Oorlog in het oerwoud

Striptekenaar Peter van Dongen is al een decennium lang bezig met Rampokan', zijn tweedelige meesterwerk over de nadagen van Nederlands-IndiEind dit jaar zal het voltooid zijn, maar wie te ongeduldig is om daarop te wachten kan zich alvast storten op Banza Borneo van Eric Heuvel, ook een begenadigd klarelijntekenaar....

Bijzonder aan Banza Borneo is dat het een ondertekststrip is, zonder tekstballonnen dus, zoals alle Nederlandse strips tot aan de jaren vijftig waren. Aangezien het album zich afspeelt in de KNIL-tijd, is die vorm goed gekozen, al zal de doorsnee-striplezer de kost misschien wat taai vinden. Bud Broadway reist van Sumatra over Java naar Borneo en krijgt te maken met Dayaks, Japanners en rijke Amerikanen: een plezierig avontuur met een historisch randje.

Heel wat grimmiger is Rode Khmer van de Cambodjaanse tekenaar S, die in 1961 in Pnom Penh werd geboren en halverwege de jaren zeventig naar Parijs is gevlucht. Ook hier zien we soldaten door het oerwoud bewegen, al houdt de overeenkomst daar wel op. Bij S geen lineair verhaal met luchtige bijfiguren, maar een samenraapsel van koortsachtige impressies van de val van Pnom Penh in 1975, waarna de communistische Rode Khmer begon met het uitmoorden van miljoenen 'klassenvijanden'.

S heeft de jonge soldaat Snoul bedacht, die in afzonderlijke scs met andere troepen van de FANK-eenheid uit handen van de Rode Khmer probeert te blijven. Een echte plot ontbreekt echter, eigenlijk bevat het boek vooral sfeerbeelden die deels op foto's gebaseerd zijn. Gelukkig worden de tekeningen aangevuld met een voorwoord, een nawoord en kaarten van Cambodja en van de slag om Pnom Penh in het bijzonder, zodat Rode Khmer ook documentaire waarde heeft.

Een kleine dertig jaar na de bloedbadentrok tekenaar Lorenzo Mattotti naar Angkor, de tempelcomplexen in het noordwesten van Cambodja. Negen dagen lang reisde de Italiaan rond in een gemotoriseerde fietstaxi om alle rus te bezoeken, en zijn indrukken legde hij met potlood, pastel en inkt vast in het reisdagboek Angkor. De eerste tekeningen maakt hij met potlood, omdat hij daarmee trefzeker kan weergeven wat hij ziet. Maar die techniek laat geen ruimte voor het toeval, en daarom gebruikt hij Oost-Indische inkt 'voor het geometrische perspectief van de gangen, het felle daglicht achter het gebladerte, de witte wortels van de kapokbomen', schrijft Pierre Sorgue in het voorwoord.

Maar hoe moet hij de urenlange regens verbeelden, het stromen van water over rood gras? 'De aangewezen techniek was aquarel op handgeschept papier, een werkwijze die hij gewoonlijk reserveert voor zijn meest persoonlijke schetsboeken. Als om te bevestigen dat Angkor het mysterie is dat je in jezelf meedraagt.'

Meer over