Ooggetuige van het bloedbad

Roland van den Berg (83) groeide op in China en zag als ambassadeur in Peking hoe de studentenopstand werd neergeslagen. De sinoloog hanteert een weidse blik: 'Het land heeft veel vooruitgang geboekt.' Tekst

'De maanden voorafgaand aan 4 juni 1989 heerste een Praagse Lente-gevoel in Peking. Allerlei contacten tussen Chinezen en buitenlanders waren mogelijk, er was minder censuur, de ideologische druk viel weg. Er heerste euforie: hè, hè, eindelijk gaat er wat gebeuren.'

Oud-ambassadeur Roland van den Berg kan de sfeer van de studentenopstand nog gemakkelijk oproepen. Regelmatig begaf de diplomaat, toen bijna 60 jaar oud, zich tussen de kamperende, jonge twintigers op het Plein voor de Hemelse Vrede. De beelden staan op zijn netvlies gegrift.

'Hier zag je wat studenten in pyjama voor hun tent zitten, daar waren ze bezig spandoeken te maken en weer een ander groepje deelde stencils uit. Ik vond dat ik met ze moest praten en gelukkig hield niemand me tegen.'

De opstand, en het neerslaan ervan, is de belangrijkste episode geweest uit zijn diplomatieke carrière. Zelf voelde hij zich 'goed geëquipeerd' om de gebeurtenissen te kunnen doorgronden. Zijn vader zat vanaf 1922 als diplomaat in China, waar Roland in 1930 ter wereld kwam. In Sjanghai bracht hij de eerste elf jaar van zijn leven door.

Na de oorlog studeerde hij Chinees en Japans in Leiden ('op de klassieke manier, dus toen ik in China aankwam, kon ik nog geen kopje thee bestellen') en werkte hij van 1962 tot 1966 in Peking, toen er nog nauwelijks westerse ambassades waren. China was fervent communistisch. Het aanspreken van een Chinees op straat was 'gevaarlijk voor de betrokkene, dus dat deed je niet'.

undefined

Wantrouwen

Bij zijn terugkeer naar Peking in 1986, in de rol van ambassadeur, trof hij een ander China aan: het wantrouwen was verdwenen. 'De Chinezen zochten het contact. En in het Westen wilde iedereen naar China, dus het was een zeer vruchtbare periode'.

Tot het studentenprotest. Dat heeft de geschiedenisboekjes gehaald als een pro-democratische beweging, maar de werkelijkheid was complexer, zegt Van den Berg. 'De directe aanleiding was tamelijk prozaïsch, namelijk de slechte omstandigheden waaronder studenten moesten studeren. Dat wordt vaak vergeten.'

Dat laatste geldt ook voor de gespletenheid van de Chinese Communistische Partij (CCP). Het beeld van de studenten die pal tegenover de partij stonden, klopt niet, benadrukt Van den Berg. 'De partij was geen monolithisch blok. Een belangrijke stroming was voor politieke hervormingen. Tussen de leden daarvan en de demonstranten waren contacten. Ik sluit zelfs niet uit dat de protesten vanuit de partij zijn aangemoedigd.'

Pas in de laatste weken ontstond de beweging richting democratie, herinnert Van den Berg zich, maar daarbij hoort een kanttekening: de studenten hielden er geen westers democratiebegrip op na. 'Als je vroeg of het de bedoeling was dat iedereen stemrecht zou krijgen, dus ook de honderden miljoenen boeren, was het antwoord: 'Nee, dat is niet voor hen, zij zijn daar nog niet klaar voor.''

De studenten voelden zich sterk: 'Ze hadden het idee dat de hele wereld achter hen stond. Dat merkten ze in contacten met westerse journalisten en lazen ze in westerse kranten. Ze wisten dat de partij intern verdeeld was. Bovendien kregen ze steun van de bevolking: uit fabrieken en kantoren, van journalisten, zelfs mensen van Buitenlandse Zaken deden mee in de euforie. De regering leed ook enorm gezichtsverlies toen Gorbatsjov op bezoek kwam en hij vanwege het protest niet op het Plein kon worden ontvangen.'

Hun successen maakten de studentenleiders overmoedig. 'Ze kregen een gesprek met premier Li Peng. Dat was live op televisie. Een van hen, Wuer Kaixi, ging erheen in pyjama. Achterover leunend begon hij Li Peng uit te schelden en excuses te eisen. Totaal oneerbiedig. Dat was voor mijn gevoel een keerpunt. Zo'n jongere die een oudere man respectloos de les leert, dat gaf veel mensen het gevoel dat de jongeren op hol waren geslagen, net als tijdens de Culturele Revolutie. Tot dan toe hadden de studenten het goed gedaan, zich netjes gedragen door het verkeer rond het plein in goede banen te leiden. Op dat moment kreeg de gewone man het gevoel: zo is het mooi geweest.'

De studenten zelf hadden dat idee ook. Bij een stemming wilde een meerderheid terug naar de universiteiten. Een aantal van hen bleef toch op het plein uit solidariteit met studenten die van elders waren gekomen om steun te betuigen. 'Daar kwam de steun van een deel van de bevolking bij. De gewone man mocht dan genoeg van het protest hebben, de staalarbeiders grepen de kans aan vrije vakbonden te eisen. Dat kon echt niet, dat was vloeken in de kerk van de partij.'

De beslissing tot ingrijpen werd genomen door Deng Xiaoping, 84 jaar inmiddels en paradoxaal genoeg de man die eind jaren zeventig met zijn Open Deur-beleid de beweging naar meer vrijheid in gang had gezet.

Na de inzet van tanks en soldaten van buiten Peking kwam in de nacht van 3 op 4 juni een einde aan de opstand. 'Ik was op de ambassade, een paar kilometer verderop, en een medewerkster, Christine Jansen, zat op de uitkijk in het Peking Hotel, vlak bij het plein. We konden het schieten horen.'

undefined

'Hooguit vijftienhonderd'

Het aantal slachtoffers is nooit duidelijk geworden. Van den Berg houdt het op 'hooguit vijftienhonderd'. 'Dat is in de Chinese beleving niet veel. Leiders offerden soms miljoenen mensen. Zoals Mao pleegde te zeggen: revolutie is geen dinner party.'

Zijn emoties van destijds omschrijft Van den Berg als 'heftig, zowel bij mij als bij mijn echtgenote'. 'Er heerste een geweldige droefheid. Iedereen had een enorme kater, dat merkte je op straat.'

Zijn vrouw gaf er uiting aan door in 1990 door Peking te rijden met een protestbord in haar auto: 'Vorig jaar was het hier nog lente.' Voor hem als ambassadeur was dat 'een beetje pijnlijk, maar ik begreep het wel'.

Zelf vond hij dat hij geen emoties behoorde te tonen: 'Anders kun je als diplomaat niet goed functioneren. Bovendien was duidelijk hoe we over het bloedbad dachten. De regering (onder leiding van Lubbers, red.) was tegenover de Chinese ambassadeur buitengewoon fel geweest.'

Een politieke en economische boycot was het gevolg van het bloedbad: 'Een jaar lang gebeurde er niets. Dat veranderde toen Lubbers na anderhalf jaar Norbert Schmelzer uitzond. Daarna volgde een privé-handelsdelegatie onder leiding van Fons van der Stee (ex-minister van Financiën, red.). De Chinezen deden in die gesprekken alsof de studenten criminelen waren geweest. Vooral mijn vrouw zat er dan met kromme tenen bij. Schmelzer had daar meer geduld voor. Zo zijn de contacten langzaam weer op gang gekomen.'

Wat Van den Berg bij de verwerking heeft geholpen, was dat hij in de jaren daarna heeft kunnen zien 'hoe de Chinese samenleving zich herstelde'. Sommige westerse ambassadeurs zijn kort na het bloedbad overgeplaatst. 'Zij zijn meer getraumatiseerd. Ik heb gezien hoe de Chinees, de Chinese cultuur, na het incasseren van ongelooflijke klappen toch weer vitaliteit toonde. Men accepteerde dat het leven zo in elkaar zit. Je zag mensen proberen het leven weer leefbaar te maken door intellectuele vrijheden op te zoeken. Dat vind ik erg positief.'

Terugblikkend benadrukt de sinoloog vooral hoeveel ten goede is veranderd. Dat de roep om democratie sinds die dagen nauwelijks meer is gehoord, is volgens Van den Berg niet het hele verhaal. Om China te beoordelen, heb je een langer blikveld nodig. 'Toen mijn ouders in 1922 naar China kwamen, vonden er openbare executies plaats. Dan renden de kinderen naar voren om deeg in het bloed te soppen, omdat het ze kracht zou geven. En in de jaren zestig was het onmogelijk een Chinees op straat aan te spreken.

'Als je dan ziet hoever China nu is. De economische vrijheid betekent kunnen reizen, in het buitenland kunnen studeren, zaken die vroeger ondenkbaar waren. En de mondigheid is enorm toegenomen. Lokaal demonstreren Chinezen voortdurend tegen milieuproblemen en corruptie. Ook dat kon vroeger niet.'

Mocht China ooit een democratie worden ('en het is de vraag of dat gaat gebeuren') dan zal die 'een vorm krijgen die wij niet kennen'. Van den Berg verwijst naar andere Aziatische landen als India en Japan, waar de democratie 'ook anders functioneert dan wij gewend zijn'.

Wel zal China met 4 juni in het reine moeten zien te komen. Nu rust er een groot taboe op en arresteert de overheid rond de herdenkingsdatum activisten. Volgens Van den Berg is een andere kijk op Deng, de opdrachtgever van het bloedbad, een eerste stap. 'Van Mao wordt officieel gezegd dat hij voor 70 procent goed was, maar voor 30 procent slecht. Het respect voor Deng is nog zo groot dat hij buiten schot is gebleven.'

Gemeten naar het aantal doden zou het bloedbad een kleine plek in de Chinese geschiedenis innemen, zegt Van den Berg. Bij de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie verloren miljoenen hun leven. Het taboe, dat de partijtop in stand houdt, maakt het bloedbad paradoxaal genoeg groter.

Van den Berg leidt daaruit af dat China minder autonoom is dan het zou willen zijn. 'Dat leiders bij tijd en wijle zoiets drastisch moeten doen, wordt in de Chinese geschiedenis geaccepteerd. Omdat wij de gebeurtenissen niet vergeten en ze ook in Hongkong ieder jaar worden herdacht, blijft het onderwerp in China resoneren. Die wisselwerking toont de grote invloed van het westen op China.'

undefined

Meer over