Oorlog is altijd smerig

In zijn sublieme roman Matterhorn doorbreekt Vietnam-veteraan Karl Marlantes het stilzwijgen dat de maatschappij verwacht van hen die het smerigste werk moeten opknappen: de gevechtssoldaten.

ARIE ELSHOUT

Zo keerde het lijf van de Amerikaanse marinier Karl Marlantes terug van de oorlog: het zat onder de littekens van de jungle rot; het had geleden onder dysenterie en diarree; het had soms maanden geen vers voedsel gehad; het had zoveel adrenaline rondgepompt dat het er verslaafd aan was geraakt; en het zat vol stukjes metaal.

'Dat lijf had geleden', schrijft Marlantes in zijn pas verschenen boek: What It Is Like To Go To War ('Hoe het is om oorlog te voeren'). De passage blijft na lezing hangen. Vooral dat beeld van een lichaam vol metaalresten, waaronder de schilfers van de handgranaat die in zijn ogen achterbleven nadat er een bij zijn gezicht was ontploft. Gevoelsmatig lijkt het de essentie te bevatten van wat een gevechtssoldaat is: een werktuig in handen van generaals en politici. Hij doet het hakwerk en vangt zelf de spaanders op. Een ideaal wapen. Alleen is hij niet van steen, ook niet van ijzer, hij is van vlees en bloed.

Wat oorlog met een mens doet, wordt beschreven door Marlantes. Niet alleen in zijn net verschenen non-fictieboek, maar ook in de roman Matterhorn, die vorig jaar een bestseller was in Amerika en nu in het Nederlands is vertaald. De boeken gaan over de oorlog in Vietnam, waar hij diende als luitenant van het korps mariniers. Dat is nu meer dan veertig jaar geleden. Maar aangezien Amerikaanse en niet te vergeten Nederlandse militairen sindsdien op tal van plekken, van Bosnië tot Afghanistan, zijn ingezet om te doen wat politiek en maatschappij wilden dat gedaan werd, blijven zijn ervaringen actueel. Al was het maar om van binnenuit beschreven te zien hoe onmenselijk zwaar de offers kunnen zijn die van militairen worden gevraagd, hoe niet-begrijpend diezelfde politiek en maatschappij daarmee omgaan en hoe moeilijk het is terug te keren in het burgerbestaan.

Normaal zwijgt de gevechtssoldaat bij terugkeer over wat hij aan verschrikkingen heeft beleefd tijdens zijn bezoek aan de Tempel van Mars, de god van de oorlog. Dat gold ook voor Marlantes. Hij had een vriend die hij al vijftien jaar kende, toen zijn vrouw op een avond thuiskwam en zei 'wist je dat Barry marinier was in Vietnam?'. Hij was stomverbaasd geweest. Hun kinderen waren met elkaar opgegroeid, maar nooit hadden de twee mannen met ook maar één woord gerept over hun verleden.

Dat zwijgen heeft Marlantes doorbroken. Dertig jaar deed hij, student van Yale en Oxford, erover om de juiste woorden en vorm te vinden voor het beschrijven van zijn belevenissen. Maar sinds Matterhorn vorig jaar verscheen, is hij een belangrijke stem geworden in Amerika. Zijn boeken hebben de vliegveldkiosken gehaald.

In zijn roman neemt Marlantes de lezer mee het oerwoud in, het slagveld op. Het is fictie, maar meteen was er al het vermoeden dat veel in het verhaal is gebaseerd op wat hij zelf heeft meegemaakt. Na het non-fictieboek weten we dat zeker. Matterhorn zuigt je mee in een 'werkelijkheid', die geromantiseerd is en ongetwijfeld vervormd door het altijd onbetrouwbare geheugen. Maar in de kern verbeeldt die 'werkelijkheid' waarschijnlijk meer dan welk historisch of journalistiek werk ook, hoe het is geweest. En dat is schrikken.

Allereerst omdat Matterhorn een heel zintuiglijk boek is. Je voelt hoe het is als door regen en modder je lijf geen droge plek meer kent, hoe het begint te schimmelen door de jungle rot, hoe bloedzuigers tegen je been omhoog kruipen, zelfs de plasbuis in. Je voelt de paniek als de handgranaat bij het gezicht ontploft is, het licht weg is uit de ogen en je vreest dat dit voorgoed is.

Voorts besef je voor welke onmogelijke keuzes twintigjarigen worden gesteld. Marlantes beschrijft in zijn tweede boek hoe een militair uit zijn eenheid een kameraad, wiens halve gezicht was weggeschoten, uit zijn lijden moest verlossen door zijn halsslagader door te snijden. Het is gruwelijk om te lezen, maar onder die extreme omstandigheden ook begrijpelijk. Oorlog heeft een heel eigen logica, wreed en waanzinnig. En opwindend.

Marlantes verhult in geen van zijn boeken dat hij soms bij een aanval op vijandelijke stellingen bijna gek werd van de adrenaline en iets voelde wat leek op extase. 'Hij had nooit een grotere angst gekend. Maar die schitterende en intense angst, dit verschrikkelijke hier en nu, tegelijk met het cruciale belang van elke beweging van zijn lichaam, duwde hem over een grens, die hij tot dit moment niet gekend had. Hij gaf zichzelf volledig over aan de god van de oorlog in hem', schrijft hij over luitenant Waino Mellas, de hoofdpersoon in Matterhorn.

Voor Marlantes is het een vorm van transcendentie door middel van geweld. Hij bekent dat hij vreugde beleefde aan vernietiging en citeert in zijn tweede boek Richard Ellmann, de biograaf van Yeats, die haar de keerzijde van creativiteit noemt. 'De drang tot vernietiging komt net als de drang tot scheppen neer op het tarten van grenzen.' Over de meeslepende kant van de oorlog is de schrijver heel eerlijk. Hij sprong uit vliegtuigen, klauterde tegen de steile rotswanden, scheurde rond in auto's, gebruikte drugs. Zo intensief heeft hij sindsdien niet meer geleefd. Hij vergelijkt 'combat' (vechten) met het gebruiken van crack, de gevaarlijkste drug. Je raakt er net zo opgewonden van, en de prijs die je ervoor betaalt is hetzelfde, zegt hij.

Na dertien maanden in het oerwoud te hebben gediend, kwam hij volkomen ontregeld thuis. Hij vluchtte in drugs, drank en seks, tot hij trouwde. Maar de onrust bleef. Zijn oudste dochter wees hem er meer dan eens op dat ze in acht jaar tijd op twaalf verschillende scholen had gezeten. Hij trok zich vaak in zichzelf terug, in de kelder van het huis.

De buitenwereld weet er niet goed raad mee. Als je zegt ergens trots op te zijn, ben je een opschepper. Als je spreekt over wat schrijnend en droevig is, ben je een jankerd. Als je praat over de wreedheden, ben je wreed, zegt Marlantes. 'De maatschappij wil gewoon dat wij over dit alles onze mond houden.' Zij vraagt haar gevechtssoldaten het smerigste werk te doen wat van een mens kan worden gevraagd. Maar daarna wil ze er zo min mogelijk op worden aangesproken, alsof ze zich voor die decivilisatie, zoals Sebastian Haffner dat noemde, schaamt.

Door zijn ervaringen te stileren heeft Marlantes een manier gevonden om die muur te doorbreken. Matterhorn moet niet gelezen worden voor de karakterontwikkeling. Ook niet voor de plot. Die is er niet. Wat er wel is, zijn de razende oorlogsgod en het meedogenloze oerwoud. Zij houden iedereen gevangen, ook de lezer. Als verhalenverteller brengt Marlantes effectief het gevoel over wat oorlog is. De gekte, de pijn, maar ook de vriendschap en de liefde. Het maakte dit oorlogsboek populair bij vrouwen in Amerika.

Hij heeft geen anti-oorlogsroman willen schrijven. Sommige oorlogen moeten worden gevoerd, zegt hij, al vindt hij dat Amerika als 'agressief en oorlogszuchtig land' daarin overdrijft. Maar als het niet anders kan, moeten politiek en maatschappij zich beter realiseren wat ze van soldaten vragen, ook in moreel opzicht. Die moeten niet alleen lichamelijk worden gedrild, maar ook geestelijk worden voorbereid. Dat is het punt dat hij maakt in What it is like to go to war.

In die poging tot reflectie merk je hoe emotioneel de oorlog ook veertig jaar later voor hem is, hoe het duistere oerwoud hem nooit meer zal verlaten. Nog steeds zijn de 'conflicting forces' voelbaar bij hem, de man met die vriendelijke, zachtmoedige ogen, die niettemin de vreselijkste dingen hebben gezien. Het is goed dat hij ons laat meekijken.

Karl Marlantes: Matterhorn.

Uit het Engels vertaald door Otto Biersma.

Meulenhoff; 576 pagina's; € 22,95.

ISBN 978 90 2908 729 2.

Karl Marlantes: What It Is Like To Go To War.

Atlantic Monthly Press; 256 pagina's; ca. € 25,-.

ISBN 978 0 8021 1992 6.

Marlantes wordt op 18 november om 12.15 uur geïnterviewd op het Crossing Border Festival in het Haags Historisch Museum.

undefined

Meer over