Onzin, ik ben geen verkrachter

Drie jaar na het verschijnen van Lolita schreef de Amerikaanse criticus Lionel Trilling een lang stuk in Encounter, waarin hij de aandacht vestigde op iets wat tot dan toe door niemand was opgemerkt....

Strikt genomen, zo redeneerde Trilling, is Lolita een zeer ouderwets boek, het is letterlijk 'regressive'. In de ontrafeling van de erotische geobsedeerdheid van Humbert Humbert komen allerlei kwesties aan de orde die in de moderne literatuur hopeloos zijn verouderd, en die in het geval van een normale liefdesgeschiedenis uitsluitend als clichés zouden worden opgevat. Een oor, een enkel, een pols, de oogopslag, een verborgen gelaatsuitdrukking - de betovering daarvan behoort toe aan de hartstochten van het negentiende-eeuwse romanpersonage. 'With our modern reader's knowledge of the size and shape of the heroine's breasts, thighs, belly, and buttocks, these (details) seem trifling and beside the point.'

Trilling beoordeelde het boek als een product van wat hij noemt 'emotionele archeologie'. Zijn observatie dat in de recente literatuur (dat wil zeggen: die van de jaren vijftig) geen enkele vrouw met zoveel liefde en tederheid, gratie en gevoeligheid tot leven was gewekt als door Nabokov, zal niet meteen koren op ieders molen zijn geweest, maar zij zegt veel over het onderscheid dat tussen morele en literaire niveaus kan worden aangebracht. De moraal functioneert in Lolita louter als valkuil.

Wat Trilling niet wist, was dat er ook nog een 'proto-Lolita' bestond, een Russisch-talige novelle die door Nabokov in 1939 was geconcipieerd, maar nimmer in het licht gegeven. Volsjebnik (De tovenaar) verscheen voor het eerst in 1986, negen jaar na Nabokovs dood, in een Amerikaanse uitgave onder de titel The Enchanter. In hetzelfde jaar verscheen een Nederlandse vertaling bij Bert Bakker, die thans in een herziene versie opnieuw is uitgegeven als afsluiting van de complete werken van Nabokov bij de Bezige Bij.

Een mislukt boek, oordeelt Nabokovs biograaf Brian Boyd. 'Zelfs als Lolita nooit zou zijn geschreven, zou De tovenaar als een fiasco moeten worden beoordeeld. Hoe intelligent ook, de stijl van het verhaal slaagt er op eigen kracht niet in de ongerealiseerde wereld tot leven te wekken.'

Is dat zo? Het eigenaardige van De tovenaar is dat juist de stijl op zo'n krankzinnige manier de geestelijke wanorde van de protagonist weerspiegelt. Net als Humbert Humbert is dit een oudere man, verliefd op een meisje dat de puberteit nog niet heeft bereikt. Net als H.H. wordt hij volledig in beslag genomen. Maar anders dan in Lolita lijken de verwikkelingen een stuk overzichtelijker.

Om zijn doel te bereiken ontwerpt de hoofdpersoon een macabere regie: hij trouwt met de moeder van het meisje, van wie hij weet dat ze weldra zal sterven, teneinde op een onverdachte manier de voogdij te verkrijgen. Is dat eenmaal gelukt, dan neemt hij haar mee naar een hotel, waar hij haar in haar slaap overmeestert. Het slachtoffer wordt wakker, door angst overrompeld. De man vlucht het hotel uit en wordt op straat overreden door een vrachtwagen.

Waar het om gaat, is de onstuitbare opbouw van het gegeven en de groeiende waanzin die zich van Nabokovs personage meester maakt. De beschouwingen die hij al op de eerste bladzijden formuleert, als een commentaar op zijn seksuele geaardheid, zijn door hun ogenschijnlijk redelijke en logische gedaante aanvankelijk nog te lezen als een bewijs dat hij de mogelijke consequenties van zijn driften overziet. 'Onzin, ik ben geen verkrachter (. . .) Ik ben een zakkenroller, geen inbreker.' Maar naarmate de monoloog zich verder uitstrekt, wordt hij vaker onderbroken door argumenten die enkel berusten op zelfrechtvaardiging en de perverse logica die daaraan inherent is.

Het mengsel van schaamte en lafheid, van manipulatie en berekening tekent lijn voor lijn de monsterlijke trekken van de niet nader bij name genoemde hoofdfiguur. De weinige zakelijke biografische gegevens - hij is veertig jaar oud en van beroep juwelier - verzinken in een mist van quasi-oorzakelijke details, waarin zelfs de vertrekken en de meubelstukken na verloop van tijd beginnen te resoneren. Op het moment dat hem een kopje thee wordt ingeschonken, ontstaat een sinister breiwerk waarin taal en waarneming, geweten en bedrog over elkaar heen buitelen, en elk afzonderlijk element een onderdeel is van een gigantische rekensom waarbinnen de juwelier zijn kansen taxeert, alsof het de waardebepaling van een sieraad betreft. Dat leidt tot passages als de volgende:

'Aan het kopje thee dat ze voor hem inschonk, gaf ze iets verfijnds persoonlijks mee; in de zeer gedetailleerde verhalen over haar diverse kwalen wist ze zoveel romantiek te brengen, dat hij zich nauwelijks kon ophouden een grove vraag te stellen; en soms stopte ze even, schijnbaar in gedachten verzonken, om daarna, met een verlate vraag, zijn voorzichtig op de tenen lopende woorden weer in te halen.'

De opzet slaagt. Onder het mom van mededogen ontfermt hij zich over de ziekelijke moeder van het meisje, denkend dat hij in de rol van stiefvader dichter in haar buurt zal zijn. Hij telt de dagen die haar van haar dood scheiden, en wanneer ze in het ziekenhuis haar laatste operatie heeft ondergaan, dreigt even de kans dat ze zal blijven leven. Met die mogelijkheid wordt dan al geen rekening meer gehouden, en de razernij die zich aan de juwelier voltrekt als haar dood met enkele uren wordt uitgesteld, staat al lang in geen enkele verhouding meer tot de geheime bedoelingen van zijn gedrag.

Het is de razernij van iemand die zich ervan bewust is dat hij wegens zijn gedrag naar een werkkamp kan worden gestuurd ('hoewel overigens dwangarbeid nu beter is dan een smeerlap in de toekomst'), maar het verloop van de gebeurtenissen zodanig weer te orkestreren dat hij zijn schuldgevoel met mechanische precisie voor zich uit weet te schuiven. Niets is bij Nabokov zonder symboliek, en de zwarte anonieme vrachtwagen ('de grijnzende megadonderende massa') waaronder de man in de laatste alinea wordt verpletterd, vormt de exacte tegenpool van het netwerk van schuld en afrekening dat hij in zijn obsessie heeft aangelegd. Alleen het volledige contrast is in staat de grijns op het gezicht van het geweten ongedaan te maken.

Meer dan Lolita is De tovenaar een verhandeling over wat zich voltrekt in de geest van iemand die er elk moment rekening mee houdt betrapt te kunnen worden. In hun obsessie zijn Humbert Humbert en de tovenaar gelijkwaardig, en kan De tovenaar inderdaad als een soort voorstudie worden beschouwd. Het grote verschil is dat Lolita zich afspeelt op het niveau van de taal, van de humor, van de woorden die worden gekozen, terwijl diezelfde woorden bij de lezer van De tovenaar alleen maar huivering en afschuw teweegbrengen. Want achter de schijnbaar onschuldige taal, verbergt zich de tronie van de slechtheid. Lolita is ouderwets en vertrouwd. De tovenaar is van hetzelfde gegeven de horrorvariant.

Vladimir Nabokov: De tovenaar. Uit het Russisch vertaald door Marja Wiebes. Nawoord Dmitri Nabokov. De Bezige Bij, ¿ 29,90.

Meer over