen vol soldaten arriveren. 'Vier zwarte, dichte drommen kwamen uit de verte achter 't station nader. Voetvolk. Ik schatte elke troep op een paar duizend.'

Opa D. richtte zijn Mauser. Hij vroeg zijn buurman hoe groot de afstand was. 'Hij noemde mij neef en ik hem, volgens Afrikaansche gewoonte, oom. ''Kijk neef'', zei oom, ''nou mot jij mooi kijk; zie jij daar die kerel op die perd? Ik zal hem raak schiet.'' Zijn Mauser knalde en daar lag hij. Zoo ging het wel zes keer, zoodat hij verscheidene rooibaatjes in 't zand deed bijten. Doch eensklaps zonk zijn hoofd op de borst, zijn armen breidden zich uit en stroomen bloeds liepen bij zijn hoofd neer. ''Hoe gaat het nou, oom?'' Geen antwoord. De man was door zijn hersens geschoten en onmiddellijk een lijk.

'Het knallen was te vergelijken bij eene geweldige hagelbui tegen de ramen. Men kon de Engelsche soldaten zien vallen, doch de gelederen werden dadelijk aangevuld en ze kwamen schietende naderbij. Ik had mijne patronen verschoten en maakte mij in gebukte houding uit de voeten. Ik hoorde een groote bom aankomen, te herkennen aan het holle, klagende geluid. Onwillekeurig ging ik mij nog meer bukken, doch op hetzelfde ogenblik barstte een granaatkartets boven mijn hoofd. Ik hoorde de scherven vliegen, voelde snijdende pijn in de linkerzij en viel ter aarde. Ik poogde op te staan, doch tevergeefsch. Ik zei tegen een vriend: kijk eens hier, welk een wonde, mijne uren zijn geteld, ik ga heen naar mijn Heiland, groet mijn broer van mij.

'Daar lag ik alleen in den regen, in een allesbehalve benijdenswaardige toestand. Het stuk ijzer had eerst een klein hoekje uit mijn onderlip weggenomen, verbrijzelde het voorste lid mijner linkerwijsvinger, sloeg vervolgens de loop van mijn geweer krom en drong daarna in mijn linkerzij, een gapende wond veroorzakende. Het was onder de ribben ingedrongen en op de heup afgestuit, die hierdoor werd beschadigd. Het bloed stroomde eruit. Ik lag te kermen van de onuitstaanbare pijn, smeekende tot God, mij toch tot zich te nemen. Ik was vast overtuigd, geen middernacht meer te halen.'

Hij lag er uren. Engelse lanciers galoppeerden achter de vluchtende Boeren aan en staken hen neer. Toen er soldaten bij hem kwamen, verwachtte hij de doodsteek. Die bleef uit. Het werd donker en de soldaten ontstaken een lantaarn. Opa D. vroeg drinkwater. Dat hadden de soldaten niet, 'doch een hunner had een weinig verdunde cognac, hetgeen hij mij aanbood'. Toen het ging stortregenen en Opa D. een deken vroeg, stond een van de Engelsen hem zijn overjas af. Dezelfde man zorgde ook voor een arts die hem verbond. 'Welk een menschlievende daad van een vijand, nietwaar?'

Hij viel in slaap om 's morgens 'een weinig verfrischt te ontwaken'. De jas was weg, de zon scheen stralend. 'Overal ontwaarde ik lijken en kermende gewonden. Honger en dorst begonnen mij te kwellen, doch ik kon geen geluid meer geven en niemand kwam bij mij. De aasvogels zweefden bij groote zwermen over het slagveld om in den vetten buit te delen. Nadat ik 24 uur gelegen had, waarvan de helft in de brandende zon, zag ik een mijner vrienden. ''Wel, Dijksterhuis'', zei hij, ''lig jij hier nog?''.'

De vriend had hun luitenant zien liggen, 'met een lans, die op den rug was afgeknapt en wel een voet uit de borst stak. Het geheele Hollandercorps was gedood, gewond of gevangen.'

Opa D. werd in een muilezelwagen vol gewonden gelegd. 'Het ging over groote steenen, zoodat wij vergingen van de pijn. Ik zei den kaffer langzamer te rijden, doch het hielp niet. ''Ek is haastig, baas'', zei hij. Meer dood dan levend kwamen we bij de Hollandsche kerk in Ladysmith. Toen ik verbonden werd, welke operatie een uur duurde, zag ik de wond. Men kon de ingewanden zien liggen. Het buikvlies echter was niet beschadigd; dan was het natuurlijk met mij gedaan geweest. De doktoren waren overtuigd, dat er niet de minste hoop op herstel bestond.

'De kleeren, vol stijf bloed en zand, werden eerst de vierde dag van 't lichaam gesneden. Als antiquiteit zou ik het nu nog wel willen hebben, maar daaraan dacht niemand toen.'

Naast Opa D. 'lag een Duitscher die zeventien lanssteken had bekomen. Zijn mond en oogen waren wijd geopend en vol gele schuim. De man was dood. Een zekere Rummeling had de roekeloosheid gehad in 't hevigste van het gevecht te gaan staan. Hij viel achterover, twee kogels hadden kruiselings zijne hersens doorboord. Hij was volslagen krankzinnig. Na twee dagen ging hij al vloekende de eeuwigheid in. Lategan werd aan een schotwond geopereerd. Men verdoofde hem met chloroform, doch de dosis was een weinig te groot; hij is niet bijgekomen. Later vernam ik dat men ook mij dood had gewaand. In de Volksstem van 23 October kwam ik onder de lijst der gesneuvelden voor en bij mijn patroons te Pretoria werd de vlag halfstok geheeschen.'

De 'liefdezuster' had het niet op Opa D. 'Zij snauwde mij telkens zoo. Altijd moest ze pruttelen op de kaffers. Ik liet haar weten dat ik liever zag dat ze wegbleef.' De Schotse verpleger McCarr regelde een privé-tent voor Opa D.

De Boeren belegerden Ladysmith. De gewonden werden naar een tentenkamp gebracht. 'De Engelschen, vertelde men in volle ernst, moesten de Boeren even verdrijven, dan konden we weer naar de kerk.' Het beleg zou vier maanden duren. Dagelijks arriveerde een massa zieken en gewonden. 's Nachts bulderden de kanonnen, soms overstemd door onweersstormen. 'Meermalen waaiden er tenten om, waarbij eenige ongelukkigen het leven verloren. Overdag was het in de tenten snikheet en vol vliegen, 's nachts tamelijk koud. Ongedierte was er in overvloed: slangen, schorpioenen, kikvorschen. Op een avond wandelde een groote schorpioen over mijne dekens. De koelies kookten hem uit en wreven zich in met het vet, als geneesmiddel.'

Opa D. kreeg hoge koorts. 'Bij de dag werd ik zwakker en magerder. Mijn rug was doorgelegen. Een goed teeken, zei de dokter, doch ik vond het intussen maar erg lastig. Hij sprak van een waterbed. In Ladysmith was slechts één enkele. Deze werd onmiddellijk besteld. Er waren twaalf emmers water noodig om het monster te vullen. 't Was precies of ik in een roeibootje lag te schommelen. Het zou wel gewennen, zei men, en werkelijk, na verloop van eene week zou ik hem niet graag weer moeten missen.'

De nieuwe verpleegster was gek op hem; ze zat de halve dag aan zijn sponde. Gelukkig voor Opa D., want hij kreeg dysenterie. 'Ik werd zoo zwak, dat ik mij niet kon verroeren. Mijn geheugen weigerde alle diensten en men moest mij in alles helpen als een klein kind. Ik werd gefolterd door vreeselijke droomen en visioenen. Ik schreeuwde hardop, zoodat de kaffer wakker werd en zeide: ''die baas mot nie zoo raas nie, die andre mense zal wakker wor''. Als er vrienden kwamen, vroegen ze den kaffer of de baas nog leefde. ''Ja'', zeide deze dan, ''die baas leef nog net een bietje, maar die missies mot banjer voorzichtig wees.''' Missies bracht lappen terpentijn, tegen de pijn, en medicijnen, veel medicijnen. 'Ik weet zeker alles te zamen wel een emmer vol naar binnen gewerkt te hebben. Er werd een graf voor mij gedolven, doch toen ik eenige beterschap bespeurde, heeft men er een Engelsch soldaat in laten zakken. Men vertelde mij deze geschiedenis eerst begin maart.'

Enkele Boeren kwamen vertellen over hun overwinning bij Colenso, een dagmars naar het zuiden. Ze hadden het leger van generaal Buller teruggeslagen bij de Tugelarivier. Goed nieuws. Toch vond hij kerst 'de treurigste van mijn leven'.

De nieuwe eeuw begon beter. Op nieuwjaarsdag 1900 vroeg de zuster 'of ik trek had aan een glas portwijn. Ze bracht mij een stevig glaasje. In 't vervolg, zoolang de voorraad strekte, bracht ze mij elken dag die versnapering.'

De Boeren probeerden het garnizoen van Ladysmith uit te hongeren. De aardappels raakten op. Groente, fruit en boter waren er niet. De enige waterbron was de Kliprivier, waarin lijken en paardekrengen dreven. Wel was er thee, wat brood van mieliemeel (maïsmeel) en zelfs een beetje vlees.

Generaal French weigerde de cavaleriepaarden te laten slachten. De gewonden gingen op rantsoen, op half rantsoen, op kwart rantsoen. 'De sterfgevallen bedroegen twintig en meer per dag, het aantal gewonden en dysenterie- en koortslijders meer dan 2600.'

Het moreel werd er niet beter op. 'De soldaten scholden en raasden.' Het was een attractie toen er 'een officier kwam te overlijden. Hij liet een kist whiskey na en eenige levensmiddelen. Die werden publiekelijk verkocht. Een pak Quaker Oats bracht dertien shillings op.'

De laatste bomen van Ladysmith gingen in de oven, de mannen stopten hun pijp met getrokken theeblaadjes. 'Brood was er niet meer. Men gaf ons scheepsbeschuit. De zuster bracht mij een deel van haar eigen rantsoen. Ik kon niet begrijpen waarom de zuster zoo goed voor me was; ze verpleegde dertig van hare landgenooten, doch alleen met mij deelde ze haar kostje.'

Opa D. voer er wel bij. 'De dokter stond versteld om mijn gansch onverwacht herstel. ''Wonderful, mr. Desterhouse'', riep hij uit, ''zooiets is nog nooit gebeurd! Het grootste wonder op geneeskundig gebied.'' Drie weken later was hij zelf aan tyfus bezweken.'

'Dag en nacht donderden de Long Tom en andere kanonnen. Ook het kleingeweer werd duidelijk hoorbaar. Dagelijks zag ik luchtballonnen en 's nachts sein- of zoeklichten, waardoor het kamp soms helder werd verlicht.' Opa D. 'dacht niet anders, of de Boeren zouden Ladysmith nemen. Ik deed moeite om te worden uitgeleverd, doch allerlei uitvluchten verhinderden dit. Dan was de wond nog te groot, dan waren de Boeren allen gevlucht of was er geen hospitaal. Ze wilden mij niet laten gaan, omdat ik de Boeren zou vertellen welk een hongertroep het in Ladysmith was.' Opa D. was geruild tegen gevangenen van de Boeren. Hij was formeel dus vrij.

'Ik bleef maar waar ik was en begon mij vreeselijk te vervelen. Eindelijk kreeg ik een boek, dat ik zes maal heb gelezen. McCarr leerde mij Engelsch en ik hem Hollandsch.'

'Den eersten Maart om half zes 's avonds lag ik te peinzen om weg te komen, toen iedereen zich in de richting der spoorlijn spoedde. Ik zag tot mijn grootste verbazing een troep Engelsche ruiters den berg afrijden. Een geweldige massa soldaten, cavalerie, infanterie en Schotsche Hooglanders trokken voor mijn tent langs. Ze gaven hun uitgehongerde broeders brood en cigaretten. Dan kwam deze officier en dan gene om de naam te vragen van the wonderful Dutchman. Generaal Buller telegrafeerde over mijn toestand en noemde mij Dexterius.

'Ik verlangde vreeselijk naar het vertrek. Den 27 Maart was alles gereed. Reeds lag ik in den wagen, toen Dr. Koster met een brief kwam voor ''wounded prisoner Dijksterhuis''. Ge kunt u niet voorstellen hoe verheugd ik was na ruim vijf maanden goede tijdingen van mijn broeder te Pretoria te ontvangen!

'De toren van de townhall was deerlijk gehavend. Overal groote Engelsche kampen. Den volgenden avond bereikten we Elandslaagte. Reeds zagen we Boerenpatrouilles. Langs het pad door de Biggarsberg hadden de Boeren groote kanonnen geplaatst en posities gegraven. Den zesden April bereikte de ambulance in eerste klasse rijtuigen Pretoria. Welk een belangstelling bij 't station! Iedereen kende den doodgewaande en men gaf mij broederlijk de hand. Mijn broeder kwam en ik kreeg brieven en couranten te lezen.'

In het Volkshospitaal werd Opa D. 'bij de dag vetter'. Zijn wond groeide in enkele weken dicht. Toen de Engelsen Pretoria innamen, reisde hij in een goederentrein naar Port Elisabeth, vanwaar hij in een volgestouwd vrachtschip naar Nederland voer. De reis duurde acht weken, aan boord was acceptabel voedsel noch schoon water. Er brak ziekte uit. Op 8 september arriveerde hij in Vlissingen.

In het Belegmuseum te Ladysmith geven krantenknipsels, oude foto's en maquettes een indruk van het beleg. Naast het museum staat de gerestaureerde townhall, één van de weinige oude gebouwen in dit provinciestadje. Brede, rechte wegen langs supermarkten, benzinepompen, autosloperijen. Nergens groeit een boom. Op de plek van het tentenhospitaal staat nu een supermarkt zo groot als een voetbalveld, met muren van golfplaat, omgeven door parkeerterreinen.

Wij rijden in een middag tijd naar Pretoria. De chauffeur lijdt aan Parkinson en zit te shaken achter het stuur. Hij is een jaar of zeventig, zijn dikke buik is in een safari-uniform geperst, zijn rode kop met bakkebaarden moppert op de warmte, kankert op de weg en scheldt op alle zwarten. Hij slaat ons op de schouder als we over Opa D. vertellen. 'Hadden we maar gewonnen' Hij ademt zwaar. Zijn vinger zwiept op en neer. Hij wijst naar het Voortrekkersmonument, aan de zuidzijde van Pretoria. Een plompe toren in proletarische stijl, omgeven door een stenen laager van ossenwagens. Het dient als symbool van de moed en de uitverkorenheid Gods der Boeren. Op 16 december, de datum waarop de Boeren ooit een bloedbad onder Zoeloes aanrichtten, straalt een zonnestraal precies op de woorden: 'Ons vir jou, Suid-Afrika'.

Meer over