Onze Lieve Vrouw met de Inktpot

Honderdeneen bedevaartplaatsen in Nederland zijn uit de stilte gehaald. En daarmee ook eeuwen volksvroomheid, die de theologie aan de geleerden liet en het kleine verkoos boven het grote....

Over het geduld van de stenen en houten heiligen, in hun nissen en op hun altaren in kerkjes en kapellen, is nooit geschreven. Zij staan hun eeuwen uit, wachtend op vereerders. Op zeshonderd plaatsen stonden zij vaak vier, vijf eeuwen lang te wachten, Maria bijna altijd glimlachend ondanks de last van een goddelijke zoon, sommigen wat bedrukt, wachtend op de nacht: ze konden weer in zichzelf keren. De meesten zijn vertrouwd met hun kleine wereld, alleen Gerardus Majella, die huisknecht van alle grote heiligen, niet. Hij stoft vreemde zielen van hun kleine kwaad schoon. Uit dankbaarheid worden kaarsen voor hem ontstoken, snippers goddelijk licht.

Het geduld van de eenzamen is nu in beeld gebracht en beschreven. Honderdeneen bedevaartplaatsen zijn in een schitterend boek in hun betekenis, hun geschiedenis, hun bloei en nabloei uit de stilte gehaald. En daarmee ook eeuwen volksvroomheid, die de theologie aan de geleerden liet, het kleine verkoos boven het grote.

Weinigen zullen niet zonder grote vertedering de laatste bedevaartplaats in het boek, die van Thomas a Kempis in Zwolle, verlaten, de heiligheid aan de stilte latend, misschien met de gedachte aan de eerste pelgrims uit de christelijke geschiedenis: de herders van Bethlehem, geroepen naar het eerste bedevaartsoord: een onooglijke stal, gering als vele pelgrimsoorden later.

Het begin is bijna altijd een wonder – een beeld wordt gevonden, bijna altijd door eenvoudigen – en ter verering een kleine gemeenschap binnengedragen. De geschiedenis is die van wonderverhalen; geestelijke en lichamelijke genezingen. De geschiedenis is er ook een van verloop; na de hogere middeleeuwen is de 19de, vroeg-20ste eeuw er een van intense vroomheid, pelgrims stromen toe, veel Mariabeelden laten nu nog de verlegenheid zien om zoveel aandacht.

Na 1960 worden de meeste heiligen overgelaten aan hun geduld. De kerken lopen leeg en de volksvroomheid komt op straat te staan en alle vlaggen en vaandels verdwijnen in de kelders. Uit de kaalheid van ontheiliging en sloop kwamen de laatste jaren pelgrims en processiegangers als eersten weer tevoorschijn. Het geduld van de beelden werd beloond.

101 Bedevaartplaatsen in Nederland is afgeleid van het vierdelige standaardwerk Bedevaartplaatsen in Nederland onder redactie van Peter Jan Margry, van het Meertens Instituut in Amsterdam, en Charles Caspers, van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Voor de meer populaire editie kregen de twee auteurs steun van van de historicus J. Brouwers, die de verhalende toon meebracht en daarmee net iets te veel aan gemeenplaatsen. Hoeveel keer er wel niet ‘nieuw leven wordt ingeblazen’ (toch een uitdrukking om zuinig op te zijn) weet ik niet meer.

Volksvroomheid is volkscultuur. De laatste houdt de eerste in stand. Dat de bedevaarten en processies aan de geschiedenis werden overgelaten, moet mede met het verdwijnen of veranderen van de volkscultuur, ten gevolge van een nivellering naar boven, te maken hebben. Die bracht een gelijkheid mee die ten slotte in een vorm van vereenzaming resulteerde. In de voelbare kou werd niet het geloof of de kerksheid maar de volkse vroomheid, met haar troostende folklore, hernomen. Men vond elkaar weer, schuchter en voorzichtig (in de glorieuze Mariakapellen van Den Bosch en Maastricht was het gemurmel evenals het kaarslicht nooit gedoofd).

De 101 verhalen lijken veel op elkaar. Het wonder kent niet het vernuft van de variatie. De gelijkheid was natuurlijk ook een bewijs van authenticiteit. De heiligen en de wonderen kennen hun rituelen. Daarmee zijn we, denk ik, aan de kern: de pelgrimage en de processie zijn strikt ritueel gebonden; alles herhaalt zich jaarlijks; die herhaling is de kracht geweest van de volksdevoties, juist door het bindend vermogen ervan. Niet vanuit de mildheid van Rome, maar vanuit de geest van de puriteinen, is de volksvroomheid als ‘bijgeloof’ afgedaan. Een beschadiging van het woord ‘bijgeloof’, die verzameling steunberen van schip en koor. Het bijgeloof heeft het geloof in stand gehouden! De zijdeur is de ware toegang tot het kerkgebouw.

De bedevaartplaatsen zijn alfabetisch geordend. Aardenburg, met zijn onze Lieve Vrouw met de Inktpot is meteen een prachtige opening. Amsterdam met zijn Mirakelsacrament, zijn middeleeuwse processies, de stilte van na de reformatie die ten slotte overgaat in de zichtbare stilte van de jaarlijkse Omgang, is niet ver.

Een wonderplaats midden in een stad – de Kalverstraat – dat is zeldzaam. De heiligen zoeken dorpen en gehuchten, zoals het boek bewijst. Amsterdam kent een tweede bedevaartoord: dat van De Vrouw van alle volkeren, pas in de vorige eeuw ontstaan. De geschiedenis ervan laat een moderne (maar ook lachwekkende en afstotende) variant van oude verhalen zien. Het verhaal zal ook daarom zijn opgenomen. (Tussen de schuifdeuren in Amsterdam-Zuid wordt Maria een dogmatische dwingeland.)

Het volksgeloof waaiert uit over heel Nederland, al is Maria toch het meest zichtbaar in de zuidelijke provincies, dichtbij bij België, volgens Gerard Reve zo zeer het land van haar voorkeur, dat zij er een vliegverbod kreeg.

Het boek is rijk geïllustreerd, maar rijke foto’s staan er niet in. Plaats, kapel, beeld, pelgrims, ze zijn van een ontroerende eenvoud. Het is in enkele opzichten een volksboek bij uitstek en als zodanig ook echt rooms, hoezeer het ook in de studie van de Nederlandse volksgewoonten past. Eén bedevaartsplek past niet in het boek: het klooster in Echt waar Edith Stein tot haar deportatie woonde. Ook na haar dood had men haar haar eenzaamheid moeten gunnen en de grootse ruimten van mystiek en beschouwing. Zelfs de paus had haar in haar eeuwige cel moeten laten.

Het mooiste stuk is dat over Broeder Everardus, het heilig bruurke van Megen. Hij personifieert de geest achter dit boek: alleen in het kleine is het grote direct te vinden. Ik moet hem eens opzoeken.

Meer over