De ontmoetingsplek

Op het Plaza Garibaldi in Mexico-Stad worden vreugde en verdriet bezongen

Zodra de corona-maatregelen het toelaten zoeken mensen elkaar weer op. Deze zomer portretteren we zes bijzondere ontmoetingsplekken, verspreid over de continenten. Deze week: het muzikale Plaza Garibaldi in Mexico-Stad.

null Beeld Alejandro Cegarra
Beeld Alejandro Cegarra

Zij is 32, hij minstens twee keer zo oud. Beiden dragen ze het zwarte mariachi-tenue met de glimmende stiksels. Bij het weerzien grijpen ze elkaar even vast in een halve omhelzing, haar arm op zijn heup, hun gezichten vol warmte. Op een zaterdagmiddag keert Guadalupe Mora na een half jaar terug naar het Plaza Garibaldi in het centrum van Mexico-Stad, verzamelpunt van de Mexicaanse smartlap in al zijn vormen, mariachi (een klein straatorkest), norteño (de accordeon mag niet ontbreken), jarocho (met de kenmerkende kleine jarana-gitaar).

Van ’s ochtends vroeg tot diep in de nacht, en dan nog dieper, klinken hier normaal gesproken gitaren, violen, trompetten en loepzuivere stemmen. Ze bezingen de liefde, het geluk, het afscheid en het verdriet. Cielito Lindo (Mooi liefje) bijvoorbeeld van Quirino Mendoza. ‘Aaai-ai-ai-aaai. Zing en huil niet.’ Of El Rey (De koning) van de grote zanger José Alfredo Jiménez. ‘Ik ben je kwijt, maar wanneer ik sterf, weet ik dat je zal wenen. Wenen en wenen, wenen en wenen.’

Maar niets is wat het was sinds 514 dagen geleden Mexico zijn eerste coronabesmetting ontdekte. Het virus rolde binnen, zwelde aan, zakte in, zwelde verder aan, zakte verder in, om vervolgens, ondanks miljoenen geplaatste prikken, een derde keer op te komen. Het dodental tot nog toe: 238 duizend. Op de dag dat Mora terugkeert naar het Garibaldi-plein, stijgt het officiële cijfer met 690.

Tweede huis

Daarom begint ze te stralen wanneer ze haar oude collega terugziet. ‘Ik ben blij dat ik hem gezond aantref.’ Ze heeft een blauw lint in het haar en blauwe schaduw rond haar ogen. Hij helpt haar bij het knopen van een blauwe strik rond haar kraag. ‘Dit is mijn tweede huis’, zegt ze. ‘Hier ontmoet ik mensen tegen wie ik opkijk, pioniers, mannen die dit alles ooit zijn begonnen.’ Een vioolkist leunt tegen haar been. Maandenlang bleef ze weg vanwege de pandemie, die ook veel mariachi’s het leven kostte.

Haar collega kijkt naar haar terwijl hij in stilte de stof van de strik vouwt. Dan zegt hij kortaf tegen de journalist: ‘Si, tengo muchos años aquí.’ Ja, ik heb veel jaren hier. ‘Maar ik heb nog meer honger.’

Die eerste, zwaarste maanden waarin alle kroegen dicht waren en er geen enkele noot klonk, liggen weliswaar in het verleden. Maar het coronastoplicht van Mexico-Stad staat nog op geel: er zit nog steeds een rem op het leven. En dat doet pijn op het Plaza Garibaldi, waar juist ongeremdheid geld opbrengt. Er komt minder publiek, het feest begint later en eindigt eerder. Deze middag zijn de muzikanten in de meerderheid, ze slenteren, strikken soms een klant, wachten tot de zon zakt en meer chilangos, hoofdstedelingen, alsnog vertier zoeken.

null Beeld Alejandro Cegarra
Beeld Alejandro Cegarra

Het Garibaldi-plein is wat het is dankzij de Tenampa, een kantine die bijna een eeuw geleden werd geopend door een ondernemer uit de Mexicaanse deelstaat Jalisco. Juan Ibarra Hernández nam de muziek van zijn geboortegrond mee naar zijn restaurant in het hart van de hoofdstad. De jaren veertig gelden als ‘het gouden decennium’ van de mariachi-muziek. Zangers waren filmsterren die op het witte doek serenades brachten aan hun vrouwelijke tegenspelers. Plaza Garibaldi groeide uit tot de plek waar de gewone sterveling voor een paar pesos een lied kon kopen voor zijn geliefde.

Drankverbod

De Tenampa met haar zalmroze gevel is er nog, de mariachi’s zijn er nog, verder is het zoeken naar sporen van de hoogtijdagen. Donkergrijze tegels houden de warmte vast, de terrassen aan de noordkant ogen als toeristenvallen. Aan de westkant staat sinds tien jaar het tequilamuseum, een glimmende doos op betonnen palen, onderdeel van een plan om het plein nieuw leven in te blazen. In een hoek herinnert de azuurblauwe façade van restaurant Tlaquepaque aan vroeger. Binnen dansten toeristen en Mexicanen op muziek van de allergrootsten. Sinds de eigenaar enkele jaren geleden overleed, staat het gebouw te koop. In zijn schaduw brengen daklozen hangend de dag door.

‘Hé Kikker, hoeveel verschillende pleinen hebben we meegemaakt?’ Om de hoek van de Tlaquepaque drinkt een groep buurtbewoners bier uit blik. ‘Een stuk of vier, vijf?’, antwoordt de man die Kikker wordt genoemd. De zestiger met de brede mond heet in werkelijkheid Daniel Muñoz, hij verhuisde eens de stad uit, maar keerde terug omdat hij niet kon wennen aan de stilte. ‘Zeker acht’, zegt Juan Gabriel López (44), medicijnverkoper en trotse inwoner van barrio Garibaldi.

Ooit, vertelt López, was het plein bedekt met rode tegels. Tussen prachtige bomen stonden drie fonteinen. Het is altijd een volkse plek geweest, waar alle lagen van Mexico elkaar troffen, maar vroeger had het uitstraling, grandeur. ‘Koloniaal, barok, klassiek. Die tegels gaven smoel.’ Toen onder het plein een parkeergarage werd gebouwd, gingen de bomen tegen de vlakte.

Plaza Garibaldi stond voor tolerantie, zegt Muñoz, een vrijhaven waar je je eigen fles drank meenam en een plekje uitzocht om te genieten van de muziek. Maar die verdraaide burgemeester Ebrard – nu minister van Buitenlandse Zaken – heeft destijds alcohol op het plein verboden. Het is dankzij hun goede relatie met de lokale agenten dat zij nog wel hier buiten hun biertjes kunnen drinken.

Met de jaren groeide de criminaliteit, zeggen de mannen. Het nachtleven waarin duizenden peso’s van hand tot hand gaan trekt bendes aan. In 2018 kwam het geweld op brute wijze aan de oppervlakte en veranderde Plaza Garibaldi in een scène uit een maffiafilm. Mannen in mariachi-kostuum begaven zich onder het publiek en openden het vuur. Twee bendes vochten om controle over het plein, zes mensen kwamen om.

null Beeld Alejandro Cegarra
Beeld Alejandro Cegarra

De schietpartij blijkt nog steeds een gevoelig thema onder de muzikanten, vragen erover worden ontweken. ‘We hebben het er niet over’, zeggen Mario Enrique en Jonás Barrera, twee leden van het trio De Jongleurs. De derde laat hen altijd in de steek, grappen ze. ‘Hij voelt zich te belangrijk.’ Ze zijn beiden 64. ‘Hij is ’s nachts geboren, ik overdag’, zegt Barrera met witte baard. ‘Daarom is zijn huid witter’, zegt Enrique met zwarte snor.

Tragedie

Ze spelen al decennia op het plein, in goede en mindere tijden, maar zelfs de aardbeving van ’85 was niet zo’n langgerekte tragedie als deze pandemie. Onlangs nog kwamen alle mariachi’s samen om een laatste muzikale eer te bewijzen aan El Chile Relleno – de Gevulde Peper. Een groot muzikant, zeggen ze. ‘Kom, hoe heette hij ook alweer echt? Hij heeft nog gespeeld met de Spaanse zangeres Rocío Dúrcal.’ Zo stierven er meer collega’s in coronatijd, al weten ze niet precies hoeveel.

De Jongleurs zijn dankbaar dat zij er nog zijn – terwijl hij het zegt, zet Barrera een plastic bril en mondkap op, want corona is nog lang niet verdwenen. Maar wanneer de mannen kunnen spelen voor publiek en hun muziek een verliefd stel tot tranen roert, zijn hun zorgen even vergeten. ‘Dan geven we wat we hebben’, zegt Enrique. Zijn partner draait zijn gitaar om en schudt er een plectrum uit. Hij pakt het hulpstuk vast en begint te tokkelen.

Met het vallen van de avond loopt de Tenampa alsnog vol. Een tienkoppige band vormt een haag om een familie van zes. De muziek vult de ruimte en maakt elk gesprek onmogelijk. Er kan alleen gezongen en gelachen worden – en gefilmd met de smartphone om de ervaring te delen met wie er niet bij was. Op de muur staat de prijs: 130 pesos (ruim 5 euro) voor een mariachi-lied uit Jalisco, 60 voor een jarocho uit Veracruz.

Even later zingt een vriendengroep uit volle borst mee met de muzikanten om hen heen. ‘Mijn geliefde, ik moet je verlaten’, klinkt het. Gezichten stralen. Het verdriet moet gevierd vanwege het geluk dat eraan voorafging. Daarvoor bestaat, ondanks alles, geen betere plek dan het Plaza Garibaldi.

Meer over