Ook vroeger zou het zeker misgaan

Indië verloren, oliecrisis, ook in het verleden somberden Nederlanders over hun toekomst. Nooit kregen ze gelijk, stellen historici vast...

Peter Giesen

Philips sluit zijn lampenfabriek in Weert, de grootste Nederlandse autofabriek staat op omvallen. In Frankrijk, België, Duitsland en Groot-Brittannië komen burgers in actie tegen hervormingen in de sociale zekerheid. Duitse sociologen spreken van het einde van de Fahrstuhl Gesellschaft, de samenleving waarin je kon slagen of falen, maar één ding zeker wist: je was altijd beter af dan je ouders.

Europa is pessimistisch. Ook veel Nederlanders zijn somber over de toekomst, bang om overvleugeld te worden door Polen, Indiërs en Chinezen, die bereid zijn om zich voor een habbekrats kapot te werken. Maar in hoeverre is die angst gerechtvaardigd?

Ook in het verleden is Nederland herhaaldelijk ten prooi gevallen aan een 'vervalvertoog', zegt Piet de Rooij, hoogleraar moderne geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In de jaren dertig was premier Colijn ervan overtuigd dat Nederland zich moest aanpassen aan een structureel lagere welvaart, mede door de opkomst van het nieuwe Aziatische industrieland Japan. Na de Tweede Wereldoorlog emigreerden honderdduizenden Nederlanders naar Australië, Canada of Nieuw-Zeeland, omdat het vermoeide en verwoeste Nederland hun geen fatsoenlijk bestaan zou kunnen bieden. Tijdens de oliecrisis van de jaren zeventig vertelde premier Den Uyl de bevolking in dramatische bewoordingen dat het nooit meer zou worden als vroeger. Doorgaans kregen doemdenkers ongelijk, al waren soms pijnlijke aanpassingen nodig.

Natuurlijk: ook in de geschiedenis geven resultaten uit het verleden geen garanties voor de toekomst. Toch geloven historici dat zorgen vaak worden uitvergroot. 'In het verleden zijn wel vaker nieuwe spelers op het toneel verschenen - Japan bijvoorbeeld - zonder dat het meteen rampzalige gevolgen had', zegt De Rooij. 'De opkomst van Azië genereert een grotere economie, waarvan ook westerse landen kunnen profiteren', gelooft Barend ter Haar, directeur van het Centrum voor Niet-Westerse Studies aan de Universiteit Leiden.

Moeras

In de jaren dertig liep de werkloosheid tegen de 20 procent. De antirevolutionaire premier Hendrik Colijn was de sterke man die Nederland uit het moeras moest trekken. Hij was een politicus van on-Nederlandse allure, een militaire held uit Indië die miljonair werd als directeur van Shell.

Zijn wereldbeeld werd echter gekenmerkt door een aan defaitisme grenzend pessimisme. 'In Indië had hij gezien dat de Verenigde Staten en Japan een steeds groter deel van de handel inpikten', zegt De Rooij. Zijn conclusie: Europa moest welvaart inleveren, omdat de koek met andere landen gedeeld moest worden.

Ook na de Tweede Wereldoorlog was Nederland uiterst pessimistisch. 'De helft van de Nederlanders geloofde dat er binnen tien jaar een Derde Wereldoorlog zou zijn. Bovendien geloofde iedereen, ook buitenlandse demografen, dat Nederland met tien miljoen inwoners te vol was om iedereen aan werk te helpen', zegt De Rooij. Tot overmaat van ramp ging ook Indië verloren, het koloniale rijk dat in de jaren dertig 8 procent aan het nationale inkomen bijdroeg. In 1947 noemde de president van De Nederlandsche Bank het behoud van Indië nog een 'conditio sine qua non' voor het 'voortbestaan van ons volk als zodanig'.

In deze ellendige omstandigheden leek er voor velen maar één ding op te zitten: emigreren. Ook het damesblad Margriet spoorde zijn lezeressen regelmatig aan de stap te wagen: 'Beste Mevrouw, het is een bittere waarheid dat ons land te klein is om al de inwoners een goede toekomst te verzekeren. Voor hen, die pioniersbloed in zich hebben, die vooruitstrevend zijn en van aanpakken weten, is de aangewezen weg: emigratie.'

Maar al in 1955 haalde Nederland gastarbeiders uit Zuid-Europa, omdat het bedrijfsleven personeel te kort kwam. Wim Kan maakte een grap over staatssecretaris Veldkamp van Economische Zaken: 'Wat heeft die man het druk: eerst op de kade emigranten uitwuiven en dan spoorslags naar het Centraal Station om gastarbeiders te verwelkomen.'

In de jaren zestig sloeg de stemming om naar tomeloos optimisme. Recessies behoorden tot het verleden, stelde de econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen in 1969. Moderne economen hadden de economie onder controle.

Nauwelijks was dit gezegd of de groei stokte in de jaren zeventig. De problemen werden verergerd door de oliecrisis. In de nasleep van de Yom Kippuroorlog van 1973 verhoogden de Arabische olieproducenten hun prijzen. Nederland werd extra gestraft vanwege zijn pro-Israëlische opstelling: de Arabische landen kondigden een olie-embargo af.

Oliecrisis

Premier Joop den Uyl geloofde dat Nederland zich moest aanpassen aan een structureel lagere toevoer van olie. Op 1 december 1973 sprak hij het volk toe op radio en tv: 'Wij moeten met elkaar beseffen dat wij niet kunnen voortgaan met het verbruik van beperkte voorraden brandstoffen en grondstoffen, zoals wij het laatste kwart eeuw gedaan hebben. Zo bezien keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug. Wij zullen ons blijvend moeten instellen op een levensgedrag met een zuiniger gebruik van grondstoffen en energie. Daardoor zal ons bestaan veranderen. Bepaalde uitzichten vallen weg. Maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden.'

De befaamde autoloze zondagen boden een glimp van zo'n mooie groene toekomst. Lege snelwegen, overgenomen door wandelaars, fietsers en spelende kinderen. Maar al snel bleken de tanks in de Rotterdamse haven overvol. Het olie-embargo stelde niets voor.

Achteraf lijkt de reactie van Den Uyl dan ook nogal paniekerig, maar dat is schijn, zegt De Rooij. 'Den Uyl was intelligent genoeg om te beseffen dat het olie-embargo slechts een evenementje was.' De premier was echter hevig beroerd door het milieubewustzijn van die dagen. In 1972 had de Club van Rome zijn rapport Grenzen aan de Groei uitgebracht, dat volgens De Rooij nergens zo goed werd verkocht als in Nederland.

De boodschap was uitermate somber: bij ongewijzigd beleid kon de voorraad aan natuurlijke hulpbronnen al tegen het jaar 2000 uitgeput raken. Er bestond zelfs, voorspelde de Club met een merkwaardig soort exactheid, een kans van 1 op 40 dat de wereld in 2000 helemaal niet meer zou bestaan. 'Den Uyl greep de crisis aan om de bevolking bij te praten over de moderne wereld', stelt De Rooij.

Grote consumeren

Den Uyl kreeg ongelijk, althans op korte termijn. (Op lange termijn lijkt de schaarste aan energie wel een probleem, maar die kwestie wordt in het huidige mondialiseringsdebat ondergesneeuwd door de zorg om economische groei.) 'Ons bestaan' veranderde wel, maar dan in tegenovergestelde richting. Pas na de oliecrisis begon het grote consumeren. In de jaren negentig geloofden economen opnieuw dat 'de nieuwe economie' altijd zou groeien, dankzij internet en automatisering.

Maar sinds 2002 kwakkelt de conjunctuur, hetgeen ook deze keer gepaard gaat met de angst voor een structureel lagere welvaart, nu door de opkomst van Azië. 'Er is veel angst uit onkunde', zegt Barend ter Haar van het Centrum voor Niet-Westerse Studies. Natuurlijk gaat China een belangrijke rol spelen, maar het zal de rest van de wereld echt niet van de kaart vegen. Daarvoor kent het land ook te veel (potentiële) problemen: 'Een slecht functionerend banksysteem, onrendabele staatsbedrijven, ontevreden boeren, een zeer ongelijke verdeling van welvaart over de regio's, politieke spanningen, milieuvervuiling.'

Economische tegenwind geeft vaak aanleiding tot gesomber over een nauwelijks te stoppen glijvlucht naar beneden. Past die neiging tot doemdenken in de calvinistische aard van de Nederlander? Geloven we heimelijk dat we gestraft worden voor een welvaart die we niet verdienen, zoals de Britse historicus Simon Schama suggereerde in Overvloed en Onbehagen?

'Dat vind ik een te gemakkelijke verklaring', zegt De Rooij. 'Volgens mij is er iets anders aan de hand. In het naoorlogse Nederland zijn bestuur en beleid heel technocratisch: geduldig rekenen aan de samenleving en de gevaren voorzien, zodat je tijdig aan de knoppen kunt draaien.

In Nederland wordt veel meer gewaarschuwd voor problemen in de toekomst dan bijvoorbeeld in Frankrijk. De Tweede Kamer was ook het eerste parlement ter wereld dat over global warming debatteerde. Maar je moet wel een beetje schreeuwen om aandacht, zeker in onze communicatiecultuur. Anders kom je niet boven Idols uit.'

Meer over