OP ZOEK NAAR HET SNELHEIDSGEN

Zwarte atleten domineren bij de Olympische Spelen op de loopnummers. De Amerikaanse bioloog en schrijver Jon Entine publiceerde een opzienbarend boek, waarin hij concludeert dat blanken het verloren gegane terrein nooit meer zullen terugwinnen....

In zijn boek A Hard Road to Glory zocht de donkere tennisser Arthur Ashe naar een verklaring voor de sportieve successen van donkere atleten. Hij kwam er niet uit. Lang was aangenomen dat haar achterstandspositie de zwarte bevolking aanzette tot grote prestaties in de sport. Ashe concludeerde dat er ook een genetisch onderscheid moest zijn tussen donkere en blanke sportlieden.

Ashe besefte dat hij zich met die verklaring op glad ijs begaf. De Amerikaanse schrijver Jon Entine, die Ashe voor zijn dood meermalen sprak, zegt dat de kwestie de legendarische tennisser lang heeft bezig gehouden. Hij gaf impliciet toe dat rassen zich biologisch van elkaar onderscheiden.

Dat het onderwerp delicaat is in de Verenigde Staten ontdekte ook Entine, van wie eerder dit jaar het boek Taboo, Why Black Athletes Dominate Sports And Why We're Afraid to Talk About It (Public Affairs, $ 25) verscheen. Het kostte hem moeite een uitgever te vinden. Stuk voor stuk waren ze bang voor de reacties.

Entine (48) is oprecht in het onderwerp geïnteresseerd. Hij is bioloog, houdt van sport en noemt zijn boek een 'geschiedschrijving van racisme binnen de sport'.

De bioloog houdt zich al tien jaar bezig met het onderwerp en ontmoet in de Verenigde Staten de meeste kritiek van Harry Edwards, een vooraanstaand socioloog uit Californië, die in 1968 zwarte Amerikaanse atleten bij de Spelen in Mexico aanzette tot de black power-groet. Van verschillen tussen zwarte en blanke atleten wil Edwards niks weten.

De stelling van Edwards: 'Blanken hebben zich altijd comfortabel gevoeld bij de gedachte van zwarten in de velden. In het verleden waren dat de slaven in de katoenvelden, tegenwoordig de zwarten op de football-velden.'

Zwarten zijn, onderstreept Edwards, niet vanwege hun lichamelijke kwaliteiten betere sportmannen dan blanken. 'De oorzaak is louter sociologisch te verklaren. Ze zijn als het ware gekweekt om fysiek te presteren.' Entine vindt deze constatering te simpel.

'Edwards maakt een rare vergelijking tussen slaven die door plantagehouders werden gedwongen om zware fysieke arbeid te verrichten en zwarten die op de sportvelden actief zijn', zegt Entine. 'Alsof ze gefokt zijn om snel en explosief te zijn. Het is een mythe, net als de vlucht-uit-de-getto theorie, die zegt dat zwarten twee mogelijkheden hebben om aan de armoede te ontsnappen: door sport en militaire dienst.

'Slaven werden in Amerika niet gefokt om beter te presteren, net zo min als álle zwarte sporters uit achterbuurten afkomstig zijn. Donovan Bailey, de winnaar van het goud op de 100 meter in Atlanta, is effectenmakelaar, Carl Lewis en Michael Jordan zijn afkomstig uit de gegoede middenklasse. De meeste Amerikaanse sporters, of ze blank of zwart zijn, komen uit de middenklasse.

'Het sportveld is geen moderne plantage, zoals Edwards beweert. Als zwarten alleen beter zouden presteren vanwege hun sociale achtergrond, dan blijft het vreemd waarom er nog niet één blanke sprinter is geweest die de honderd meter binnen de tien seconden heeft gelopen.'

In zijn boek vertelt Jon Entine het verhaal van atletiekcoach Brooks Johnson, die van mening is dat blanke sprinters slecht presteren omdat ze hun hele leven te horen hebben gekregen dat ze toch nooit sneller zullen zijn dan hun zwarte concurrenten. Een collectief minderwaardigheidscomplex.

Johnson, die tweemaal atletiekcoach was van het olympisch team van de VS, nam zich ooit voor een 'witte Carl Lewis' op te sporen. Sterker nog, hij meende voor élke Carl Lewis negen witte tegenvoeters te kunnen vinden. Die snelle mannen heeft Johnson nooit gevonden.

Op zoek naar de verklaring voor de verschillen tussen blanke en zwarte atleten stuitte Entine op een muur van verzet. 'Als ik zwaarlijvigheid wil onderzoeken, dan vergelijk ik uiteraard magere met dikke mensen. Dat mag, maar als ik snelle met langzame atleten wil vergelijken, zwarte met blanke dus, dan stap ik in het moeras.'

Entine beaamt dat in het verleden tal van 'geleerden' onder het mom van 'wetenschappelijke motieven' onderzoek hebben verricht naar mogelijke verschillen tussen de diverse rassen. Zo zijn er de rassentheorieën uit de Hitler-tijd die moesten aantonen dat Jesse Owens een betere sporter was omdat hij een 'natural athlete' was. Zonder veel te trainen, had Owens van nature een voorsprong op blanke sporters.

Vooral de al eerder genoemde Harry Edwards gruwt van dit soort theorieën: 'Wat er werkelijk gezegd werd, is dat zwarten door hun anatomie dichter bij de beesten staan. Ofwel: ze zijn daarom ook minder intelligent.'

Entine walgt net als Edwards van deze idiote stellingen. 'Maar dat mag niet betekenen dat je geen onderzoek naar de oorzaken van het verschil mag verrichten. Laten we wel zijn: er zíjn nu eenmaal verschillen tussen de diverse bevolkingsgroepen: Europeanen zijn beter in krachtsporten, zij stoten de kogel veel verder dan welke Afrikaan ook. Aziaten blinken uit in gymnastiek.'

De wetenschap heeft, zegt Entine, allang vastgesteld dat er verschillen zijn. 'Zo zijn bepaalde bevolkingsgroepen gevoeliger voor sommige ziektes dan andere. Dat alles is wetenschappelijk bewezen, maar sommigen vinden het van racisme getuigen als ik wil onderzoeken waarom sprinters, maar ook basketballers van West-Afrikaanse afkomst zo snel en explosief zijn.

'Mogen we niet weten waarom blanke sprinters die hopen op een olympische medaille beter kunnen stoppen omdat ze kansloos zijn?'

De vergeten blanke Amerikaan Bobby Morrow won in Melbourne in 1956 drie sprintmedailles. Dat zal nooit meer gebeuren, meent Entine. Want, het is waar: White Man can't jump.

De atletiek levert het bewijs, elk wereldrecord op de loopnummers bij de mannen is in het bezit van zwarte atleten. 'Drie daarvan zijn in Amerikaanse handen, op de 100, 200 en 400 meter. Daarna moeten we overstappen naar een ander continent', aldus Entine.

Eerst naar West-Afrika, waar ook de roots van de genoemde Amerikanen - Maurice Greene (100 meter) en Michael Johnson (200 en 400 meter) - liggen. De 32 finalisten van de laatste vier olympische 100-meterfinales voor Sydney vinden hun erfelijke wortels in die streek. 'Opmerkelijk, want slechts 8 procent van de wereldbevolking is afkomstig uit dit gebied. En toch leveren ze álle finalisten. Volgens een gewone kansberekening zou de kans daarop nul punt, en dan nog eens 33 nullen en dan pas een 1 zijn.'

De voorvaderen van de sprinttoppers zijn afkomstig uit West-Afrika, terwijl de rest van het continent de atleten levert die de records op afstanden vanaf de 400 meter (tot en met de marathon) bezitten. Het laatste, niet-Afrikaanse record sneuvelde in 1999, toen de Keniaan Noah Ngeny het achttien jaar oude record van Sebastian Coe op de 1000 meter verbeterde.

Entine: 'Vijftien wereldrecords zijn het, als we die op de mijl en die van de 4x100 en 4x400-estafettes meerekenen. Ook dat is op zich heel opmerkelijk, want slechts 13 procent van de wereldbevolking is afkomstig uit Afrika.' Entine bracht meerdere malen een bezoek aan Oost-Afrika, aan Kenia, het land dat sinds 1964 liefst 38 olympische medailles won op afstanden boven de 800 meter. Dit vlekje op de wereldkaart ('net zo groot als de staat Texas') leverde bovendien de atleten die de laatste tien jaar 40 procent van alle grote marathons in de wereld wonnen. 'En 90 procent van hen is weer afkomstig uit de streek rond Eldoret, hun wieg stond binnen een actieradius van honderd kilometer van die stad.'

Veel van dat succes is verklaarbaar en allang bekend. De West-Afrikanen bezitten een andere lichaamsbouw, hebben snelle spieren, de Oost-Afrikanen en sommige Noord-Afrikanen bezitten lange benen en hebben van nature weinig vet. Ze worden bovendien op grote hoogte geboren. Hun zuurstofopname is daardoor fenomenaal. Bezitten atleten met West-Afrikaanse voorouders een explosief vermogen (dat hen helpt op afstanden tot en met 400 meter), Oost-Afrikanen gaan pas 'draaien' vanaf 800 meter.

Entine: 'De titel van mijn boek is dan misschien ook wat simpel. Zwarte atleten zijn niet per definitie bétere atleten, sómmige zwarte sporters blinken uit op bepáálde onderdelen. Er zal nooit een Keniaan zijn die de 100 meter wint, een West-Afrikaan zal nimmer de marathon binnen de 2.06 uur lopen.'

Dat er af en toe Zuid-Europese sporters zijn die uitblinken op de langere atletiek-disciplines, is volgens Entine te danken aan de geografische ligging van Italië en Spanje. 'De bevolkingsgroepen bezitten Afrikaans bloed. Vanaf de oudheid is er veel verkeer geweest tussen beide continenten.'

Volgens Entine zijn er ook andere, diepere oorzaken aan te geven voor de Afrikaanse sportsuccessen. 'Er moet een gen zijn, dat voor de snelheid op de 100 meter zorgt. Zo'n gen zal er ook zijn voor de Oost-Afrikanen. Alleen zijn die genen nog nimmer gevonden.'

In de DDR zijn ze twee decennia bezig geweest om een blanke topsprinter te kweken, zegt de schrijver. 'Ze hebben alles aangewend, doping, wat al niet. Maar alle pogingen zijn mislukt. Bij vrouwelijke atleten was meer mogelijk, met mannelijke hormonen en steroïden.'

Als dat snelheidsgen ooit wordt gevonden, dan zal het mogelijk zijn om een sprinter - wit of zwart - te kweken, meent Entine. 'Waarom niet? De wetenschap schrijdt voort, we kunnen steeds meer ziektes genezen, ooit zullen we dus ook het speedgene traceren. Dan gaat de dopingproblematiek een geheel nieuwe fase in.'

Maar alleen met zo'n gen ben je er nog niet. 'Je hebt ook een goed stel hersens nodig. Je zult er heel hard voor moeten werken, Carl Lewis en Haile Gebreselassie kregen hun successen niet cadeau. Zo makkelijk is het niet. Er lopen hier waarschijnlijk tientallen jochies rond met het talent van Michael Jordan. Maar ze bezitten zijn toewijding en intelligentie niet om het in de sport te maken. Want intelligentie, dat blijft toch de belangrijkste voorwaarde voor sportief succes.'

Meer over