Op weg naar de eenzaamheid BIOGRAFIE VAN DICHTER, SOCIALIST EN SPORTFANAAT HERMAN GORTER

AAN ALLE clichés die in verband worden gebracht met het kunstenaarschap van de late negentiende eeuw - zeg maar met de bohème - lijkt Herman Gorter te zijn ontsnapt....

JAN BLOKKER

Hij oogde als een primme notariszoon (zijn vader was in werkelijkheid de jong gestorven predikant-journalist Simon Gorter), school- en studievrienden bewonderden zijn fysiek. Op een zeiltochtje bij ruw weer was Aegidius Timmerman zelf doodsbenauwd geweest. 'Maar Herman? O hee! Daar stond hij op zijn sterke gespreide beenen, vast als ijzer, een glimlach om zijn dikke lippen, een blos op zijn frissche wangen, alles open, zijn oogen, zijn heele ziel, zijn blauwe colbertje. Zijn geele strooien hoedje woei af van zijn kortgeknipte haren. Hij keek er niet naar om, hij lachte.'

Geen spoor van artistiekerigheid. Hij studeerde niet alleen (klassieke talen), hij maakte z'n studie ook af, schreef zelfs een proefschrift, en ofschoon hij intussen dank zij z'n opzienbarende dichtersdebuut een nationale beroemdheid was geworden, liet hij zich in een gehuurd rijtuigje langs gemeenteraadsleden van Amersfoort rijden om heel deemoedig te dingen naar een leraarsbaantje aan het stedelijk gymnasium; men zegt dat hij ten slotte werd benoemd omdat hij tijdens de visites glacé handschoenen had gedragen, terwijl zijn directe concurrent met garen handschoenen door de mand was gevallen.

Mede-cricketer Jaap Koenen vreesde na het verschijnen van Mei (Gorter sprak consequent van 'het ding') dat hun vriendschap onder 'een grootere afstand tusschen ons' zou gaan lijden. De dichter wist niet hoe gauw hij zijn literaire nevenwerkzaamheden moest relativeren, en Koenen zou ook ervaren dat zijn vriend zich door zijn bekende-Nederlanderschap niet van zijn stuk liet brengen: het lorgnetje, de borstelkop, de strohoed en bij gelegenheid het driedelig pak of het jacket met hoge zijden bleven wat ze waren, net als het joggen en het schaatsen en het zwemmen en het zeilen.

Uit niets blijkt ook dat hij zich in gedrag of kleding zou hebben aangepast toen hij - het 'ding' eenmaal voltooid - bij afgoden als Willem Kloos, Albert Verwey, Frederik van Eeden en - in mindere mate - Lodewijk van Deyssel over de vloer mocht komen. Kloos vond bij de eerste ontmoeting dat hij meer weg had van 'een flinken voetballer dan van een lever in de diepere psychische gewesten', en moet verbijsterd zijn geweest toen Gorter zijn werk had voorgelezen: wat hij en zijn bentgenoten van De Nieuwe Gids over een nieuwe Nederlandse letterkunde hadden gedroomd en zelf op z'n mooist soms hadden benaderd, bleek hier alsnog volmaakt te zijn verwezenlijkt door een flinke voetballer.

Misschien in maar één opzicht bevestigde Gorter het 'romantische' vooroordeel over Grote Geesten die het per definitie niet zo nauw nemen met de burgerlijke moraal. Naast de vrouw met wie hij in 1890 trouwde en met wie hij tot haar dood in 1916 getrouwd bleef, heeft hij er - gezwegen van een niet overgeleverd aantal losse 'scharrels' - twee vaste maîtresses op nagehouden - niet na elkaar, maar gelijktijdig.

Wies Cnoop Koopmans, de echte mevrouw Gorter, wist van het bestaan van de twee anderen - niet tot in alle details natuurlijk, maar ze werd door Herman toch redelijk bijgepraat. Zij moet alles hebben gehad van de klassieke femme d'artiste: trouw, toegewijd, duldzaam, zich voortdurend bewust van het feit dat ze een huwelijk had gesloten met een uitzonderlijke man en dat ze aan die verbintenis nooit conventionele rechten kon ontlenen. Typerend genoeg was zij ook degene die hem op z'n lange weg van de sociaal-democratie via het socialisme (en heel even het leninisme) tot aan het radencommunisme het verst en loyaalst heeft gevolgd. Zijn postuum verschenen laatste Verzen waren opgedragen 'aan een communiste' - en dat was zij.

Van de andere twee wist Jenne Clinge Doorenbos dat Ada Prins bestond en dat Gorter niet van haar wilde scheiden; maar omgekeerd ontdekte Ada pas op de crematie in 1927 dat er al meer dan vijftien jaar een Jenne had bestaan en dat die zich blijkens het lint op een grafkrans niet alleen 'de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid' noemde (terwijl Ada dacht dat zij dat al die tijd was geweest), maar door de overledene ook als enige erfgenaam en literaire executeur testamentair was aangewezen. Comédie noire op het kerkhof, waar vertegenwoordigers van drie extreem-linkse splintergroepjes bovendien niet alleen moesten proberen elkaar te negeren, want ze leefden in politieke bloedvete, maar ook nog de grootste moeite hadden om zich verre te houden van de geminachte 'burgerlijke' rouwklagers. Gorters eenzaamheid - hij had onderweg met vrijwel al zijn vrienden gebroken en was binnen het socialisme weggemarginaliseerd tot een zonderlinge randfiguur - had daar niet schrijnender en burlesker gemarkeerd kunnen worden.

Je zou het leven van Gorter kunnen duiden als één lange tocht naar die eenzaamheid. Als jongen van net twintig volgt hij op afstand de vernieuwers van 'Tachtig', tot wier kring hij zou willen behoren, maar op het moment dat hij juichend door ze wordt geadopteerd, heeft hij ze als het ware al 'ingehaald' en laat hij ze achter zich. Op een soortgelijke manier - weer na een periode van intense voorbereiding - stort hij zich in de prille sociaal-democratische beweging, laat zich onderdompelen in het partijwerk, heeft Kloos en Van Eeden al snel ingeruild voor Troelstra en Vliegen, maar opnieuw blijkt hij op een cruciaal ogenblik 'verder' dan de SDAP, en breekt hij ermee, zoals hij met 'Tachtig' had gebroken.

Op de steeds smallere weg naar zijn droom van gemeenschap, arbeidersklasse en proletariaat verliest hij steeds meer bondgenoten in binnen- en buitenland, en als zijn laatste hoop, voorbij het reformisme van de Duitse SDP, is gevestigd op Lenins bolsjewistische revolutie, versmaadt hij bij wijze van spreken ook dáármee de aansluiting. Ook Lenin is hij naar eigen normen 'vooruit', en vanuit het machiavellistische machtsdenken van de kersverse Sovjet-Unie wordt hij (op de vergadering van de Komintern in 1921) samen met zijn geestverwant Pannekoek publiekelijk bespot door hun vroegere kameraad Karl Radek, die tot hilariteit van de congresgangers uitroept: 'De een is astronoom, gluurt naar de sterren, ziet nooit een levende arbeider, de ander is wijsgeer en bovendien nog dichter'

0 E TRAGISCHE paradox in die ontwikkeling - de onkreukbare eenling Gorter, wanhopig op zoek naar een artistieke, politieke of maatschappelijk gemeenschap die zich blijkbaar schuilhoudt achter telkens een nieuwe horizon - mis ik een beetje in de overigens smetteloze biografie van Herman de Liagre Böhl die deze week (mei!) in het licht is gezonden.

De Liagre Böhl, die in 1973 promoveerde op Gorters activiteiten binnen het opkomende internationale communisme, had zich ditmaal een ander doel gesteld: na te gaan in hoeverre Gorters bekering tot het socialisme een cesuur heeft betekend in zijn dichterschap. Zijn uitgangspunt is dat de poëzie ('Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd') Gorters belangrijkste roeping is geweest, en vandaaruit formuleert hij - helder als overal in de biografie - zijn taakstelling: 'Om die reden ligt het voor de hand dat een biograaf die de bedoeling heeft om Gorters hele levensverhaal te schetsen, de kwestie van de zeggingskracht van het totale poëtische oeuvre, inclusief de socialistische verzen, beschouwt als het sleutelprobleem van zijn leven. Kan hij ook als socialist nog beschouwd worden als een meesterlijk dichter? Hierover mijn indruk te geven, vormt een zwaarwegende inzet van dit boek.'

De uitwerking van dat thema impliceert sterke nadruk op een analyse van Gorters werk, en dat is meer een inhoudelijke dan een formele analyse geworden. De Liagre Böhl is een politicoloog, en niet primair een poëziekenner. Terwijl hij met evenveel scherpte als vindingrijkheid Gorters ideologische ontwikkeling aan zijn verzen toetst - en daarbij, te beginnen bij zijn interpretatie van de Balder-figuur, de continuïteit van Mei tot en met Pan II wel eens een geforceerd handje helpt - blijft de aandacht voor de eigenlijke ars poetica nogal in de schaduw. En daardoor is het bevestigende antwoord op de vraag of Gorter ook als socialist nog 'een meesterlijk dichter' is gebleven, niet helemaal overtuigend.

Een groter bezwaar is een zeker dualisme in de biografie. De Liagre Böhl heeft zich dan wel voorgenomen het hele levensverhaal te schetsen aan de hand van het totale oeuvre, maar dat is nog iets anders dan een integraal portret van een man, dichter en denker. Het boek hinkt nu enigszins op twee (of zelfs drie) Gorters: de dichter en later de socialist gaan voorop, 'de mens achter de dichter' sleept er vervolgens een beetje achteraan. Zo zijn de hoofdstukken ook opgebouwd: eerst de analyse, dan bij wijze van toegift nog wat petite histoire - en altijd staan de saillante biografische bijzonderheden meer naast dan regelrecht in verband met de grote fasen van zijn leven.

De Liagre Böhl is daarbij opvallend zuinig, om niet te zeggen krenterig, met wat je menselijke bijzonderheden zou kunnen noemen. De mannen van Tachtig zijn net zo weinig 'gezien' als de prominente figuren van de SDAP, met wie Gorter toch jarenlang intensief is opgetrokken en met wie hij bovendien jarenlang intensief allerlei kleine en grote meningsverschillen heeft uitgevochten - tot de scheuring aan toe. Hun namen zijn keurig genotuleerd, de ruzies worden vermeld, de crisissen staan allemaal geboekt - maar leven doet het zelden of nooit; die hele bonte, kleurrijke stoet van markante personages en vaak opwindende gebeurtenissen trekt bleekjes voorbij.

Is er niet, om één voorbeeld te noemen, een regelrechte relatie geweest tussen Gorters ingewikkelde dubbelleven (na 1910 zelfs driedubbelleven) en z'n alledaagse, z'n poëtische en z'n politiek-maatschappelijke activiteiten?

Hetzelfde geldt voor de dominante invloed die Gorters moeder in zijn leven blijkt te hebben gehad. In de onvolprezen Herman Gorter Documentatie van Enno Endt kunnen we uit haar brieven de meer dan strakke regie volgen waarmee ze Herman vanuit Berlijn, waar ze sinds 1890 woont, niet alleen scherp in de gaten houdt, maar ook 'stuurt'; om de verloving met Wies niet in gevaar te brengen elimineert ze bijna letterlijk het vriendinnetje Juul Joosten, met wie de jonge dichter er vandoor dreigt te gaan, en als dat geregeld is ('Ik ga helemaal alleen uit van al mijne gedachten hierover', schrijft ze in wat op een dienstbevel lijkt, 'en dan zeg ik: met Wies trouwen, ik aarzel geen oogenblik'), krijgt 'Wiesekind' van haar aanstaande schoonmoeder alvast een kas-huishoudboekje opgestuurd waarin de weekkosten voor het jonge gezin tot op de halve cent nauwkeurig zijn begroot, en dat ook nog instructies behelst voor het nog in te huren dienstmeisje.

Voor hoeveel vervangende moederschoten hebben de kunst, de poëzie, het socialisme en de revolutie later moeten zorgen? De Liagre Böhl waagt zich niet aan speculaties, zomin als hij zich met een mogelijke analyse wil bezighouden van, bijvoorbeeld, Gorters tamelijk extreme persoonlijke gezondheidszorg. Van wat je misschien zou kunnen duiden als een dwangmatige behoefte om 'in vorm' te blijven. Hij crickette nog in 1920, en was al bijna zestig toen Adriaan ('Jany') Roland Holst nog een stevig balletje moest slaan om hem op de tennisbaan de baas te blijven.

Hoe 'psychosomatisch' waren precies de flauwtes waarmee hij achtereenvolgens Wies, Ada en Jenne zo ongerust kon maken, terwijl bezoekers van buiten bleven getuigen dat ze nog altijd de opgewekte, sportieve en ogenschijnlijk kerngezonde Herman aantroffen?

Excentriek was hij altijd al geweest toen hij als bejubeld dichter-bohémien van uiterlijk 'een flinke voetballer' bleef, of de strenge burgermansleraar die zich voor zijn poëzie eerder leek te schamen dan dat hij zich er ooit op zou laten voorstaan. Hoezeer heeft hij die excentriciteit in de rest van zijn leven gekoesterd?

Zijn biograaf citeert in zijn conclusie nog dit postuum verschenen versje:

Verdoemd!

Allen zijn klein,

Geen is er groot.

Beter weg in den dood

Dan verdoemd met het kleine te zijn.

Niet meteen een 'socialistisch' gedicht. Misschien wel de sleutel tot het leven van iemand die in voortdurende gedrevenheid iets groots najoeg dat voor zijn ogen telkens leek te vervluchtigen; zoals hij als jongeman zijn 'kleine Mei' al had zien vervluchtigen.

Jan Blokker

Herman de Liagre Böhl: Herman Gorter 1864-1927 - Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd.

Balans; ¿ 85,-.

ISBN 90 5018 501 0.

Meer over