Oorlogsfictie van vóór de verkitsching

Een hausse aan verse oorlogsboeken staat ons te wachten. Arjan Peters las oorlogsfictie van vóór de verkitsching.

null Beeld Hilde Harshagen
Beeld Hilde Harshagen

Als er tijd is om de oorlog te herdenken, wil dat zeggen dat er vrede is. Wat niet wegneemt dat het vooruitzicht van de berg verse oorlogsboeken die op ons toe rolt in de aanloop naar 4 mei traditioneel wanhopig stemt. De Tweede Wereldoorlog-fictie is het ergst, vanwege de titels die onvervalste kitsch beloven, van het type De drummer van Dachau, De mondharpist van Mauthausen en De trekzakspeler van Treblinka. Want je moest dóór, als schlemielige artiest, ook in het kamp.

Het is april, de hausse kan beginnen. Nog maar heel even respijt. 'Waar ik vandaan kom heerste vrede', schreef de grote Joseph Roth in 1929, toen hij begon aan een roman over zijn jeugd in de stad Brody, die thans in Oekraïne ligt. Het was er toen veilig, schrijft ook Els Snick, die het romanfragment Aardbeien heeft vertaald en ingeleid (Het Huis met de Drie Gedichten; euro 15,-), vandaar dat Roth zich overgeeft aan beschrijvingen als van een herfst van 'vloeibaar goud en vloeibaar zilver, wind, groepen raven en licht vriesweer'.

De winters waren wel hard, als door de sneeuw de hemel onzichtbaar bleef. En toch komt de oorlog de vredige heimat binnen, in de passage over jongens die willen ontkomen aan de militaire keuring en zich daarom de vingers lieten afhakken of de voeten verbrijzelen. Inleidster Snick voegt daaraan toe dat alleen joodse jongens dit deden. In het leger zouden die worden gedwongen te zondigen tegen joodse rituelen. Was het uit schaamte dat Roth dit verzweeg?

Vrij spel

Een dag later zit ik toch midden in de oorlog, maar het is de Eerste, waar misschien toch nog niet zó veel over geschreven is dat de verkitsching al vrij spel heeft. Mirjam de Veth vertaalde J'ai tué van Blaise Cendrars, Ik heb gedood, een prozagedicht van de Zwitser die zich in 1914 had gemeld bij het Franse Vreemdelingenlegioen (Vleugels; euro 19,50).

Cendrars vocht mee aan de Somme, verloor zijn rechterarm, waardoor hij uit het leger ontslagen werd, leerde schrijven met de linkerhand en schreef daarmee op 3 februari 1918 deze vervoerende woorden: 'Het ruikt naar hete paardenkont, naar motorfiets, naar fenol en anijs.' Loopgraven, magnesiumlicht, gekrijs en drek. 'En half verborgen, achter de bosjes, op een holle weg, liggen de lachwekkende doden, verstard als mummies, die hun eigen kleine Pompeji uitbeelden.'

De oorlog woedde nog toen Cendrars deze tekst in Nice vervaardigde, die op je af komt als een fluitende granaat.

Een eeuw later kun je de vuile oorlog nog voelen. Zulk lezen is herdenken.

Meer over