De ontmoetingsplek

Op het cricketveld heeft iedereen alle tijd om een praatje aan te knopen. Ook de spelers

Zodra de coronamaatregelen het toelaten zoeken mensen elkaar weer op. Deze zomer portretteren we zes bijzondere ontmoetingsplekken, verspreid over de continenten. Deze week: Southborough Common in Engeland.

Een cricketwedstrijd op Southborough Common in Londen. Toeschouwer Chris Holder: ‘Bij welke andere sport zie je dat een 14-jarige samenspeelt met een 60-plusser?’ Beeld Carlotta Cardana
Een cricketwedstrijd op Southborough Common in Londen. Toeschouwer Chris Holder: ‘Bij welke andere sport zie je dat een 14-jarige samenspeelt met een 60-plusser?’Beeld Carlotta Cardana

Bill en Pamela zitten op een houten bankje langs Southborough Common, waar het tweede team van de plaatselijke cricketclub tegen Sissinghurst speelt. De mannelijke helft van het hoogbejaarde echtpaar ziet op deze zaterdagmiddag niet alleen dertien in gebroken wit geklede spelers, maar ook zijn eigen jeugd. ‘Ik speelde hier cricket als tiener, tijdens de oorlogsjaren. Soms vloog er een bommenwerper over’, herinnert Bill zich. Het echtpaar constateert dat er in deze omgeving niet veel veranderd is. ‘Er rijden wat meer auto’s voorbij’, zegt Pamela.

Op een common – in het Nederlands heet zo’n oud stuk grond in gemeenschappelijk dorpsbezit de meent – komen gewone Engelsen al eeuwen samen om zich te ontspannen en elkaar te ontmoeten. Picknicken, voetballen, naar muziek luisteren, de kermis bezoeken. In sommige dorpen grazen er koeien of schapen op de common.

Cricket

Southborough Common, waar in de tijden van koning Hendrik VIII een vloek op rustte, is al eeuwenlang het domein van cricket. Dit spel kan de weinig filosofische Engelsen, zo merkte de toneelschrijver George Bernard Shaw eens op, een idee van oneindigheid geven. Wanneer de eerste bal er geslagen werd, is niet bekend. Vast staat, aan de hand van een aankondiging in de Maidstone Journal and Kentish Advertiser, dat hier op 22 juli 1794 een cricketwedstrijd werd gespeeld tussen de heren van Tonbridge en Penshurst, gevolgd door een ‘good ordinary’, een lunch, in The Hand and the Sceptre, de pub die zich nog altijd naast het veld bevindt, aan de andere kant van de London Road. Hiermee is het een van de oudste cricketvelden van het land, gelegen tussen kerk en kroeg – ‘in between spiritualists and spirits’, zoals de Engelsen zeggen.

De hand van deze geschiedenis rust op de schouders van voorzitter David Smith, wiens taak het is de club gaande te houden. ‘Menige winteravond tijdens de lockdown ben ik in de geschiedenis gedoken’, zegt de 42-jarige, die in de gevangenis werkt. ‘Verslagen van mijn zoektocht heb ik op onze Facebookpagina gezet, om contact te houden met de leden.’ Veel aandacht is daarbij uitgegaan naar K.L. Hutchings, de enige Southboroughonian die in het nationale team heeft gespeeld. Dat was begin vorige eeuw. Zijn naam staat op het monument voor The Great War, pal naast het veld.

De geschiedenis is niets zonder heden en toekomst. Daarom zit Smith een uur voor aanvang tijdens de wedstrijd in de Kent County Village League (niet te verwarren met de zondagse Kent Village Cricket League) op de roller, de stoomwals die het centrum van het speelveld zo plat mogelijk maakt. Hier vindt de meeste actie plaats: de slagmensen rennen er heen en weer en de werper probeert er de wickets, bouwsels van palen en latjes, met de bal omver te gooien. Daarom moet het speelveld plat zijn: anders stuitert de bal amper op.

‘Het is niet moeilijk’, zegt Smith over zijn nevenfunctie als terreinknecht. ‘Behalve het recht achteruit rijden.’ Andere clubleden verven de lijnen op de plekken waar de slagmensen gaan staan en een vrouw zet borden langs het veld met de mededeling ‘Pas op! Cricket aan de gang. Auto’s parkeren op eigen risico’, een vereiste van de verzekeraar. In het houten paviljoen worden alvast verse pakken melk neergezet. Voor de thee.

Southborough Common. Wanneer de klok van St. Peter halftwee aangeeft, begint de wedstrijd. Beeld Carlotta Cardana
Southborough Common. Wanneer de klok van St. Peter halftwee aangeeft, begint de wedstrijd.Beeld Carlotta Cardana

Harde ballen

Uniek aan Southborough Cricket Club is dat er twee eiken op het veld staan. ‘Wanneer je de voorste boom raakt, krijg je automatisch vier runs’, zegt Smith. ‘Wanneer je de andere boom raakt, die op de rand van het veld staat, krijg je er zes.’ De meeste cricketvelden blijken een gebruiksaanwijzing te hebben. Bij Bearstead staan huizen langs het veld. ‘Daar krijg je vier runs als de bal op het dak komt, terwijl het er eigenlijk zes zouden moeten zijn, maar ze willen zulke slagen ontmoedigen. Het zijn harde ballen. Ruiten hebben geen schijn van kans.’

Wat de ballen zo hard maakt, laat clubcoryfee Peter Young zien. De 68-jarige accountant heeft een doos bij zich met materialen waarmee een cricketbal wordt gemaakt. Waar de spullen vandaan komen, weet Young niet, maar vermoedelijk uit een van de cricketbalfabrieken waar Southborough om bekendstond. Hij pakt een brok kurk uit de doos. ‘Dat zit in de bal, en daaromheen zit leer. Met dit mesje wordt de naad gemaakt, die je als werper lekker los kunt plukken om de bal meer effect te geven. Dat gebeurt stiekem, want het mag niet.’

Young zit op het bankje waarop een zilverkleurig bordje is aangebracht ter nagedachtenis aan zijn vader Colin, die in 2006 is overleden. ‘MBE’ staat er achter zijn naam, Member of the Order of the British Empire. ‘Dat was vanwege zijn verdiensten voor het cricket’, zegt zijn zoon. De passie is erfelijk. Peter heeft vijftig jaar lang in het eerste team gespeeld, als slagman en spinwerper, alvorens alle mogelijke bestuursfuncties te vervullen. Met de bal in zijn hand toont hij hoe de verschillende draaiballen worden gespeeld. De leg spin, de off spin, de googly, de doosra. ‘Wil je een balletje slaan?’

Het grote voordeel van cricket is dat Engelsen twee geliefde gespreksonderwerpen met elkaar kunnen combineren: sport en het weer. Geen sport is zo afhankelijk van de weersomstandigheden. Voorzitter Smith kijkt in westelijke richting. ‘Daar kan vandaag ellende vandaan komen. Plensbuien.’ Young wijst erop dat het veld nu al aan de vochtige kant is. ‘Het veld is daardoor langzamer en de slagman heeft meer tijd voor een schot. Dan zet je meer veldspelers op vangposities. Als het veld droog en snel is, zet je meer mensen achter de slagman, om half geraakte ballen te stoppen.’

Tijd voor een praatje

Wanneer de klok van St. Peter half 2 aangeeft, begint de wedstrijd, onder meer bekeken door zaterdagfietsers die hier bijkomen van beklimmingen. Vanwege vakantie en de ‘pingdemie’, de coronamelder die ervoor zorgt dat veel mensen uit voorzorg in quarantaine gaan, komt de thuisploeg spelers tekort, waardoor er vijf spelers van onder de 15 meespelen. Trotse ouders kijken toe. ‘Bij welke andere sport zie je dat een 14-jarige samenspeelt met een 60-plusser?’, zegt Chris Holder, wiens zoon George twee ballen zal vangen. ‘De jongens hebben tijdens de pandemie veel te lang thuis gezeten. En waarvoor? Het virus? Het enige wat ze op het veld kunnen oppikken is een cricketbal.’

De ouders praten over afgelaste vakantieplannen, de Brexit (‘Jullie denken zeker dat we gek zijn?’) en de wedstrijd die de Engelse rugbyers later op dag spelen tegen Zuid-Afrika. Tussen de overs, spelrondes, door komen hun jongens stukjes kip en sushi pikken uit de picknickmanden. ‘Dat is het mooie van cricket’, zegt Holder. ‘Het is niet alleen elegant, je hebt volop tijd om een praatje aan te knopen, ook als je in het veld staat.’ Collega-vader Patrick Barrow wijst op de ansichtkaart-achtige schoonheid. ‘Wanneer ik hier zit, zie ik Engeland. En dat geldt ook voor uitwedstrijden. Of je nu in Penshurst bent of in West Peckham.’

Kort voor theetijd gebeurt het onvermijdelijke: rain stops play. En de regen houdt aan. De wedstrijd eindigt onbeslist en spelers maken zich op voor de ‘Derde Inning’: een bezoek aan de kroeg. Dat is The Imperial, honderd meter heuvelafwaarts, en niet de oude Hand and the Sceptre. ‘De kroeg is deel van een grote keten en het personeel heeft weinig meer met cricket’, zegt oudgediende Young. ‘Weet je wat typerend is? Vroeger gaf de kastelein 10 pond als de bal door de ruit ging, als beloning voor een goede klap. Nu sturen ze een rekening van 200 pond.’

Meer over