Ook een vergissing kan respect afdwingen

Jan Sperna Weiland (1925), theoloog en filosoof, maakte begin jaren zestig de overstap van hervormd predikant naar hoogleraar filosofie aan de theologische faculteit van de Universiteit van Amsterdam....

'MENSBEELDEN zijn overal. Vaak zijn mensen zich er in het geheel niet van bewust dat ze handelen op grond van een mensbeeld. Ze hebben er niet over nagedacht. Als dat zo is, bewijs je ze een dienst door ze een beetje te helpen. Dan doorzien ze met wat voor mensbeeld ze eigenlijk door de wereld gaan. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom ik het boek heb geschreven.'

De Rotterdamse emeritus hoogleraar Jan Sperna Weiland laat in De mens in de filosofie van de twintigste eeuw zien hoe het thema mensbeeld in deze eeuw door een aantal toonaangevende filosofen is behandeld. Hij behandelt onder anderen Martin Heidegger, Jean-Paul Sartre en Jürgen Habermas, maar ook minder bekende filosofen als Arnold Gehlen en Gabriel Marcel.

Tegen beter weten in hoopte hij aanvankelijk dat het mogelijk zou zijn de mensbeelden in de filosofie van deze eeuw samen te voegen tot één beeld. Maar de filosofie is, in zijn woorden, te chaotisch. Er bestaan te grote verschillen tussen de mensbeelden, zoals die in de fenomenologie, het logisch positivisme, het postmodernisme en andere filosofische richtingen ontwikkeld zijn.

Sperna Weiland ging vlak na de oorlog in Groningen filosofie en theologie studeren. Hij leerde het vak filosofie vooral van de Duitse filosoof Helmuth Plessner. Onder diens invloed kreeg hij een grote belangstelling voor de wijsgerige antropologie, de filosofische leer over de mens, die naar zijn oordeel de kern van de filosofie vormt. Hoewel een aantal wijsgerig antropologen, onder wie Plessner, in elk geval in hun theorieën de voorkeur gaf aan het atheïsme, sluit deze filosofische richting volgens Sperna Weiland juist goed aan bij de theologie.

'Ik heb jarenlang college gegeven over de geschiedenis van de filosofie en de wijsgerige antropologie. Ik geloof niet dat de theologische denkbeelden invloed hebben gehad op mijn interpretatie van filosofische teksten. In het boek heb ik ook geprobeerd de filosofen - allemaal mannen, helaas - zelf aan het woord te laten komen en ze op de voet te volgen. Vandaar dat er nogal veel en lange citaten in het boek zitten. Dat is geen luiheid, maar ik wilde mezelf zoveel mogelijk uitschakelen.'

Toch is Sperna Weiland onvermijdelijk sterk aanwezig in het boek. Het duidelijkst gebeurt dat in het hoofdstuk over de Franse filosoof Derrida. Daarin schrijft hij dat hij zich aan diens werk heeft geërgerd. Soms richt hij zich expliciet tot de lezer met raadgevingen: 'Van hieraf wordt het verhaal echt moeilijk, langzaam lezen en af en toe terugbladeren is geboden.'

Hij heeft het boek toegankelijk willen maken voor een groot publiek, zegt hij. 'Ik vind de onderwerpen die in de filosofie en met name in de wijsgerige antropologie naar voren komen, zozeer de moeite waard dat je zoveel mogelijk mensen erbij moet betrekken. Dat betekent ook dat je zoveel mogelijk mensen in staat moet stellen zo'n boek te lezen.'

Schrijven over dé mens in dé filosofie is waarschijnlijk een onmogelijke opgave. Sperna Weiland heeft daarom een selectie gemaakt van invloedrijke filosofen in deze eeuw. Hij heeft zich beperkt tot de Franse en de Duitse filosofie. De Angelsaksische (taal)filosofie ontbreekt bijvoorbeeld, evenals de Amerikaanse pragmatisten.

Dat heeft, zegt hij, vooral te maken met de beperkingen waarmee je bij het schrijven van zo'n boek te maken krijgt. 'Ik kan niet overtuigend beargumenteren waarom de een er wel in staat en de ander niet. Het had gewoon te maken met de limieten van het boek. Ik kon me twintig hoofdstukken permitteren en dat betekende twintig grote denkers. Vervolgens heb ik moeten wikken en wegen, passen en meten.

'Aan de selectie zit heel duidelijk een persoonlijke kant. Ik heb alle filosofen laten staan die voor mij veel betekenis hebben gehad in de loop van mijn leven. Je hebt tegenwoordig in verschillende musea van die nissen waar iemand tentoonstelt wat hij als grote werken beschouwt die hij graag zijn hele leven met zich meeneemt. Zoiets is dit ook. Alleen je probeert tegelijkertijd een beetje afstand te nemen van je eigen liefdes.

'Zo ben ik met forse tegenzin aan Derrida en Foucault begonnen, twee postmoderne filosofen die wel erg makkelijk stellen dat er geen waarheid meer is. Wanneer het in de filosofie niet meer om de waarheid gaat, zou ik niet weten waar die filosofie nog goed voor is. Maar wat me echt tegenstaat, is het spelen met de dingen, het lachen. Ook wanneer grote denkers zich geweldig hebben vergist, kun je daarvoor respect hebben en hoef je daar niet om te lachen.'

Sperna Weiland benadrukt dat mensbeelden moeten worden verduidelijkt. In zijn inleiding schrijft hij: 'Het construeren van mensbeelden of het gedachteloos overnemen van het in een bepaalde tijd en in een bepaalde cultuur heersende mensbeeld is geen louter theoretische en in het geheel geen onschuldige bezigheid. Zoals mensen zich in de spiegel van hun mensbeeld zien, zo gedragen zij zich. Wanneer ergens in een cultuur het blonde beest, die blonde Bestie, het beeld van de mens is, gaan mensen zich als blonde beesten gedragen. Voor je het weet, is er dan een oorlog en worden vernietigingskampen gebouwd waarin joden, zigeuners en ander ongedierte worden opgeruimd.'

In dit licht bezien is het op z'n minst merkwaardig dat Sperna Weiland Der Mensch van Arnold Gehlen een klassiek werk van de wijsgerige antropologie noemt. Deze Duitse filosoof was van 1933 tot het eind van de oorlog in 1945 lid van de NSDAP. Ook Martin Heidegger was, zoals bekend, lid van de nazi-partij. Hoe kan iemand die in de praktijk instemde met racistische ideeen, een waardevolle bijdrage leveren aan de wijsgerige antropologie?

Sperna Weiland heeft nauwelijks een verklaring voor dit fenomeen. 'Het kon waarschijnlijk alleen in Duitsland. Het kon niet in Nederland en niet in Engeland. Duitsland kende geen democratische traditie. Het was, met even het chaotische tussenspel van Weimar, van de ene Obrigkeitsstaat in de andere terechtgekomen. Gehlen, Heidegger en al die mensen hadden geen enkele ervaring met de westerse democratie en wisten niet wat dat was. Het is niet een echt excuus, want je zou verwachten dat filosofen wijzer zijn, maar blijkbaar zijn ze dat in sommige gevallen niet.

'Er zijn een paar grote boeken geschreven in de twintigste eeuw en daar is Sein und Zeit van Heidegger er één van. In dat boek worden nieuwe terreinen van onderzoek ontsloten. Wat niveau heeft blijft staan, ondanks het feit dat er een auteur achter kan zitten van wie je denkt: liever niet. In 1945 studeerde ik bij Helmuth Plessner, die niet veel ophad met Heidegger. En dat laat zich uit de geschiedenis ook heel goed begrijpen. Plessner werd vanaf 1933 het werken in Duitsland onmogelijk gemaakt. Maar hij zei over Sein und Zeit wel dat je het gelezen moest hebben, omdat het een van de belangrijkste boeken was.'

Heidegger is, zegt Sperna Weiland, met Sein und Zeit de laatste filosoof geweest die geprobeerd heeft een alomvattend filosofisch systeem te bouwen. Het grote verschil tussen de negentiende en de twintigste eeuw is dat in deze eeuw het geloof in de mogelijkheid van een alomvattend filosofisch systeem verloren is gegaan, onder meer door wetenschappelijke inzichten, ontwikkelingen in de psychologie en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Ook het systeem van Heidegger bleef onvoltooid. 'Hij heeft het eerste deel nog niet geschreven of hij stelt vast dat het systeem dat hem voor ogen stond, er nooit zal komen. Eigenlijk is het in 1914 al afgelopen met de grote systemen. Daarna is er alleen nog sprake van fragmenten. De hele wijsgerige antropologie van Scheler is bijvoorbeeld te vinden in dat kleine boekje Die Stellung des Menschen im Kosmos. De logica van de hele ontwikkeling van de twintigste eeuw is dat die moet eindigen met het postmodernisme en de stelling van Lyotard dat het einde van de grote verhalen is gekomen.

'Maar bij de postmoderne denkers dreigt het mensbeeld volledig uit het zicht te verdwijnen. Zij hebben het einde van het subject aangekondigd en daarmee ook het einde van de wijsgerige antropologie. Maar naar mijn idee zal die in een of andere vorm terugkomen, omdat we niet buiten het denken over de mens kunnen. Onze hele ethiek bijvoorbeeld zou anders in de lucht komen te hangen. Het zou me niet verbazen als er in dit boek filosofen voorkomen naar wie op het ogenblik niet zoveel wordt omgekeken, maar die straks weer ontdekt worden.'

Helga Merits

Meer over