Op de valreep toch maar een knipoog

Hoe weerspiegelt het werk van filmmakers de samenleving, is het jubileumthema van het Nederlands Film Festival. Vaak met humor, en vaker nog met een behoorlijke vertraging....

Tirza mag met iedereen verkering. Of met bijna iedereen. ‘Neger, junk. Vietnamees kan er ook nog wel bij’, zegt haar vader, met een royaal gebaar getuigend van zijn onvrede over haar daadwerkelijke keuze: ‘Maar géén terrorist!’

Een dochter die met een Marokkaan thuiskomt als de nachtmerrie van de blanke Hollandse elite. Jörgen Hofmeester, uitgerangeerd als echtgenoot en als medewerker van een uitgeverij, als vader zelfs, tracht voor de buitenwereld krampachtig zijn status als geslaagd-en-gecultiveerd-man-op-leeftijd hoog te houden. Hij leeft nog slechts in dienst van zijn kroost. Voorbestemd om het hoogste te bereiken, dat waren ze, zijn dochters. Van kinds af gekneed met Dostojevski en Spinoza, gevormd op de juiste scholen, uitblinkend op hun muziekinstrumenten. En nu runt de oudste – Bibi – een luizig pensionnetje in Frankrijk; ‘Met haar stel hersens!’, en komt de anorectische Tirza, zijn oogappel, thuis aanzetten met ene Choukri, een moslim. Woon je tussen de dokters en notarissen in het meest chique deel van Den Haag, krijg je dit.

‘Hij lijkt op Mohammed Atta’, constateert Hofmeester een keer of wat, in ieders bijzijn. ‘Mohammed Atta is dood’, riposteert Choukri, die zo op het eerste gezicht een keurige jongen lijkt, en niks wegheeft van de terroristenleider die het World Trade Center binnenvloog.

Tirza, de openingsfilm van het Nederlandse Film Festival, is gebaseerd op de gelijknamige roman van Arnon Grunberg uit 2006, die eerder al met succes voor het toneel werd bewerkt. Regisseur Rudolf van den Berg (Zoeken naar Eileen, De Avonden) noemt het verhaal in de promotiemap van de filmmaatschappij ‘een tijdsbeeld’. ‘Jörgen voelt zich bedreigd door de wereld van vandaag. Dat is herkenbaar. Wat ik vooral interessant vind, is dat het terrorisme erin slaagt elk gezin binnen te glippen. Statistisch is de kans dat je hier slachtoffer wordt van een terreuractie klein, maar de angst slaat toch bij iedereen naar binnen.’ De achterdocht van zijn hoofdpersonage staat voor ‘de angst voor het vreemde, voor donkere mannen in spelonken in Afghanistan, die het gemunt hebben op ons welzijn en onze dochters.’

De bange blanke man – sociologen ontwaren hem al enige tijd, politici spelen op zijn angsten in, maar als Nederlandse filmheld was hij nog onbenut. Zo bezien past Tirza naadloos in het overkoepelende jubileumthema van de 30ste festivaleditie: film als spiegel van Holland, dat als een rode draad door de programmering loopt. De kernvraag: hoe, en in welke mate, weerspiegelt het werk van Nederlandse speelfilmmakers de samenleving?

Tijdens verschillende themamiddagen zullen professionals uit de filmwereld en enkele gastsprekers zich hierover uitspreken. Bert Haanstra’s Fanfare geldt dan doorgaans als het vertrekpunt: het amusant gezapige portret van het fictieve dorpje Lagerwiede en de tweespalt binnen het plaatselijke muziekkorps. 2,6 miljoen Nederlanders herkenden zich destijds in de zacht komische kijk op de volksaard.

Fons Rademakers, die andere pionier van de Nederlandse film, vond Fanfare maar saai. Hij verbeeldde amper twee jaar later in Makkers staakt uw wild geraas een heel ander Nederland. Nog wel burgerlijk en druk met de Sinterklaasavond, maar ook worstelend met echtscheidingsperikelen en bevolkt door de eerste nozems. ‘Een document humain’, noemde Jan Blokker het, die het scenario schreef (net als dat van Fanfare trouwens). En, gaf hij 45 jaar later toe in de interviewbundel De pioniers, als hij zijn kleinkind moest tonen hoe het land er destijds werkelijk bij lag, ‘dan zou ik hem niet meenemen naar een documentaire van Bert Haanstra’.

Boekverfilmingen
In het huidige filmland Nederland, dat gedomineerd lijkt door boekverfilmingen, arriveren maatschappelijke veranderingen vaak pas met enige vertraging op het witte doek. Ook na Paul Verhoevens Zwartboek blijven de filmmakers zich verdringen om een bijdrage te leveren aan het schijnbaar volledig met Nederland vergroeide Tweede Wereldoorlog-genre. Zowel Ben Sombogaart als Paul Ruven kondigde onlangs aan de strijd om het Rotterdam van mei 1940 te willen verfilmen. Tegelijkertijd is er geen regisseur van naam die bij het Filmfonds eens een idee indient over zoiets contemporains als de opbouwmissie in Afghanistan – toch een geschikte achtergrond voor aangrijpend drama, zou je zeggen.

De twee publieksfilms die elkaar vermoedelijk zullen beconcurreren bij de aanstaande Gouden Kalveren-uitreiking (welke Carice wint haar vierde Kalf?) en waarvoor de Nederlander dit filmseizoen massaal naar de bioscoop trok, lopen alweer een tijdsgewricht achter op de maatschappelijke ontwikkelingen. De verfilmde romans De Gelukkige Huisvrouw (Heleen van Royen, 2000) en Komt een vrouw bij de dokter (Kluun, 2003) waren geworteld in de onbekommerd hedonistische jaren negentig. Vóór het moslimterrorisme, vóór de mondiale crisis. ‘We genoten tegen de klippen op’ zegt reclamemaker Stijn in Reinout Oerlemans’ Kluun-verfilming. Vakanties op de Sechellen, bakken geld verdienen met lucht en nachtenlang decadent uitgaan – het is een soortgelijke wereld als die van de tussen villa en golfbaan pendelende Lea in Antoinette Beumers bewerking van De Gelukkige Huisvrouw (2010). Zowel in boek als film werd het persoonlijk leed dat de personages treft (kanker, psychose) handig afgezet tegen het materieel bezit. Mensen die álles hebben en dan toch nog ziek worden – dat was pas echt erg.

Wie het Nederlandse bioscoopaanbod van het afgelopen jaar beschouwt, moet hard zoeken naar een film die enkel nu had kunnen worden gemaakt, en niet al vijf of tien jaar geleden. De tot bioscoopfilm gepromoveerde Telefilm Win/Win van Jaap van Heusden, over de opkomst en ondergang van een jonge daytrader aan de Amsterdamse Zuidas, is een gunstige uitzondering, en reist momenteel langs de kleinere internationale festivals. Ook Paul Ruvens Gangsterboys is – wat je er ook van mag vinden – in elk geval eigentijds. In de komedie van Paul Ruven hunkeren twee Turks-Nederlandse rappers (onder wie Ali B’s neefje Yes-R) naar geld en respect, kernwaarden die ze zich denken te verschaffen middels een carrière in de misdaad. Vol grappen over geweld, homofobie, afkomst en straatcultuur, moest dit precies zijn wat de hedendaagse jongere wil zien, redeneerde Ruven, die zijn doelgroep vooraf op een staafdiagram uittekende en zijn gelijk haalde: binnen een maand was de 100 duizendste bezoeker al geteld.

Met films als Gangsterboys, ’n Beetje verliefd (Martin Koolhoven, 2006) en Alibi (Johan Nijenhuis, 2008) groeit de multiculturele komedie in Nederland gestaag uit tot een volwaardig minigenre, waarbij Shouf Shouf Habibi! (Albert ter Heerdt, 2004) en Het Schnitzelparadijs (Martin Koolhoven, 2005) de weg baanden. Tegelijk is een terugkerend verwijt aan de Nederlandse speelfilmregisseurs dat die er maar niet in slagen de in grappen gehulde pijnpunten uit de komedies in een meer dramatische structuur te laten werken. Pogingen zat, maar niks dat ook maar in de buurt komt van een Hollands antwoord op filmische mokerslagen als het Franse gettodrama La Haine (Mathieu Kassovitz,1995), de etnische hiërarchische gedetineerden in Un Prophète (Jacques Audiard, 2009), of het Duitse Gegen die Wand (Fatih Akin, 2004), waarin familiedruk een jonge Turkse vrouw verplettert.

Pieter Kuijpers, die de op ware feiten gestoelde film in Nederland in 2003 nieuw leven inblies met Van God los, over de Bende van Venlo, houdt het vooralsnog bij autochtoon drama, zoals de breedbeeld-gijzelnemer in de Philipstoren (Off Screen) en de magnetron-diamantdief (Dennis P.). Albert ter Heerdt deed wellicht de meest dappere poging, toen hij kort na de moord op Theo van Gogh besloot dat een al gepland vervolg op zijn Shouf Shouf Habibi! geen recht zou doen aan de gespannen actuele situatie. Maar het slecht bezochte Kicks (2007), een goedbedoelde mozaïekfilm over racisme en integratie, gecentreerd rond een aanhouding waarbij een blanke agent een Marokkaan doodschiet, was iets te kluchtig en te stichtelijk om te kunnen overtuigen als drama – alsof de maker zijn intentie niet durfde door te zetten, en zich op de valreep maar weer op humor beriep.

Van Gogh
Films oogsten vaak verontwaardiging en woede wanneer ze iets openbreken en aanzwengelen, en tonen wat (nog) niet zichtbaar was, of hoogstens werd vermoed. Wie op zoek gaat naar de laatste Nederlandse schandaalfilm, moet flink speuren, alsof met Theo van Gogh ook maar meteen afscheid is genomen van het genre. Van Gogh, die zich in zijn laatste jaren als regisseur op de actualiteit stortte (onder meer met de faction-thriller over Pim Fortuyn 06/05), wentelde zich in die rol als beroepsstoker, en koesterde zijn vijanden.

Paul Verhoeven, die andere opruier, met jongerenfilms als Wat zien ik? en het motorcross-, patat- en potenram-drama Spetters, leed veel meer onder de voortdurende kritiek. Uitgekotst werd hij, door recensenten en opiniemakers die zijn motieven wantrouwden: als de personages in Verhoevens films fascistoïde en homofoob waren, dan moest hij het zelf ook wel zijn. Kort geleden is dat nog maar, en al bijna niet meer voorstelbaar gezien zijn huidige status als knuffelopa (‘nietwaar?’) van de vaderlandse cinema.

Het zal moeilijk zijn voor filmers om ooit nog zoveel los te maken als Verhoeven, en in een talkshow toegegild te worden door de Sonja van dienst – iets waaronder de bezoekcijfers vanzelfsprekend niet lijden.

Opmerkelijk genoeg kwam Reinout Oerlemans in het afgelopen filmjaar nog het dichtst bij een mini-rel. Zijn gelikte vreemdgangers-apologie Komt een vrouw bij de dokter stootte in elk geval nog wat kijkers voor het hoofd, en ontlokte een debat(je) over moraal.

Soms zit het de filmer die wil prikkelen ook gewoon niet mee. Eddy Terstall, in 2004 nog triomfator (vier Gouden Kalveren) en tijdgeestvanger met Simon, de vriendelijke hufter, belandde met zijn volgende film in een vacuüm. Terwijl het scenario van zijn post-Fortuynistische politieke satire (met de nieuwrechtse partij Hup Holland Hup) stof lag te vergaren in afwachting van financiering, braken Rita en Geert al uit de VVD. Toen Vox populi in 2008 eindelijk in première ging, bleven de bioscopen opvallend leeg (16 duizend bezoekers). De dagelijkse politiek lag met Trots op Nederland en de Partij Voor de Vrijheid alweer drie stappen voor op de satire. De filmspiegel kon het niet bijhouden.

Meer over