Essay

Ook de nieuwe gezichten in Den Haag vallen terug in oude reflexen

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Even was er afgelopen jaar de hoop dat er werkelijk ‘heel radicale ideeën’ zouden postvatten in Den Haag. Transparantie en integriteit lagen op ieders lippen, macht en tegenmacht moesten georganiseerd, op achterkamertjes kwam een hangslot. Dat geloof is verdampt. Parlementair verslaggever Ariejan Korteweg blikt terug op een revolutionair jaar waarin de revolutie uitbleef.

Een leven lang ben ik aanhanger van Feyenoord. Dat vergt een merkwaardige geestesgesteldheid: een rotsvast vertrouwen dat het met dezelfde spelers of andere van hetzelfde kaliber om onverklaarbare redenen de volgende keer anders en beter zal worden. Met dat geloof kun je een heel leven door, ongeacht de teleurstellingen die onvermijdelijk volgen.

Diezelfde geest was even vaardig over politiek Den Haag. Dezelfde spelers, maar alles zou anders worden. Radicale, zelfs revolutionaire ideeën hadden postgevat; ook bij Rutte, die in de greep zei te zijn geraakt van ‘heel radicale ideeën’ voor een nieuwe bestuurscultuur. Transparantie en integriteit lagen op ieders lippen, macht en tegenmacht moesten georganiseerd, op achterkamertjes kwam een hangslot. Dat geloof is verdampt. Over bestuurscultuur – het toverwoord van de afgelopen maanden – wordt alleen nog besmuikt gesproken. De onderhandelingen slepen zich voort als een schildpad in de zon.

Om te begrijpen hoe dat kan, moeten we terug naar het begin van de politieke crisis. De landspolitiek knalde na de verkiezingen van 17 maart in volle vaart tegen een muur op, knippert nog steeds confuus met de ogen en heeft moeite zich te herinneren wat precies is gebeurd, laat staan hoe het verder moet. Niet bewegen, zegt de dokter in zulke gevallen. Dat is hier geen optie. Want hoe langer er wordt getreuzeld, hoe meer het vertrouwen in de politiek afneemt.

Het is verleidelijk die politieke crisis op het conto te schrijven van incidenten. Als minister Ollongren niet wegens een coronamelding halsoverkop het verkennersoverleg had verlaten met haar papieren open en bloot onder de arm... Als ANP-fotograaf Bart Maat niet zo oplettend was geweest zijn camera in de aanslag te hebben... Als die foto net wat minder pixels had gehad, zodat de tekst ‘Pieter Omtzigt: functie elders’ niet leesbaar was geweest... Dan was het deksel inderdaad langer op de pot gebleven, was er op 1 april geen oververhit debat over de liegende Rutte geweest en op 29 april geen even opgewonden debat over de verslagen van de ministerraad. Dan was de premier niet met een motie van afkeuring aan de formatie begonnen en was de toestand bij het CDA wellicht ook niet zo op de spits gedreven. ‘Events, dear boy, events’, citeren ze in Den Haag dan graag de Britse premier Harold Macmillan.

Maar het waren geen incidenten die de huidige crisis veroorzaakten. Het was de voorlopige culminatie van een langdurig proces van politieke houtrot, dat uiteindelijk tot politieke vernieuwing moet leiden.

Het onderzoek naar de toeslagenaffaire duwde wat luiken open die al langer op een kier stonden: wellicht was de overheid niet zo onfeilbaar als ze graag doet voorkomen. En wellicht moest dat gevolgen hebben voor de omgang van de overheid met burgers, en van het kabinet met de Kamer.

‘Ruttedoctrine’ werd eind vorig jaar het woord dat het ongenoegen samenvatte, in de betekenis dat persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren niet openbaar worden gemaakt. Een afspraak die extra gewicht kreeg toen Kamerleden en journalisten in de toeslagenaffaire voor elk velletje informatie moesten vechten met het ministerie van Financiën. Mede op grond van die ervaringen ontwikkelde CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt zijn gedachten over een nieuw sociaal contract en over de tegenmacht die dringend moet versterkt.

Dan zou je verwachten dat partijen en lijsttrekkers de verkiezingstijd aangrijpen om bestuurlijke integriteit, de verhouding tussen overheid en burger en de inrichting van het staatsbestel tot belangrijke thema’s te maken. Niets was minder waar. De verkiezingen gingen over wonen, het herstel na corona, migratie, klimaat.

De kloof tussen burger en overheid kwam hooguit terug in dat ene tv-fragmentje van Mark Rutte met Kristie Rongen, slachtoffer van de toeslagenaffaire, die de premier confronteerde met zijn tekortkomingen en pareerde met een onverschrokken: ‘Ik stop u even.’ Sigrid Kaag (D66) ging weliswaar de campagne in met de boodschap dat ‘nieuw leiderschap’ dringend nodig was, maar dat zou toch vooral na de verkiezingen invulling moeten krijgen.

In de campagne werd vanuit de politiek dus niet de urgentie uitgedragen dat het allemaal echt heel anders zou moeten. De middenpartijen stelden rituele ingrepen voor, die de suggestie van verandering wekten. Zo werd beloofd dat een volgend regeerakkoord niet alles zou dichttimmeren, zodat de Kamer meer mogelijkheid heeft bij te sturen; het maandagse coalitieoverleg, waarin alle besluitvorming wordt voorgekookt, zou moeten worden afgeschaft.

Dat het kabinet demissionair was sinds het vernietigende rapport van de ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, leek niets uit te maken. Er werd – en wordt – geregeerd alsof er niets is gebeurd. Minister Grapperhaus liet deze week nog blijken hoe hij over die demissionaire status dacht: ‘Staatsrechtelijk slaat het verschil nergens op.’ Demissionair? Dat heeft niets te betekenen.

Dat veel bij hetzelfde zou blijven, bleek al toen iemand moest worden aangesteld om het voorwerk te doen voor de kabinetsformatie. D66, de winnaar van de verkiezingen, wilde per se net als de grootste partij – de VVD – een verkenner leveren. Vanaf dat moment konden beide partijen naar de ander wijzen als het om verantwoordelijkheid ging. Die patstelling duurt tot op de dag van vandaag voort, versterkt doordat Rutte sinds het debat van 1 april aangeschoten wild is: nog steeds is niet duidelijk in hoeverre bij eventuele coalitiepartners het vertrouwen in zijn leiderschap is hersteld.

Zo trok Den Haag de handrem aan nog voordat de revolutie goed en wel was losgebarsten.

Intussen waren de afgelopen maanden de droom van iedereen die de politiek van nabij volgt. Er kwam informatie vrij die nooit eerder werd gedeeld. Dat begon met de integrale aantekeningen van verkenners Ollongren en Jorritsma, die als bijvangst observaties over onderhandelende partijen bevatten. Dan de verslagen van de ministerraad met het roemruchte ‘sensibiliseren’ van Kamerlid Omtzigt. Vervolgens het memorandum van Omtzigt, dat bedoeld was voor de evaluatiecommissie van de partij en een onbarmhartig inkijkje gaf in hoe het CDA functioneert. Dan nog het sms-verkeer van Rutte – hoe intiem wil je het hebben? – waaruit blijkt dat de minister-president op het hoogtepunt van de coronacrisis het RIVM wilde passeren om een wetenschappelijk artikel te laten beoordelen.

De Tweede Kamer raakte overspoeld door al die gedetailleerde informatie en had de grootste moeite de grote lijnen te bewaken. Regering en ambtenarij werden de maat genomen in de toeslagenaffaire, Pieter Omtzigt uitte ook scherpe kritiek op de planbureaus en hun modellen. Voor de eigen rol in deze majeure politieke crisis was nog amper aandacht, terwijl daar alle reden voor was. Kamerleden hebben de neiging zich tot achter de komma met uitvoeringsinstanties en ambtenarij te bemoeien. Er was zelfs een Kamerlid (Van Meijeren, FvD) dat op het ontslag van een bij naam genoemde ambtenaar aandrong.

Zoiets is tekenend voor het niveau van veel Kamerdebatten. Lange exegeses worden gewijd aan ‘functie elders’ of ‘sensibiliseren’, waarbij de hoofdlijnen uit zicht verdwijnen. Het is een tendens die in de vaak oeverloze coronadebatten al zichtbaar was. Oud-informateur Willink verbaasde zich er onlangs in het tv-programma Buitenhof over dat het eindverslag van de informateur inhoudelijk niet besproken is in de Kamer, terwijl die toch de regie van het proces in handen zou moeten hebben.

Het midden verbleekt en verkruimelt, stromingen die in het verleden flanken van bestaande partijen zouden hebben gevormd, bereiken nu op eigen titel het parlement om onderwerpen te agenderen en middenpartijen bij te sturen. En uiteindelijk is het de kiezer die spreekt en met de verkiezingsuitslag een nieuwe politieke werkelijkheid creëerde: de samenstelling van de Kamer is ingrijpend veranderd.

Allereerst is er fragmentatie: zeventien partijen, waar inmiddels een groep (Van Haga) en een partijverlater (Pieter Omtzigt) bij moeten worden opgeteld.

Dit zal op termijn ingrijpende gevolgen hebben voor het functioneren van de Kamer. Alleen VVD, D66, PVV en CDA hebben voldoende Kamerleden om de breedte van de politieke agenda te kunnen volgen. Andere partijen zullen moeten kiezen: doe jij het chroom-6-debat, dan volgen wij de pulsvisserij – GroenLinks en PvdA werken al op die manier samen. Erkende specialisten als Michiel van Nispen, justitiewoordvoerder van de SP, kraken onder het werk dat ze in een gekrompen fractie moeten doen. Kleinere fracties laten het bij debatten vaak afweten, ze kiezen voor de terreinen waarop ze zich willen profileren. Komen ze wel, dan worden ze uitbundig gecomplimenteerd: fijn dat u hier bent! Alsof het bijzonder is je taak als volksvertegenwoordiger uit te voeren.

Als Kamerleden minder tijd hebben zich in onderwerpen vast te bijten, leidt dat tot een verschraling van het Kamerwerk, wat een politieke loopbaan minder aantrekkelijk maakt. Daar komt bij dat het ledental van de meeste partijen slinkt, zodat hun kweekvijvers kleiner worden. Een wezenlijke voetnoot is nog dat de ondersteuning van Kamerleden niet op orde is; het parlement zou een grotere staf moeten hebben om de regering te controleren.

Het is door dat alles maar de vraag of de Kamer goed is geëquipeerd om een echte verandering door te voeren.

Bij de versplintering van de Kamer komt de onervarenheid van politiek leiders. De afgelopen jaren voltrok zich bij alle middenpartijen een ware braindrain. Dat een lichting ervaren politici als Asscher, Dijsselbloem, Timmermans, Samsom, Buma, Schippers, Kamp, Zijlstra, Dijkhoff en Pechtold om uitleenlopende redenen vertrok, doet zich gevoelen. Een goed politicus is meer dan de functie die hij of zij vervult, of dat nu Kamervoorzitter, fractieleider, bewindspersoon of gewoon Kamerlid is. Voor dat surplus is ervaring een vereiste.

Wopke Hoekstra, Sigrid Kaag en Lilianne Ploumen kregen een hoofdrol in een politieke crisis, terwijl ze debuteerden als fractieleider, net als veel aanvoerders van nieuwe partijen. Zo kon het gebeuren dat de ervaren Geert Wilders vrijwel de hele Kamer in die dolle nacht van 1 april op sleeptouw nam in een bijna geslaagde missie Rutte van zijn troon te stoten met een motie van wantrouwen. Kaag zal nog weleens zwetend wakker worden als ze terugdenkt aan de woorden waarmee ze Wilders bijviel: dat wordt ‘door de heer Wilders veel beter verwoord dan ik nu doe’. Zelfs de SGP deed met Wilders mee, de CU met een dag vertraging ook.

Wat betekent het eigenlijk als je het vertrouwen opzegt in een politiek leider, zoals GroenLinks, PvdA en CU deden? Of als je een motie van afkeuring steunt, zoals D66 en CDA? Is Rutte vanaf dat moment ongeschikt als partner in een regering? Of kan dat wantrouwen in een paar maanden verdampen, zodat je toch samen door kunt? Wat zijn woorden nog waard aan het Binnenhof?

Het is een vraag die door de politiek leiders wordt genegeerd. Ze lijken te opteren voor de Feyenoord-variant: dezelfde of vergelijkbare hoofdrolspelers, maar een heel andere uitkomst.

Waar de politiek versaagt, nemen anderen die rol over. Veel wetgeving wordt al in Brussel gemaakt; veel beleid wordt van buitenaf gecorrigeerd, zoals in de Urgenda-zaak, of van buitenaf ingefluisterd, zoals bij het coronabeleid.

Parallel aan het Binnenhof draait bovendien nog een heel andere machine, die zich weinig aantrekt van stemmingswisselingen in de politiek. Dat is de polder, die op cruciale plekken nieuw personeel kreeg, dat nog nog niet erfelijk belast is. VNO, LTO en FNV kregen nieuwe voorzitters, die van MKB zit er nog niet heel lang. Ze komen met vergaande voorstellen, zoals een dwingende voorzet voor een sociaal akkoord. Natuurlijk, de politiek zal er zijn oordeel over moeten geven. Maar pas op, zegt VNO-voorzitter Ingrid Thijssen: dit is een doordacht pakket. Haal je er iets uit, dan stort het bouwwerk in. Dus, politiek: graag tekenen bij het kruisje. Voor het stikstofakkoord waaraan in de polder wordt gewerkt, zal hetzelfde gelden.

De polder laat zien dat de verschillen niet zodanig groot zijn dat oplossingen buiten bereik liggen. Tegelijk wordt duidelijk dat de politiek bezig is de regie daarover te verliezen. Er is vooruitgang, maar buiten de politiek om. Zet die tendens zich voort, dan verliezen politieke besluiten hun legitimiteit.

Deze zomer schrijven Rutte en Kaag aan iets wat zoiets als een schets voor hoofdlijnen van een regeerakkoord moet worden. Jullie gaan een poosje niets meer horen, waarschuwde Rutte al. Het zijn de oude reflexen van een bestel waarvan de houdbaarheid is verstreken, gericht op handhaving van de status quo. Die zullen geen afdoende antwoord geven op de grote vragen die de afgelopen maanden zijn opgekomen. Daarvoor is een grondige bezinning nodig op de verhouding tussen overheid en burgers, en daarmee op de rol die de overheid in het leven van mensen moet en wil spelen.

Meer over