'Onze Lieve Heer vliegt de kerk uit'

Verbitterd verwijderde Aad de Haas op Goede Vrijdag 1949 zijn kruiswegstaties uit het Sint Cunibertuskerkje. Zijn schilderingen waren 'De schande van Wahlwiller' en Rome had zijn misnoegen geuit....

PAUL DEPONDT

'Waar Wahlwiller ligt, zullen in het Noorden des lands niet veel mensen weten.' Zo begon in 1949 de kunstcriticus Jan Engelman een krante-artikel in De Tijd over 'het kleine bedehuis' van Wahlwiller en over de door het Vaticaan en de bisschop van Roermond veroordeelde kerkschilderingen van Aad de Haas. Het dorpje ligt vlak bij de grens van Duitsland, terzijde van de weg van Maastricht naar Vaals.

'Het is op het ogenblik zo zoet en mooi in Zuid-Limburg', schreef De Groene Amsterdammer tijdens de paasdagen van 1949, 'dat je het er soms benauwd van krijgt.' De bomen bloeien en de witte wegen glanzen, berichtte het blad, alles geurt en fleurt op een onwaarschijnlijke manier. Het kerkje, dat vroeger tijdens de Beeldenstorm gruwelijk werd geplunderd, was in die paasdagen opnieuw het toneel van een kleine godsdienstoorlog. Het dorp telde toen amper vijfhonderd inwoners. De 'vredigheid', meende de verslaggever van De Groene, was voorbij. 'Naar uiterlijk nog wel, maar onder de oppervlakte hier thans hartstochten. De bron daarvan ligt in die kerk.'

Op Goede Vrijdag van dat jaar, nu bijna vijftig jaar geleden, baden de godvruchtige gelovigen van het Zuid-Limburgse dorpje in hun Sint Cunibertuskerkje een laatste kruisweg. Bijgestaan door de toenmalige dorpspastoor Jacques Mullenders verwijderde de schilder De Haas die vrijdag zijn fel omstreden en door het bisdom gewraakte kruiswegstaties, die door critici in het Limburgs Dagblad en het gepantserde Jezuïetenblad De Linie 'de schande van Wahlwiller' waren genoemd.

'Nu voegen ze in Wahlwiller een geheel nieuwe statie aan mijn kruisweg toe', verzuchtte de verbitterde maar strijdvaardige schilder bij het allerlaatste lijdenstafereel. 'Onze Lieve Heer vliegt de kerk uit.' Manmoedig had hij twee jaar lang de meest venijnige aanvallen van kwaadwillige critici en prelaten moeten doorstaan. Uiteindelijk verloor hij de strijd, en verwijderde zelf zijn kruisweg. Het mag een wonder heten dat de overige taferelen niet meteen met de witkwast zijn overschilderd. De Haas, die erover dacht de staties te vernietigen, verkocht zijn kruisweg - naar verluidt 'voor een fooi' - aan het Maastrichtse Bonnefantenmuseum.

Sinds 1980 hangen ze weer in het Cunibertuskerkje. Negen jaar later werden de kruiswegstaties door de minister van WVC geplaatst op de lijst Wet Tot Behoud Van Cultuurbezit, 'zowel om redenen van cultuurhistorische als kunsthistorische aard'. Het Heilig Officie in Rome sprak in 1949 zijn misnoegen over de schilderijen uit tegenover het bisdom Roermond. De affaire-De Haas was, naast een rel tussen de schilder en de bisschop, ook een belangrijke kunsthistorische gebeurtenis. De felle discussie, zowel van kerkelijke als niet-kerkelijke zijde, markeerde 'de doorbraak' van de moderne kunst in Nederland.

Het parochiekerkje, dat in opdracht van de pastoor door De Haas in 1946 was beschilderd, was sinds dat jaar de bühne van een weinig verkwikkende affaire. De schilderingen van De Haas, 'de meester van de schande', werden op verzoek van het hoogste kerkelijk gezag van het diocees Roermond uit het kerkje verbannen. Het waren, zo lichtte bisschop Lemmens zijn bevelschrift toe, 'geen geschikte devotie-objecten voor eenvoudige dorpelingen'. Rome had gesproken. Het dorpje was door zijn kruisgang in opspraak gekomen.

Het Vaticaan heeft nu, na veel wikken en wegen, zijn mening herzien. Bisschop Gijsen, die de kruisweg vergeleek met 'de kunst van de eerste christenen in de catacomben van Rome', zette in 1981 de eerste stap op weg naar een volledige rehabilitatie van De Haas en van zijn in 1949 afgewezen kruisweg.

Op Paasmaandag 8 april, precies 47 jaar na de bange Goede Vrijdag van Wahlwiller, sprak bisschop Wiertz ten overstaan van De Haas' weduwe zijn spijt uit. In zijn toespraak noemde hij de kruisweg van De Haas 'zijn droom van de verrijzenis'. Maar aan die verrijzenis ging een jarenlange lijdensweg vooraf, die De Haas tenslotte deed verzuchten: 'Ik ben een gelovig katholiek, maar als ik voortaan de religieuze diensten van een bisschop van node heb, zal ik mij tot het bisdom Luik wenden. Van de Roermondse kerk wens ik geen deel meer uit te maken.'

Het waren bewogen jaren in Wahlwiller. Al vanaf 1946, toen De Haas met het beschilderen van het kerkje begon, stootte hij op venijnige critici en op een weifelende dorpspastoor. Die had, als hij de vorderingen zag, steeds weer kritiek op de passietaferelen. Ze waren nu eens te wild en te afgrijselijk geschilderd, dan weer te wazig of te groen, en soms was hij ook tevreden. Pastoor Mullenders van Wahlwiller was een erg labiele figuur.

Plots was het kleine en anders vredige dorp, dat met zoveel adjectieven in De Groene Amsterdammer was beschreven, het middelpunt van een querelle des anciens et des modernes. Het werd het strijdtoneel tussen voorstanders van De Haas' moderne interpretatie van het lijdensverhaal en 'wanbegrijpelijke' scribenten die de 'ontaarde' muurschilderingen en de 'beledigende' kruisweg weg wilden.

De kerk werd zelfs een toeristische attractie. Op vrije dagen en zondagen, schreef zijn vriend Jules Kockelkoren in een brief aan De Haas, 'staat voor de kerk een compleet wagenpark van de luxecars der vele bezoekers'. De hetze die in kranten en tijdschriften was ontketend, wekte de belangstelling van vele duizenden gelovigen die naar het door de dorpspastoor verguisde werk kwamen kijken. In de ogen van veel bezoekers waren het allemaal apetronies, apekoppen en cyclopen. Het was steeds hetzelfde liedje. Wekelijks zaten tientallen mensen op het grasperkje nabij het kerkje en 'bij hun boterham', schreef De Groene, 'lachten ze nog eens na over de gekkigheid'.

Ze zagen er de kunstenaar tussen zijn verfpotten en kwasten op een steiger aan het werk. De Haas was een kleine en robuuste man met kraaieogen en een rood ketelbinkiebaardje. Hij was Rotterdammer. De Haas was er in 1920 geboren. Hij liep graag rond in een bruine toga met wit koord van de heilige Franciscus. De Haas was een vroom maar ook opstandig en bijwijlen revolutionair iemand. Toen hij in zijn jeugd op een dag, zoals altijd present bij de kerkdiensten, door de dorpspastoor op de voorste rij werd gezet, weigerde hij aan de koster het 'kerkegeld van de eerste rang' te betalen. Dat de pastoor hem vooraan zette, vond hij best, maar daarvoor extra betalen wilde hij niet. De kerk was al rijk genoeg, vond De Haas.

Doorgaans deed hij zijn werk in zijn versleten Franciscaanse pij, terwijl zijn sjofel geklede vrouw uit de bijbel voorlas. Dat zag de pastoor. Staande op de steigers zag De Haas het papiergeld naar de pastorie verdwijnen; de achtergebleven munten en nikkelen dubbeltjes waren voor hem bestemd. De Haas was woedend. 'Als iemand aan mijn opdrachtgever zegt: pastoor, zo'n kerk mot toch duur wezen en de baas antwoordt: o, ik geef die arme hals af en toe zo'n vijftig gulden, 't is 'n asceet, dan mot ik haast kotsen van een volle pens, die ik van zo iets krijg.'

De inwoners van Wahlwiller, die voortdurend de werkzaamheden in hun kerk volgden, reageerden positief op de schilderingen. Als geheel, als compositie in kleuren, vond iedereen het eigenlijk mooi - behalve dan de dorpspastoor. De Haas kende de gelovigen, die voor zijn kruisgang in gebed waren verzonken, een actieve rol toe. Daarom zijn de personages op de kerkmuren en op de kruiswegstaties uiterst wazig geschilderd. Ze hebben embryonale en gedeformeerde gezichten. De schilderingen zitten ook vol verwijzingen. De Haas toonde zijn visie op de bijbel en op het passieverhaal. Een dichtgeslagen paraplu van een van de wenende vrouwen is een duidelijk teken van onmacht. De hond, die op meerdere staties staat afgebeeld, symboliseert de onvoorwaardelijke trouw van een dier aan zijn meester wanneer zijn vrienden hem in de steek hebben gelaten.

De Haas schilderde de drie vallen van Christus tijdens zijn calvarietocht op drie verschillende wijzen. In zijn lijdensverhaal valt Christus maar een en niet drie keer onder het kruis, zoals op tradionele kruisgangen. De tweede keer laat De Haas Hem òp het kruis vallen. De lijdende Christus, wil De Haas ons zeggen, heeft zich met zijn kruisdood verzoend. De derde keer is het kruis zelfs weggelaten. Redding is niet meer mogelijk. Christus is verworden tot de worm waarover de Schrift spreekt.

Naarmate zijn kruisgang vorderde, werden de kleuren grimmiger en dreigender. In het tafereel op de Calvarieberg boven het altaar, omgeven met rouwende engelen, overheersen de droevige tinten blauw en paars. Hij schilderde de vier apocalyptische ruiters, dood, honger, oorlog en pest. Het was zijn wereld, de wereld van een onbegrepen man.

Niet alleen Rome wilde zijn vel. De Duitsers en nazi-sympathisanten hadden al eerder De Haas 'een ontaarde schilder' genoemd. In de Osservatore Romano, het dagblad van het Vaticaan, hield Mariano Cordovani een vertoog waarin hij aantoonde dat De Haas' werk onchristelijk was. 'Het enige verschil met de nazi's', zei De Haas ooit, 'is dat ze de nagels niet van je poten af trokken. Er werd beweerd dat ik de menselijkheid van Christus geweld had aangedaan. Ja, ik had te weinig gedacht aan de vijgenblaadjes-erotiek van het Vaticaan.'

Op een dag ontdekte een NSB'er een etsje met twee kijvende wijven die op twee minuscule colliertjes twee hakenkruisjes droegen. De Haas maakte meer van dat soort anti-nazistische prenten. Op een van zijn tekeningen bespringen drie afzichtelijke wezens de wereld. Achter de tronies gingen Hitler, Goebbels en Goering schuil. De Haas' werk, dat tijdens de bezetting al snel entartet werd verklaard, was in de ogen van de nazi's 'boosaardig en beledigend'. Een Gestapo-beambte maakte een rapport over zijn tekeningen en zijn schilderijen en concludeerde dat 'de mensheid zo humaan mogelijk van deze ontaarde kunstenaar bevrijd moet worden'. De Haas werd een half jaar in 't Haagse Veer gevangen gezet. Hij werd echter niet gedeporteerd.

Op onverklaarbare wijze kwam hij echter vrij en dook onder in een boerderijtje in het Zuid-Limburgse Ingber bij Gulpen. Hij kreeg er hulp van pater Mathot, die later een van zijn beste vrienden zou worden. De Haas was straatarm. Wekenlang at hij alleen maar aardappelen die op de gerooide velden rond Ingber waren achtergebleven.

Na de oorlog kreeg De Haas, na bemiddeling van pater Mathot, opdracht het kerkje van Wahlwiller met muurschilderingen en kruiswegstaties tot nieuw leven te brengen. Hij toog aan het werk. Hij ging zo zeer met verf en kwast in het drama op, dat hij 'zich niet meer als toeschouwer maar als deelnemer zag'. Dat was het begin van zijn lijdensweg.

Voor zijn schilderingen heeft De Haas nooit ontwerpen of voorstudies gemaakt. Hij bepaalde ter plaatse de kleuren. Soms liet hij zich leiden door de stemming van de dag, en mengde rose en violet of rood met wit. Het is allemaal met de tamponkwast geschilderd. Het tamponeerwerk deed ijle wolken van in elkaar opgaande kleuren ontstaan, 'transparante guirlandes van opstijgend wierook, subtiele lichtstreepjes en tere druppels tranen'.

De Haas volgde de in de 'gewijde kunst' gangbare 'leer van het gevoelde lichaam'. De werken in het Cunibertuskerkje roepen op 'tot concentratie, inkeer, bezinning en meditatie'. Een kerkelijke ruimte, zegt de leer, 'noodt uit tot gebed'. Bomers, de bisschop van Haarlem, noemde het kerkje van Wahlwiller 'een kerk om te bidden'.

De Haas, zeiden zijn tegenstanders echter, 'ontkleedt het heilige'. Het was tè extravagant. Dat kon niet in een kerk. Hitlervereerder en kunstcriticus Albert Kuyle, lid van de nationaal-socialistische groepering Zwart Front en tijdens de oorlog van het 'genazificeerde' Verbond van Nederlandse Journalisten, veroordeelde in het Limburgs Dagblad het werk van De Haas. De kruisgang had hij niet in de kerk bekeken, maar kende hij van foto's. 'Ik vind deze afbeeldingen onnozel en onmachtig en daarom hinderlijk', schreef Kuyle, 'ronduit ontoelaatbaar'.

In het weekblad Omhoog van het aartsbisdom Utrecht insinueerde hij dat de kerk dit soort kunst eigenlijk hoort te verbieden. 'Deze technisch volkomen onbenullige drooggedopte, vormeloze rijtuigschilderknulligheid laat niets aan iets heel', beweerde Kuyle. 'Eerst als het voldoende lelijk, plat, inhoudloos en schabloonachtig is geworden, als het voldoende in de sfeer van een gangwand in een huis met afgekookte koollucht getrokken is, ligt het den heer De Haas. . . Ik ben er hartstochtelijk en volstrekt van overtuigd dat de bezigheden van den heer De Haas in strijd zijn met alle bestaande en denkbare kerkelijke bepalingen.'

De Haas schilderde scheve koppen, zeiden de critici. Alles wat hij maakte, was verwrongen, afgrijselijk en verwerpelijk. De pastoor, die achter de rug van de schilder om een enquête hield onder zijn parochianen, zag de kruisweg het liefst uit de kerk verdwijnen. De Haas attaqueerde: 'Komen er nu ook nog enquêtes over Gregoriaans of operamuziek dan wel miswijn of een likeurtje?' De dorpspastoor schreef een brief aan de Bisschoppelijke Bouwcommissie. 'Ik kan me persoonlijk moeilijk verenigen met de dierenkoppen', schreef hij. De Haas reageerde furieus. 'Ze mogen alles van me pikken behalve m'n vrouw en m'n werk. Koppen blijven' Hij geloofde in een complot. 'De clique heeft z'n zin. Ze hebben met de commissie weten te scharrelen.'

Kuyle had de smaak duidelijk te pakken. De Haas illustreerde een boekje met lijdensmeditaties van pater Mathot, In Jesus' lijden, met acht linosnedes die het lijden van Christus verbeelden. In De Linie schreef Kuyle dat 'de kerk deze kunst moet verbieden'. Dat drong door tot Vaticaanse topfunctionarissen, onder wie kardinaal Ottaviani, hoofd van het toenmalige Heilig Officie, en diens naaste medewerker, de Nederlandse jezuïet pater Sebastianus Tromp. De schilder riep de toorn van de Romeinse prelaten over zich. De krantestukken van Kuyle werden blijkbaar door het Officie gretig gelezen. 'Het enige dat ik wil, is werken', reageerde De Haas op Rome. 'Ik haat al dat krantengeschrijf, al die sensatie rond mijn persoon en mijn werk. Ik schilder zoals ik schilderen moet, of men dat nu mooi of lelijk vindt kan mij geen biet schelen'.

In april 1958 begon De Haas met de beschildering van de kapel van het Sint Jozefziekenhuis in Heerlen. Zijn kerkschilderingen in Heerlen veroorzaakten geen rellerige toestanden à la Wahlwiller. Maar de kruisweg van het Sint Cunibertuskerkje bleef een 'ontaard werk'.

In de encycliek Mediator Dei werden door de paus werken als die van De Haas 'misvormingen en verkrachtingen van de gezonde kunst' genoemd, 'menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid'. De Kruisweg, schreef de dominicaner pater Molkenboer over de kruiswegstaties van Jan Toorop, 'is het neteligste probleem van de Christelijke Kunst'. In België waren eerder de kruiswegstaties van Albert Servaes uit de kerk van Luijthagen verwijderd, omdat de schilder het lijdensverhaal 'menselijk, al te menselijk' had weergegeven. De kerk wil geen expressionisme, maar een art sacré waarin de Christusfiguur triomfeert als de redder van het mensdom.

Engelman van De Tijd ging kijken naar de schilderingen in de kerk van Wahlwiller. 'Ik kon helaas niet alles goed zien in de half-donkere kerk', schreef hij in het blad, 'en mijn zilverbon in de collectebus vermocht maar een enkel electrisch lampje te doen ontsteken. Doch de conclusie schijnt wel gewettigd, dat een haastig afbrekend oordeel hier geen pas geeft.'

Ook de schrijver Anton van Duinkerken kwam voor de schilder op. 'Als die 28-jarige jongen uit Rotterdam een schaap is', riep Van Duinkerken, 'dan ben ik een ram. Men wete het.' En hij voegde er aan toe: 'Voor Aad de Haas wil ik best een ketter genoemd worden.'

Ongewild werd het dorpje als het ware het toneel van vernieuwingen in de beeldende kunst. De 'doorbraak van de moderne kunst' in Nederland, tussen de jaren 1945 en 1951, ging niet zonder slag of stoot. De Cobra-tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum en de wandschildering van Karel Appel in de kantine van het stadhuis ontlokten bij het publiek nog hoofdschuddende tot woedende reacties. De kwestie-Aad de Haas is illustratief voor de geest van die tijd.

In 1976 trad pater Debets van de Minderbroeders Conventuelen aan als pastoor van Wahlwiller. Zijn voorganger, pastoor Janssen, de onmiddellijke opvolger van Mullenders, vond dat 'de witkwast er doorheen moest'. Pastoor Debets echter was een wijs man. Hij verdiepte zich in de kunst van De Haas. Steeds meer kreeg hij waardering voor het werk van de schilder. Met lede ogen sloeg hij het verval van de overgebleven kunstwerken in de kerk aan. De schilderingen zaten onder dikke lagen roet van offerkaarsen.

In 1979 kon dank zij zijn inzet het kerkje ingrijpend worden gerestaureerd. Het jaar daarop werden de kruiswegstaties herplaatst. De Haas echter heeft het kerkje sinds dat Goede Vrijdag-drama nooit meer bezocht. De rehabilitatie van zijn werk heeft hij niet mogen beleven. De verbitterde schilder overleed in 1972.

Meer over