Onwetende ben je van de helft van de cultuur

Rudy Kousbroek heeft mij in vele jaren op vele gedachten gebracht, ook van sommige gedachten afgebracht; hoe vergeefs zou zijn denken en schrijven zijn geweest als niet een aantal van de anathema’s zijn lezers had geraakt in wat een zachte kern bleek....

Kees Fens In het voorbijgaan

Hij schreef in NRC Handelsblad een klein artikel over de geniale wiskundige Luitzen Brouwer (1881-1966). Het verschijnen – eindelijk – van een postzegel met zijn portret was de aanleiding. Kousbroek noemde en roemde vooral Brouwers in 1907 verschenen proefschrift Grondslagen der wiskunde, een boek dat klassiek hoort te zijn, voor ieder die deelt in de beschaving en dus ook in de wiskundebeschaving. Misschien was de vanzelfsprekendheid van Kousbroeks gedachte wel het meest overtuigend. Toen ik het artikel uit had, stond ik buitenspel. Ik wist – en dat was het oude zeer dat hier weer actief werd – buiten de wiskundebeschaving te staan. De vorm van denken die die cultuur oproept, is mij altijd ontzegd gebleven. De plicht bijna tot deelname die Kousbroek mij oplegt, kan ik niet vervullen. In september 1942 moet ik dat al hebben geweten, want vanaf die maand wist ik mij buitenstaander, mindere en dus ook nogal ongelukkig. Ik kreeg in de eerste lessen wiskunde op het gymnasium geen vat op het vak. Zes jaar lang heeft dezelfde jezuïet op mij ingehakt, nooit een andere leraar dan deze nerveuze driehoeksdenker, ik kwam op steeds grotere afstand te staan van een wereld die ik zo begeerde te kennen. Mijn grondslagen der wiskunde zijn mokerslagen geweest. Toen ik al jaren van school was, zag ik de nu zeer oude leraar op het Amsterdamse Rokin mij naderen. Ik stak snel over, ook uit angst dat ik ter plaatse een loodvak in een cilinder moest projecteren, als op 5 juni 1948, in het donkerste half uur van mijn leven. Buitenstaander-zijn is natuurlijk vrij zwak. Onwetende ben je van de helft van de cultuur. Er zijn mensen bij wie je je een halve wetende of deelnemer voelt. Alfa en bèta zijn bij hen harmonisch verenigd, tot de omega zou ik haast zeggen. Alweer meer dan een jaar geleden werd ik geconfronteerd met een zeer geleerde arts. Met hem kwam zijn roem mijn kamer binnen. Wij raakten in gesprek en hij bleek, tot een vreugde die een ziekenhuiskamer mooi maakt, uiterst belezen te zijn in de literatuur en in geschiedenis. En dat als een vanzelfsprekendheid. Toen hij weg was, lag er een halve patiënt in het bed, een ‘typische alfa’ om die uitdrukking uit wat voor mij het invalidenjargon is, te gebruiken. Om die harmonie heb ik een schrijver als Vestdijk altijd in hoge mate bewonderd, met dat werk berekend als een barokconstructie en gevuld met grote denkbare gevoelens. Met een ‘typische bèta’ is het ook niet gemakkelijk leven. Hij is even half als zijn tegenpool. Maar, naar mijn ervaring, lijdt hij er niet onder. Wie vraagstukken kan oplossen, denkt de wereld in zijn greep te hebben. Alle melancholie tussen aarde en hemel heeft zich in de alfa’s vastgezet. Alleen de harmonie kent de mooie weemoed. Alleen degene die Rudy Kousbroek eens de werking van een 17de-eeuws instrument heeft horen en zien verklaren, zal zijn recht op de plicht tot lezen van Brouwers proefschrift erkennen. En mij wellicht een beetje begrijpen.

Meer over