Op de drempel van genetische doping

Volgens Wilhelm Schänzer, directeur van het dopinglab in Keulen, kan de dopinglijst niet lang genoeg zijn. 'Ook creatine hoort er op te staan, het bevordert de prestatie immers.' Sprays tegen inspanningsastma?...

OP WEG naar het beroemdste dopinglaboratorium van Europa, gelegen op het terrein van de Deutsche Sporthochschule aan de rand van Keulen, passeren we Bistro Doping. Een grap? Het hoofd van het laboratorium prof. dr. Wilhelm Schänzer haalt vijf minuten later de schouders op. 'Het is een studentenkroeg.'

Schänzers laboratorium zetelt op de zevende verdieping van een betonnen kolos van het onderwijscomplex. De entree van het biochemisch laboratorium, waar zo'n dertig mensen werken, is onooglijk. Gasten, ook sporters die komen voor een contra-expertise, moeten wachten in de grijze hal bij de lift.

In de nauwe gang van het instituut, waar jaarlijks tienduizend urinestalen worden geanalyseerd, en waar menig reputatie is gesneuveld, hangt een foto van de in 1995 overleden Manfred Donike. De dopingpaus die de instelling in Keulen tot het bekendste - en beruchtste - dopinglab van de wereld maakte.

Schänzers werkkamer kijkt uit op het stadion van 1. FC Köln, de voetbalclub waar Toni Schumacher jaren geleden een boekje (Anpfiff) opendeed over het gebruik van stimulantia in de voetballerij. De onthullingen werden de keeper in de Bundesliga niet in dank afgenomen.

Het gesprek gaat over de doorbraken bij het genetisch onderzoek en de gevolgen daarvan voor de topsport. 'Eine Horror-Vision', verzucht Schänzer. 'Als sporters menen dat gentherapie voordelen oplevert, dan zullen ze het ook gebruiken.'

Dat punt lijkt ver weg, relativeert Schänzer. Er zijn in principe twee mogelijkheden voor het gebruik van genen. Hij noemt de studie van Deense onderzoekers waarin gewag wordt gemaakt van genen die de spiergroei sterk beïnvloeden.

Schänzer legt uit dat er twee types sporters zijn: sprinters en duursporters. De laatsten komen pas na enige minuten op gang, zijn minder explosief, maar ze kunnen de inspanning lang volhouden. Ze hebben langzame vezels. Sprinters daarentegen hebben spiervezels die snel samentrekken en in korte tijd een enorme kracht kunnen leveren.

Mensen hebben gemiddeld evenveel snelle als langzame vezels. Maar de verschillen per individu zijn groot. Deense onderzoekers hebben personen gevonden met slechts 19 procent langzame vezels, maar ook met 95 procent. Uit de laatste categorie komen goede marathonlopers voort.

Schänzer weet dat er genen zijn ontdekt die eiwitten aanmaken die langzame of snelle vezels produceren. 'Zo'n gen kan worden ingespoten in de spier. Op die manier zou je het sprintvermogen kunnen vergroten. Bij proefdieren is daarmee al geëxperimenteerd. Bij mensen kan dat nog niet. Maar wel wordt er driftig over gespeculeerd. Het is alleen niet bekend hoe het zenuwstelsel en de botten op extreme spieraanwas zullen reageren.

Meer zorgen maakt de dopingexpert zich over het inbrengen van genen die extra lichaamseigen stoffen aanmaken, stoffen die ook op de dopinglijst staan. Voorbeelden zijn nandrolon, testosteron of EPO. 'Bij dieren is het op deze manier gelukt de aanmaak van EPO te stimuleren.'

Schänzer voorziet dat het opsporen van deze twee soorten gendoping problemen zal veroorzaken. Als de genen worden ingespoten in de spieren is controle slechts mogelijk door een biopsie van de spier.

Het opsporen van genetische doping waarbij lichaamseigen stimulerende stoffen worden gemaakt, is minder lastig. De sportbonden hebben immers al grenswaarden van EPO en testosteron vastgesteld. Bij uitkomsten die deze waarden overtreffen wordt aangenomen dat de sporter heeft geknoeid. Eenduidigheid is er echter niet. Wielrenners mogen, bij onderzoek naar EPO, een hematocrietwaarde hebben van 50 procent, schaatsers van 54. Voor langlaufers gelden weer andere waarden.

Schänzer kent één oplossing: 'We moeten uiteindelijk naar een persoonlijk profiel toe van elke sporter. Vroeg in de carrière van de sporter moeten de lichaamseigen waarden van stimulerende stoffen in bloed en urine worden bepaald.' Bij elke controle wordt vervolgens gekeken of de gevonden waarden van stimulerende stoffen in bloed en urine binnen het persoonlijk profiel vallen.

Op het instituut in Keulen wordt een proef gedaan met topzwemmers van wie de gemiddelde lichaamseigen waarden van EPO en testosteron zijn vastgesteld. 'Het ziet er bruikbaar uit. Het blijkt wel dat er door het seizoen en per sporter duidelijke verschillen zijn.'

S

CHÄNZER WAS een van de hoofdrolspelers in de geruchtmakende zaak rond hardloper Dieter Baumann (goud bij de Olympische Spelen in 1992 op de 5000 meter). Baumann, die altijd had gepronkt met zijn afkeer van doping, werd in 1999 betrapt op het gebruik van nandrolon.

Het werd een bizarre affaire omdat Baumann beweerde dat hij de nandrolon via door derden opzettelijk vervuilde tandpasta zou hebben geslikt. Schänzer, wiens medewerkers Baumanns huis onderste boven haalden op zoek naar de mogelijke oorzaak, houdt zich op de vlakte. 'Justitie heeft vastgesteld dat er met de tubes was gemanipuleerd. Maar er is vervolgens nooit vastgesteld wie de dader was.'

Sommige actuele nandrolongevallen zijn terug te voeren op verontreinigde voedingspreparaten. 'Een ramp', verzucht Schänzer. 'Vaak worden op een machine meerdere middelen gemaakt. Zo sluipt de vervuiling er in. Er zijn voldoende voorbeelden bekend van preparaten waarin sporen van nandrolon zaten.'

Voor de sporters is het extra vervelend dat de meetmethodes zo zijn verfijnd dat een minutieuze hoeveelheid kan worden opgespoord. De nandrolonnorm is nu vastgesteld op twee nanogram (een miljoenste milligram). Daarboven heeft de sporter, volgens de huidige IOC-richtlijn, geslikt, bewust dan wel onbewust.

Onduidelijk is echter nog, aldus de wetenschapper, of het lichaam niet zelf ook nog meer nandrolon kan aanmaken. In het verleden noemde hij al een mogelijke grenswaarde van tien. Schänzers lab kreeg van het IOC onlangs een subsidie van 75 duizend dollar voor vervolgonderzoek.

Ondanks alle problemen wil Schänzer, zelf ooit een matig tienkamper, doping niet vrijgeven. 'Het uitgangspunt moet zijn dat je presteert met het lichaam dat je van nature hebt. Als je doping vrijgeeft, gaat de strijd tussen de mensen die de beste middelen hebben. Het massale gebruik zal bovendien enorme gezondheidsproblemen tot gevolg hebben.'

Hij ziet zelf de tweeslachtigheid van deze principiële houding in. Zo mogen astmatische sporters wel middelen gebruiken die de luchtwegen verruimen. Dankzij sprays kunnen ze op topniveau presteren. Ook kan een sporter zich ongestraft tegen pijn laten injecteren.

'Dat zijn duidelijk grensgevallen', meent Schänzer. 'Je kunt zeggen dat de sporters met astma niet de optimale aanleg hebben voor topsport en dan zou het einde verhaal moeten zijn. Dat zou ook bij pijn en blessures het geval moeten zijn. Jammer dan, maar géén injecties.' Hij vindt het ook dubieus dat wielrenners na zware inspanningen aan het infuus gaan. 'Het is onnatuurlijk.'

De dopingspeurder zou meer middelen op de dopinglijst willen zetten. Dat ging vroeger, in de tijd van Donike, makkelijker dan nu. 'Donike wist met zijn gezag snel middelen op de lijst te krijgen, ook als de werking nog niet helemaal bewezen was. Hij zat hoog in het IOC. Dat scheelde. Nu duurt het wat langer. Eerst moet het wetenschappelijk onderbouwd zijn voor ik een voorstel doe.'

Zelf maakt hij zich druk over creatine, het populaire voedingssupplement dat duizenden (top)sporters slikken, een poeder dat mythische eigenschappen wordt toegedicht. Een ogenschijnlijk onschuldige stof, al waarschuwen Franse onderzoekers voor mogelijk kankerverwekkende eigenschappen.

'Creatine moet onmiddellijk op de dopinglijst', vindt Schänzer. 'Sporters slikken twintig tot dertig gram creatine per dag, veel meer dan het lichaam zelf aanmaakt. Er zijn voldoende aanwijzingen dat het een positieve invloed heeft op de prestatie. Dus is het doping en moet het worden verboden.'

Meer over