Oogcontact

Ik weet nog goed dat ik hem voor het eerst zag. Het was in Den Haag, waar ik een tijd woonde....

'Een kantoorklerk, een vertegenwoordiger in naaimachines', dacht ik. Zijn jagende blik, zijn wat corpulente figuur en de gedateerde vitrage vielen me op. Ik liep wat haastiger door, maar hield m'n blik nog een moment op de gluurder gericht. Hij stond nu aan de andere kant van het raam. Het zal een uur of half drie geweest zijn en ik dacht: wat een korte benen heeft die man, en wat draait hij met z'n heupen. Een beetje nichterig.

In die tijd kwam ik dagelijks in het Bezuidenhout, omdat mijn verloofde nog niet geheel hersteld was van de drukte rondom de verhuizing naar haar nieuwe kamer. De dag nadat ik de man voor het eerst gezien had, sloeg ik wat nerveus de richting van het pension van m'n verloofde in. Hè bah, daar zat ie weer. Nu lette ik op zijn gezicht. Een wat dik gelaat, met aan de zijkanten enkele plukken grijs haar, en met rimpels die me een indicatie omtrent z'n leeftijd verschaften. Ik hield hem op een jaar of 58. Dat is oud, erg oud voor mij.

In de loop van de tijd betrapte ik me erop dat ik elke dag zo rond een uur of twee, drie steeds haastiger met m'n tekeningen uit Delft naar de kamer van m'n verloofde wilde, daarbij steeds nadrukkelijker de jagende blikken van 'de mysterieuze man van drie-hoog' ontwijkend. Ik kon hem wel wat doen!

Op een middag had ik met mijn verloofde en haar moeder pantoffels en stoofpeertjes gekocht. Met de tram reden we terug. De dames zaten achterin te kwekken, ik zat een paar banken voor hen. Aan het eind van de laan van de gluurder stapten we uit. Ik, snel als ik ben, liep vast vooruit. Bij de zolderkamer van de man gekomen, wendde ik het hoofd af, maar vanuit m'n ooghoek kon ik zien dat z'n kamer leeg was. Eenmaal op de kamer van m'n verloofde kreeg ik heel wat over me uitgestort: wie of die kwijlende vent wel niet was, die me zo nauwlettend volgde. 'Hij leek je wel op te willen vreten', voegde m'n aanstaande schoonmoeder er nog fijntjes aan toe. 'Hij keek naar je alsof hij je al veel langer kent. Je verbergt toch niets voor me?' Dat was m'n verloofde weer. Ik kreeg het benauwd en deed de riem van m'n spijkerbroek een gaatje losser. Ik weet nog dat ik er verder het zwijgen maar toe deed.

Een week later was het weer raak. Ik wilde een ruikertje voor Jannie kopen en. . . daar kwam m'n stille aanbidder aan. Ik deed of m'n neus bloedde en liep haastig door. Die ogen! En dat smachtende erin. Ik vóelde dat hij me nakeek en dat hij zichzelf afvroeg of ik wellicht hier in de buurt woonde.

Daarna meed ik het Bezuidenhout een tijdje. M'n relatie begon onder de situatie te lijden. Met Jannie huurde ik een stacaravanop de Veluwe.

Maar onlangs was het toch weer raak. Een uur later dan gewoonlijk liep ik langs. Daar zat hij weer. Z'n geraniums had hij opzij gezet om me beter te kunnen bekijken. M'n bloed begon te koken. Ik zou misschien maar moeten aanbellen en zeggen: 'Kén je wel! Je hangt me zo langzamerhand de keel uit' Maar misschien zou hij dat juist als een poging tot contact beschouwen.

Voor Jannie en mij begon het langzamerhand een nachtmerrie te worden. Gelukkig staat onze bruiloft voor de deur. Ik ben alvast naar Alkmaar gegaan. En met ons nieuwe huis daar zijn ze al druk bezig.

Ben Groninger, Alkmaar

In NL schrijven mensen over hun huiselijk leven. Dit is aflevering 229.

Meer over