Oost-Europa wil vooral onze expertise lenen

Oost-Europa anno 1997 is weliswaar geen West-Europa anno 1947, toch kan bij een eventuele hulpoperatie lering worden getrokken uit de Marshall-hulp, meent Bas van Tongeren....

EIGENBELANG was de voornaamste drijfveer achter de Marshall-hulp. De economische malaise die na de Tweede Wereldoorlog in Europa heerste, kon overgaan in politieke instabiliteit. Samen met de sociale instabiliteit maakte dit West-Europa vatbaar voor het communisme. De Verenigde Staten gaven het 'bedreigde continent' dus hulp om het niet als politieke en economische partner te verliezen.

De Amerikanen wisten dat een democratie alleen kon bestaan in een gezonde economie. Uiteindelijk slaagden de West-Europese landen er in hun economieën met Amerikaans geld te stabiliseren.

Het succes van de destijds aan West-Europa verleende hulp, is tot dusverre niet geëvenaard door de steun die de laatste jaren aan Oost-Europa is gegeven. Die had vooral een financieel karakter. Maar evenals de financiële hulp die de Amerikanen gedurende de eerste twee naoorlogse jaren aan West-Europa hebben gegeven, heeft die geen structurele verandering teweeg gebracht. Het Marshall-plan deed dat wel. De vraag rijst nu aan welke elementen deze steunoperatie haar succes te danken heeft gehad, en wat we daarvan kunnen leren bij de hulpverlening aan Oost-Europa waartoe premier Kok deze week heeft opgeroepen.

Om te beginnen is er een groot verschil tussen de situatie van 1947 in West-Europa, en de huidige toestand in het voormalige Oostblok. Eertijds hadden de VS een stevige vinger in de Europese pap, en konden ze voorwaarden verbinden aan de steunverlening. Daarvan is thans geen sprake. Het Westen kan geen regels opleggen aan de Oost-Europese landen en de landen van de voormalige Sovjet-Unie.

Dat brengt met zich mee dat de Oost-Europese landen zelf moeten aangeven aan welk soort bijstand zij behoefte hebben. Wij, de donateurs, moeten slechts de juiste vragen stellen en goed luisteren. De Oost-Europeanen zijn doorgaans goed opgeleid, en kunnen zelf uitvinden wat ze nodig hebben. Zij zien voor ons misschien een rol als coach weggelegd.

Inmiddels is duidelijk dat Oost-Europa op vijf terreinen hulp nodig heeft.

Allereerst wil het worden geholpen bij de ontwikkeling van een juridische bedding van de economie. Zij hebben wetten nodig die betrekking hebben op de internationale handel, wetten die vallen onder het ondernemingsrecht. Deze moeten niet alleen hun binnenlandse handel ten goede komen, maar ook die met het buitenland. Voor veel buitenlandse bedrijven is het (goeddeels) ontbreken van een heldere wetsstructuur een beletsel bij het nemen van investeringsbeslissingen.

Verder hebben landen die lange tijd voornamelijk staatsbedrijven kenden, begeleiding nodig bij het privatiseren hiervan. Wij kennen in het Westen al problemen met de overgang van het schaarse staatsbezit in particuliere handen. Voor de Oost-Europeanen echter, is dit een uitermate grote opgave.

Daarbij komt dat zij ook de mysteriën van de goederen- en aandelenmarkt nog moeten ontdekken. Ook hier biedt de ervaring van de markteconomieën een belangrijke informatiebron. Bij de toepassing van de verworven inzichten wil overigens wel eens iets misgaan. Zo staan op de goederenbeurs van Oekraïne en Siberië in Kharkiv, naast de suikerbieten en graan, enkele MIG-27's en onderzeeërs.

Ten derde is er behoefte aan begeleiding in de agrarische sector. Ruim 30 tot 40 procent van alle verbouwde vegetatie gaat verloren als gevolg van mismanagement. Men kent geen eigenaars op alle niveaus van de productketen, wat ertoe leidt dat in bepaalde stadia niemand zorg draagt voor de verkoopwaar. Zodoende rotten er jaarlijks miljoenen tonnen weg op de akkers, of wordt brood uiteindelijk aan de dieren gevoerd, terwijl in de bakkerswinkels geen overvloed heerst.

Tot nijpende broodtekorten hebben deze manco's overigens nog niet geleid, omdat de graanschuur van Europa - de Oekraïne - nog verre van leeg is. Met moderne landbouwmethoden moet de graanopbrengst in dit deel van Europa echter verveelvoudigd kunnen worden.

Een vierde terrein waarop hulp vanuit het Westen gewenst is - met name in de voormalige Sovjet-Unie - is dat van de defensie-industrie. Het defensiebudget van de betrokken landen ligt volgens schattingen in de buurt van 25 procent van het nationaal inkomen. Zij willen dit percentage terugbrengen tot tien. De Amerikanen, die een defensiebudget van 5 procent kennen, streven naar 4 procent. Als deze bescheiden reductie in de welvarende VS al tot grote werkgelegenheidsproblemen leidt, moet de taak die de armlastige republieken van de vroegere Sovjet-Unie zich hebben gesteld te zwaar zijn om alleen te dragen.

In deze landen zijn twaalf miljoen mensen werkzaam in de defensie-industrie. Ontslag van de meesten hunner zou explosieve sociale en economische gevolgen hebben. Het Westen kan de betrokken landen hiervoor behoeden door zijn hulp aan te bieden bij de overschakeling van de defensie-industrie op civiele producten, op herscholing van de werknemers of het zoeken van andere mogelijkheden om deze mensen aan het werk te houden.

Ten slotte kan het Westen Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie behulpzaam zijn bij training en begeleiding van ondernemers. Die willen graag zaken als marketing, internationaal handelsverkeer en kostprijsanalyse onder de knie krijgen. Dit zijn grote hiaten in hun doorgaans uitstekende academische opleidingen.

Aan dergelijke vaardigheden had West-Europa vijftig jaar geleden ook een grote behoefte. Toen werden er delegaties uit diverse bedrijfstakken door de VS uitgenodigd om aldaar hun kennis in de bedrijfsvoering uit te breiden. Deze uitstapjes hadden ten doel de productiviteit van de Europese economieën te verhogen, en zodoende de kosten in bepaalde sleutelgebieden van deze economieën te verlagen. Een dergelijke aanpak zou ook nu vruchten kunnen afwerpen.

Nu is er voor Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie een veel ingrijpender verandering nodig. Zij zijn ruim zeventig jaar afgesloten geweest van markteconomieën (hoewel de regimes in Hongarije, Joegoslavië en Polen de teugels op zeker moment wat lieten vieren) en moeten de vastgeroeste ideeën, die zij van een gecentraliseerde, militaire planeconomie hebben geërfd, overwinnen. Na generaties lang op productiequota te hebben gejaagd, moeten zij nu leren omgaan met begrippen als marketing, kwaliteits- en voorraadcontrole, arbeidsvoorwaarden, financiële en organisatorische structuur en kostenadministratie.

Tijdens studiereizen door West-Europa en de VS kunnen Oost-Europese managers zelf waarnemen hoe bedrijven in markteconomieën gedijen. Mensen uit alle lagen van bedrijven kunnen zodoende kennis vergaren die zij in de specifieke omstandigheden in het land van herkomst kunnen toepassen. Men wil immers geen voorgekookte uitkomsten uit de westerse wereld, maar een eigen systeem dat past bij de historische, culturele, sociale en economische achtergrond van het eigen land.

In het Westen zullen duizenden bedrijven in tal van industrieën ervan overtuigd moeten worden dat zij er alle belang bij hebben om hun (toekomstige) concurrenten een blik in de keuken te gunnen. En dat zal nog een hele opgave zijn, zoals ook bleek in de jaren veertig, toen Amerikaanse bedrijven aanvankelijk nogal zuinig reageerden op verzoeken van hun overheid om West-Europese managers te ontvangen.

Uiteindelijk raakten zij er echter van overtuigd dat landen die met hen konden concurreren ook potentiële afzetmarkten waren. En dat inzicht is ook onontbeerlijk voor een steunoperatie in het voormalige oostblok.

Aan de verstrekking van Marshall-hulp aan de West-Europese landen werd destijds de voorwaarde verbonden dat de ontvangers met elkaar zouden gaan samenwerken. Een dergelijke eis kan aan de landen van Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie echter niet worden gesteld. Daartoe is het Westen niet bevoegd. Een belangrijker beletsel bij samenwerking is echter dat veel betrokken landen tot voor kort op gespannen voet met elkaar verkeerden, en nu - zo kort na de Fluwelen en aanverwante revoluties - hun verschillen eerder willen benadrukken dan uitvlakken.

Zodra de ontvangende landen echter weer economisch floreren, en de welvaart er toeneemt, zullen de verlokkingen van een intensieve samenwerking worden onderkend.

Ook hier zal zich Maslov's hiërarchie van de menselijke behoeften zich gaan manifesteren. Deze stelt dat eerst de primaire behoeften van de mens moeten worden vervuld voordat hij naar het vervullen hogere behoeften zal zoeken. Deze verdeling loopt van het voorzien in voedsel, onderdak en kleding tot het verkrijgen van status en het zoeken naar een eigenwaarde.

In de economische situatie zal men allereerst een gevorderde welvaart in het eigen land willen hebben om over te gaan tot samenwerking en uiteindelijk economische integratie. De Oost-Europese landen en de voormalige Sovjet-Unie staan duidelijk aan het begin van deze verdeling. West-Europa verkeert in het laatste stadium.

Van samenwerking tussen de verschillende Oost-Europese landen kan dus pas sprake zijn als de economie zich redelijkerwijze heeft gestabiliseerd, en de welvaart een hoger niveau bereikt heeft. Samenwerking tussen deze landen is echter wenselijk daar zij als versnipperde economieën niet kunnen concurreren met handelsblokken als Noord-Amerika en Europa.

Voorwaarde is overigens wel dat de grote handelsblokken niet louter intern of met elkaar zaken doen. Dat immers, zou de kansen van de kleine economieën aan gene zijde van het voormalige IJzeren Gordijn weer schaden. De hulp die door de grote handelsblokken aan de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa gegeven wordt, blijkt door hun sterke onderlinge handel te worden tegengewerkt. Er moet dus getracht worden de landen in een samenwerkingsverband te laten opereren, wil de hulp waartoe premier Kok heeft opgeroepen niet voor niets zijn.

Bas van Tongeren studeert bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van zijn winnende bijdrage aan de essaywedstrijd die de stichting 'Viering 50 jaar Marshall-plan' heeft uitgeschreven.

Meer over