Oorlog Irak draait om meer dan olie

Het dreigende optreden tegen Irak zien velen als Amerikaanse oorlog om olie. Volgens Paul Aarts speelt dat mee, maar draait het om een regionale herstructurering, op weg naar een omvattender heersersrol: de Pax Americana....

Naarmate de oorlog nadert, zwelt ook het protest daartegen aan. Er zijn inderdaad nogal wat redenen om tegen een eenzijdig Amerikaans-Brits ingrijpen in Irak te zijn. 'Olie' scoort daarbij hoog. Het is goed ons af te vragen wat het gewicht van olie is in de ophanden zijnde oorlog. Een eenvoudig antwoord is er niet. De in demonstraties meegevoerde leus 'Geen bloed voor olie' dekt maar een deel van de werkelijkheid.

Het andere uiterste - verwoord door de Amerikaanse regering - dat het in eerste instantie gaat om Iraks massavernietigingswapens, om democratie en mensenrechten, is net zo eenzijdig en nauwelijks meer dan een goedkope verkooptruc.

Degenen die zich sterk maken voor de theorie dat het uitsluitend om olie gaat, verwijzen graag naar de verwevenheid van Washington en de olie-industrie. Daar is geen speld tussen te krijgen: de regering-Bush heeft een achtergrond met veel belangen in de olie- en gasindustrie, en in bredere zin in de energie-industrie (zoals via het inmiddels gecrashte Enron). Amerika's meest omstreden criticaster, Gore Vidal, spreekt ietwat overdreven van de 'oliejunta van Bush'. Marcel van Dam zong per column (Forum, 9 januari) ook mee in dat koor, net als menig vertegenwoordiger van links in de Kamer, Jan Marijnissen voorop.

Hoe verleidelijk ook de Amerikaanse buitenlandse politiek puur in termen van 'olie' te vatten, de werkelijkheid is gecompliceerder. Het is eenvoudig te constateren dat de familie-Bush tot over haar oren in de olie zit, iets anders is daaruit te concluderen dat haar buitenlandse beleid vanzelfsprekend ook door oliebelangen gestuurd worden.

De macht die de grote oliemaatschappijen in de jaren vijftig hadden, was vooral te danken aan de steun die zij kregen van de Amerikaanse regering. Die steun bleef alleen als zij zich voegden naar Amerikaanse buitenlandse politieke belangen.

Het is meer dan eens voorgekomen dat regeringen hun geopolitieke belangen doorzetten ten koste van de belangen van de olie-industrie (niet in de laatste plaats rond Irak, waar de olielobby geruime tijd gepleit heeft voor opheffing van de sancties).

In zijn bestseller Prize. The Epic Quest for Oil, Money and Power (1991) heeft Daniel Yergin overtuigend aangetoond dat de oliemaatschappijen al lang niet meer de dodelijke octopus zijn waar ze nog vaak voor worden gehouden.

Daar komt bij dat de grote oliemaatschappijen veel minder in de regering-Bush vertegenwoordigd zijn dan de kleinere, onafhankelijke oliebedrijven. Zeker voor 11 september 2001 liep de agenda van 'Big Oil' minder parallel met de Amerikaanse regering dan vaak verondersteld. De grote concerns waren namelijk langzaam bezig hun aandacht te verbreden naar gas en vonden voor die keuze maar weinig steun bij de Amerikaanse beleidsmakers. Het feit dat 'Big Oil' zijn zin niet kreeg inzake toegang tot Rusland en Iran - waar zich de bijna helft van 's werelds gasvoorraden bevindt - getuigt niet bepaald van de kracht van deze bedrijven. Niet dat de grote concerns hun kolossale, wereldwijde oliebelangen verwaarlozen. Verre van dat. Juist door 9/11, en de mede daardoor mogelijk geworden oorlog tegen Irak, komt het El Dorado van de Iraakse olievelden weer in zicht. Als Saddam van de troon is gestoten, kan de Iraakse olie royaler stromen dan tot nu mogelijk was. Bush en Cheney weten dat, maar het is - alweer - gevaarlijk alleen op grond daarvan te willen beweren dat 'olie' de hele agenda bepaalt in Washington. Hoe belangrijk is het dan wel?

De importbehoeften van de VS zullen de komende decennia alleen maar groeien. De VS is 's werelds grootste olieconsument. Voorzien olie-importen nu 'slechts' voor bijna de helft in de Amerikaanse olieconsumptie, in 2020 loopt dat op tot ruim 60 procent. De bulk daarvan zal afkomstig zijn uit een beperkt aantal landen in de Golf - die nu maar voor een kwart in de Amerikaanse olie-importen voorzien.

Al zoekt men actief naar andere leveranciers (Rusland, landen aan de Kaspische Zee, West-Afrika, Latijns Amerika), de verwachting is dat dit geen soelaas biedt voor de Amerikaanse dorst naar olie. De invoer uit het Midden-Oosten zal drastisch toenemen.

De situatie is des te nijpender na de aanslagen in New York en Washington, waardoor de Amerikaans-Saudische betrekkingen een flinke tik kregen. Saudi-Arabië blijft met een kwart van de wereldolievoorraden de aantrekkelijkste partner voor de toekomst, maar het al zeventig jaar durende verstandshuwelijk is sinds de aanslagen aan slijtage onderhevig. Wordt de oorlog tegen Irak toch gevoerd, wat ligt dan meer voor de hand dan de Iraakse oliereserves veiligstellen voor de Amerikaanse markt? Irak bezit de op één na grootste oliereserves ter wereld en kan binnen een paar jaar zijn productie flink opschroeven. Op dit moment produceert Irak nog geen drie miljoen vaten per dag, waarvan minder dan een miljoen geëxporteerd wordt. Uitgaande van het voor de VS optimistische scenario dat de oorlog niet te lang zal duren en zonder al te veel schade aan olie-installaties verloopt, kan de Iraakse productie over niet al te lange tijd tot zo'n zes miljoen vaten per dag oplopen.

Mocht dit inderdaad zo verlopen, dan vangen de VS twee vliegen in één klap. Een pro-Amerikaans Irak wordt een belangrijke concurrent van Saudi-Arabië in de OPEC (Organisatie van Olie-Exporterende Landen) en vermindert de slagkracht van die organistie. Mogelijk zegt het nieuwe Irak zijn lidmaatschap van de OPEC op. Er is een bijkomend voordeel voor Amerikaanse oliemaatschappijen, die nog buiten spel staan in de race om contracten in het nieuwe Irak. De Iraakse dissidenten die door de VS zijn uitverkoren het nieuwe regime in Bagdad te leiden, hebben gedreigd alle contracten te verbreken van de oliemaatschappijen uit die landen die weigeren mee te doen aan de oorlog tegen Saddam Hussein. 'We zullen te zijner tijd de contracten die met Saddam Hussein zijn gesloten stuk voor stuk nog eens bekijken', zo liet Ahmed Chalabi van het Iraakse Nationale Congres (INC) regelmatig manmoedig weten.

Of de soep zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend, moet worden afgewacht, maar het mag niet verbazen als straks vooral Amerikaanse oliemaatschappijen profiteren van een machtswisseling in Bagdad. Tel daarbij dat de Iraakse olie de goedkoopste ter wereld is , en de omvang van de olie-bonanza is duidelijk. Voor het eerst sinds dertig jaar krijgen Amerikaanse oliemaatschappijen direct toegang tot Iraakse olie. De winst loopt in de honderden miljarden dollars.

'Olie' speelt wel degelijk een grote rol in oorlog, maar is niet simpelweg een oorlog-om-de-olie. Olie is wel een fantastische prijs die men kan binnenslepen. Maar er valt meer te winnen dan de toegang tot de Iraakse olie.

Het Midden-Oosten staat aan de vooravond van ingrijpende veranderingen, vergelijkbaar met de situatie in de jaren na de ontbinding van het Ottomaanse Rijk. Net als toen wordt de kaart grondig hertekend. Nu al bevinden zich in alle staten van de regio (ook in de meeste Centraal-Aziatische republieken) met uitzondering van Libanon, Syrië en Iran - Amerikaanse militairen en bases. Via de onthoofding van het regime in Bagdad hoopt men een signaal af te geven aan de andere, nog niet onder de Pax Americana vallende staten dat ook zij zich moeten voegen naar Washingtons agenda. Het is niet onmogelijk dat Iran bijvoorbeeld voor de keuze wordt gesteld zijn nucleaire programma en zijn steun aan de Palestijnen op te geven, ofwel zijn nucleaire installaties vernietigd te zien worden.

Na '11 september' lijkt de weg vrij om plannen te realiseren die al sinds begin jaren negentig circuleerden en waarin steeds explicieter de belangen van Israël naar voren kwamen. In 1992 lekte een memorandum uit van de Defense Policy Board (DPB) waarin de contouren zichtbaar werden van een nieuwe Amerikaanse grand strategy. Medewerkers aan dit stuk waren Paul Wolfowitz en Lewis 'Scooter' Libby, die op dit moment een cruciale rol spelen in de praktische invulling van de neo-conservatieve agenda. Wolfowitz is vice-minister van Defensie, Libby is stafchef van vice-president Dick Cheney en diens nationale veiligheidsadviseur. In 1997 kreeg de grand strategy een verdere invulling via de oprichting van een neo-conservatieve denktank, het Project on a New American Century (PNAC). Ook hier weer de bekende namen Wolfowitz, Libby, Rumsfeld, Cheney, en niet in de laatste plaats Elliott Abrahams (hartstochtelijk pleitbezorger van Israëls belangen in Amerikaanse regeringskringen en onlangs benoemd in de Nationale Veiligheidsraad).

Geïnspireerd door de plannen van een reeks neo-conservatieve denktanks, lijkt het pleit in de regering-Bush beslecht ten gunste van de 'offensieve realisten' ten koste van de 'defensieve realisten' (vooral belichaamd in de figuur van Colin Powell, maar ook in de men in uniform die hun twijfels hebben over een succesvolle mars op Bagdad).

Deze haviken willen een nieuwe regionale orde creëren, met zo veel mogelijk cliëntstaten. Het lijkt een omgekeerde domino-theorie: eerst roepen we Bagdad tot de orde, dan Teheran en Damascus, vervolgens Beiroet en Riad en mogelijk Caïro.

Dit alles gebaseerd op een overweldigende Amerikaanse militaire macht, daarbij gesteund door Israël, dat op zijn beurt een cruciale militaire alliantie met Turkije sloot. Washington schrikt niet terug voor de inzet van uiterste middelen, blijkt uit een via de New York Times bekendgemaakte, geheime studie van het Pentagon. Daarin staan zeven landen die het doelwit kunnen worden van een nucleaire aanval: Irak, Iran, Noord-Korea, Syrië, Libië, China en Rusland.

De Israëlische premier Sharon heeft de Amerikanen al opgeroepen 'Iran aan te vallen zodra de oorlog tegen Irak is afgelopen.' Het is nauwelijks een geheim dat Israël van de crisis in Irak gebruik wil maken om de Palestijnen de coup de grâce te geven. Of door grootschalige deportatie van Palestijnen naar de Oostelijke Jordaanoever, of door de definitieve vestiging van een verbrokkelde Palestijnse 'staat' middels het beproefde recept van de bantoestans. Inderdaad loopt op die manier de 'weg naar vrede via Bagdad', zoals de Israël-lobby in Washington dat sinds kort pleegt uit te drukken.

Inderdaad valt bij regime change in Bagdad winst vooral toe aan Israël. Een nieuw regime in Irak (en later wellicht elders) betekent dat er een afhankelijke en strategisch gelegen bondgenoot bijkomt voor de VS. Het nieuwe Irak zal de joodse staat niet langer angst aanjagen. De strategische balans in het Palestijns-Israëlisch conflict slaat (nog verder) door ten gunste van Israël en een voor beide partijen acceptabele oplossing is verder weg dan ooit.

Als men de Iraakse olie inzet tegen die van Saudi-Arabië, betekent dat ook dat men zich in Washington nog minder dan hoeft aan te trekken van eventuele Saudische druk om mee te werken aan de oplossing van het Palestijns-Israëlisch vraagstuk.

Israël profiteert overduidelijk van een wisseling van de wacht in Bagdad. Maar eerst moet een oorlog worden gevoerd en het spreekt voor zich wie dáár in directe zin het meeste baat bij heeft: de wapenindustrie. Al enige tijd voordat George W. Bush president werd, liet hij zich bezorgd uit over de povere uitrusting van de Amerikaanse strijdkrachten en wilde hij een 'revolutie in militaire zaken'.

Twee maanden voor de verkiezingen kreeg hij steun uit verwachte hoek. Het eerder genoemde Project for the New American Century publiceerde een zoveelste vlammend manifest over Amerika's militaire strategie in de komende decennia. Behalve een substantiële verhoging van het defensiebudget, gaat het om 'semi-permanente' aanwezigheid van Amerikaanse troepen in de regio van de Perzische Golf, 'ook nadat Saddam Hussein van het toneel verdwenen is.' Het Pentagon zal de grootste toename van zijn budget realiseren sinds Reagans Star Wars-tijdperk (voor 2003 betekent dat een groei met ruim 10 procent).

Het zal niet verbazen dat de aandelen van de wapenfabrikanten een van de weinige stijgers waren op de beurs toen die weer openging na de aanslagen van 11 september 2001. Meer dan welke andere regering uit de geschiedenis steunt het team van Bush jr. op expertise van voormalige werknemers uit de wapenindustrie, zoals Boeing, Lockheed Martin, Northop Grumman en Raytheon. Daarbij om topfuncties in de regering-Bush, zij het niet in het kabinet zelf.

Een andere belangrijke schakel tussen de wapenindustrie en de burgerlijke militaire strategen vormt de zoveelste neo-conservatieve denktank, het Center for Security Policy (CSP). Trouw aan het adagium van Clemenceau dat 'oorlog te belangrijk is om aan de generaals over te laten', laat men zich in deze kringen uitermate denigrerend uit over de generaals - al dan niet buiten dienst - die niet enthousiast zijn over een oorlog tegen Irak.

Zo zien we dat de verschillende componenten die het Amerikaanse buitenlandse beleid bepalen in elkaar grijpen en er feitelijk sprake is van één strategie waarin niet altijd even goed te onderscheiden valt welk element de boventoon voert: olie, de hertekening van de kaart van het Midden-Oosten of de wapenindustrie.

In al deze gevallen speelt 'olie' een rol, soms meer en soms minder, maar zeker bij protesten tegen de komende oorlog in het Midden-Oosten is 'geen bloed voor olie' niet de beste leus.

Meer over