Oosterbeek niet meer

De kaart wordt steeds blinder: bijna helemaal wit met naamloze rode punten erop. De plaatsen hebben hun betekenis verloren. Meestal hing die betekenis aan één persoon, die er heel lang woonde - Nederlanders zijn weinig mobiel....

Tussen Den Bosch en Tilburg ligt Berkel Enschot. De trein raast er voorbij. Mijn gedachten stokten er altijd even - ik kende er enkele heel bijzondere mensen, die hun hele leven doorbrachten met zwijgen en bidden. Ik zocht de horizon af naar twee torens. Daar wist ik ze. De grote stilte is voor hen allang begonnen, ik zit achteloos in de trein en wacht op de aankondiging van Tilburg. De torens kan ik trouwens nooit meer vinden.

Nu staat Oosterbeek weer op de blinde kaart. Vlak voor Arnhem, als de wereld donker wordt van de bomen, ligt het plaatsje. Ik geloof dat ik er nog nooit ben geweest. Als ik in de trein de plaatsnaam las, dacht ik even aan iemand die daar al heel lang woonde. 'Oosterbeek' hield hem in mijn gedachten. Ik zag hem daar tussen die bomen staan, een reus van een man, een geweldenaar, voor wie een rotsblok opzij gaat. Ik heb hem in de jaren zestig gekend. Hij werkte mee aan het dagblad De Tijd. Hij schreef er over beeldende kunst, in een barokke stijl. In die stijl leefde hij ook. Druk kwam hij binnen, met grote woorden en grote gebaren en heel warme schouderslagen van vriendschap. Hij had enkele mensen die hij hoog bewonderde; daar was die geleerde uit Lent ook bij. Ik werd altijd opgewekt als ik hem ontmoette. Soms werd zijn barokke aard ijzeren strengheid: hij kon mensen om hun werk ter verantwoording roepen. Hij bleek ineens een heel hoge normenladder te bezitten. Wanneer de drank teruggevloeid was naar zijn oorsprong, werd hij weer mild.

Van journalist werd hij beeldhouwer. Ik zag hem met grote gebaren staan hakken. Boetseren leek mij niets voor hem. Hij trok zich terug in die halfschemer van Oosterbeek. In het begin belde hij mij nog wel eens, voor een gesprek dat zo diep ging dat we ten slotte de verbinding met elkaar verloren. Naarmate hij diepzinniger werd, werd hij mij dierbaarder. Hij vertederde mij ook.

Toen werd het stil. Ik las een enkele keer over de onthulling van een beeld van hem of over een tentoonstelling. Of hij een groot beeldhouwer was geworden, weet ik niet. Ten slotte werd hij de plaatsnaam Oosterbeek. En aangezien ik vaak naar Nijmegen moest, dacht ik heel veel aan hem. Dat hoeft nu niet meer. Hij is dood, las ik. Hij is oud geworden. Hij stierf gewoon in een ziekenhuis. Dat viel mij tegen. Ik had de reus graag zien omvallen tussen al die hoge bomen van Oosterbeek. O ja, hij had een van de aardigste vrouwen die ik heb gekend. Ik heb haar maar een keer kort onmoet. Meer is bij sommige mensen niet nodig. Zij bleek al eerder te zijn gestorven.

Hij wordt begraven in de buurt van Utrecht, de stad waaraan hij een soort artistiek katholicisme dankte, met gaten even groot als dat van het weggewaaide schip van de Dom. Hij zal eindelijk nu rustig moeten zijn, Marius van Beek.

Meer over