Onverwerkt communisme

Terwijl Joschka Fischer zich publiekelijk voor zijn verleden moest verantwoorden, gaan de oud-communisten in Oost-Europa vrijuit. Ze hebben niet uit idealisme met een verkeerde ideologie geflirt, ze voerden die ook echt uit....

AAN TAFEL in Oost-Europa. Zoals zo vaak gaat het over politiek. Zoals zo vaak duikt een variant op van de volgende conversatie.

'Hebben die schurken van oud-communisten weer de verkiezingen gewonnen. En weet je dat nu al meer dan de helft van de private sector in hun handen is! Ze controleren nog steeds het hele land. En dat terwijl ze in de gevangenis zouden moeten zitten!'

'Hoho. Dat is wel heel simplistisch en emotioneel gesteld. Het communisme heeft bijna een halve eeuw geduurd. Je kunt toch moeilijk iedereen die toen iets van betekenis heeft gedaan in de gevangenis gooien.'

'Kijk, nu praat je net als de oud-communisten zelf. Doen alsof iedereen gecollaboreerd heeft. Alsof iedereen wel moest. Alsof er geen verschillen zijn!'

Terwijl Joschka Fischer zich publiekelijk voor zijn misstappen uit de jaren zeventig moest verantwoorden, vindt in voormalig communistisch Europa de afrekening met het verleden aan de eettafel plaats. En dat is eigenlijk niet goed geformuleerd. Aan de eettafel wordt de frustratie geuit dat die afrekening níet plaatsvindt. Want op het voormalige Oost-Duitsland na is de oude communistische elite in alle ex-Sovjetsatellieten opzichtig aanwezig.

Vergeleken bij die oude communistische elite is Joschka Fischer een oneindig verlicht figuur. Hij heeft uit idealisme met verkeerde denkbeelden geflirt. Hij heeft dat zelf ingezien. Hij heeft zijn fout gecorrigeerd. Hij durft daar in het openbaar getuigenis van te doen. En ook nog spijt te betuigen.

Nee, dan de echte communisten. Het is misschien iets te kort door de bocht te stellen dat ze zich alleen maar uit ambitie, opportunisme, machtswellust en zucht naar roem en aanzien in dienst stelden van een ideologie die niet deugde. Maar heel anders was het niet. Echte marxistische 'idealisten' waren door de communistische partij zelf reeds begin jaren vijftig in strafkampen opgeborgen. Het nieuwe partijkader was van een ander slag.

De nieuwe communisten flirtten niet alleen met een foute ideologie, ze voerden hem echt uit. Ze hebben daar na 1989 nooit enige vorm van spijt over betuigd. Integendeel: ze stelden alles in het werk om hun carrières te kunnen voortzetten. En daarin slaagden ze volledig.

Egon Krenz zal het lot vervloekt hebben dat hij werd geboren als Duitser en niet als Pool of Roemeen. Terwijl de voormalige communistische leider uit de DDR tot zes jaar cel werd veroordeeld, sleepten Aleksander Kwasníewski en Jion Iliescu een nieuwe ambtstermijn in de wacht. Als president van Polen. Als president van Roemenië. Kwasníewski en Iliescu die net als hij, arme Krenz, ooit een glansrijke carrière in de partij begonnen als voorzitter van de Communistische Jeugdbond.

Nu is het niet zo dat buiten de oude DDR niets aan verwerking van het communisme gebeurt. Overal zijn instituten voor de bestudering van totalitarisme. Overal zijn verenigingen van oud-politieke gevangenen. Overal liggen gevangenismemoires in de boekhandels. En behalve in Roemenië zijn overal wetten in werking getreden die prominente oud-communisten en medewerkers van de geheime diensten verhinderen belangrijke posities bij de overheid te bekleden. Maar die wetten werken op zijn zachtst gezegd selectief. Nergens is het gelukt een dominantie van oud-communisten in het politieke en het economische leven tegen te houden, laat staan hen in groten getale publiekelijk verantwoording te laten afleggen voor hun verleden.

Dat was ook onmogelijk, zeggen oud-communisten dan vaak met een ongedwongen lachje. 'Iedereen in Oost-Europa is immers oud-communist.' Maar dat is ten ene male onjuist. Er is een heel groot verschil tussen de biologieleraar die lid werd van de Communistische Partij omdat dat voor al het onderwijspersoneel verplicht was, en de diplomaat die werd uitgezonden naar de Verenigde Staten. Tussen de assistent in opleiding die promoveerde op Camus en die zonder partijpasje het universiteitsgebouw niet in kon, en de journalist van de staatstelevisie die mee mocht op dure buitenlandse reizen van de premier. Tussen de huisarts met verplicht lidmaatschap en de topambtenaar die bepaalde waar in een stad een prestigeproject zou worden opgetrokken.

Westerlingen met een aantal jaren ervaring in Oost-Europa kunnen meestal in een oogopslag aan een curriculum vitae - mits niet aangepast - zien of het hier een oud-epigoon van het regime betreft, of iemand die nu eenmaal in dat betreffende land woonde.

Het basismechanisme is namelijk simpel. Hoe hoger de sociale status van een positie en hoe omvangrijker de financiële vergoeding, hoe groter het aantal compromissen was dat met het regime moest worden aangegaan. Je hoefde niet te collaboreren, maar dat betekende in de praktijk meestal wel dat je arm en onaanzienlijk bleef. Een universitair docent die geen beurs voor het Westen kreeg en nooit hoogleraar kon worden. Een oogarts die maar de helft verdiende van zijn collega en van de ziekenhuisdirectie de slechtste spullen kreeg toebedeeld. Een publicist die niets kon publiceren en daarom als bibliotheekbediende zijn dagen sleet.

Compromissen aangaan was verleidelijk. Die verleidersmechanismen en de psyche van de collaborateur zijn misschien wel het best beschreven door de Tsjechische schrijver Ivan Klima, met name in Wachten op het donker, wachten op het licht. Klima werkte zelf in de jaren tachtig als straatveger.

M

EER toelichting bij de vraag waarom mensen collaboreerden, behoeft daarom misschien de vraag waarom mensen het níet deden. Niemand immers die vertelde dat het communisme in 1989 zou eindigen. Het kon nog wel honderd jaar duren. En je hebt maar één leven.

Velen deden niet mee omdat je niet over een fotografisch geheugen hoefde te beschikken om de conclusie te trekken dat de regimes niet deugden. De slechtheid was evident. De regimes verzwegen hun verleden, maar iedereen kende het. Iedereen kende mensen die niet uit gevangenissen en kampen waren teruggekomen.

De communistische regimes waren door de Sovjet-Unie in de tweede helft van de jaren veertig met geweld geïnstalleerd. Alleen in Tsjecho-Slowakije slaagde de Communistische Partij er in 1948 zelf in de verkiezingen te winnen. Niettemin voltrok zich daar in de jaren daarna een identiek proces als in de andere landen. De aan de democratie toegewijde politici werden weggezuiverd en vervangen door lieden die de orders van Moskou wel uitvoerden.

In een later stadium werden leden van de oude politieke klasse in strafkampen omgebracht, samen met priesters, schrijvers, wetenschappers en andere leden van de pre-communistische elite. Al die tijd waren de landen nog bezet door het Rode Leger. In de meeste landen bedraagt het dodental van de terreur tot 1964 meer dan honderdduizend. Na 1964 zwakte de terreur af en werd zij selectief. Het communisme was internationaal geaccepteerd. De meeste inwoners van Oost-Europa waren geïntimideerd en begonnen het op te geven. 'Wie niet tegen ons is, is voor ons', werd de leus van de partijen.

In de beginjaren lieten alleen lieden van laag allooi zich tot een compromis met de regimes verleiden. Vanaf begin jaren zestig gingen grote groepen dat compromis aan.

Dat wil niet zeggen dat daarmee de verstoring van de elite-vorming - van de selectie van de mensen die in de maatschappijen de belangrijke posten bekleedden - werd opgeheven. Die verstoring is het kernprobleem van voormalig communistisch Europa. Het zal tot ver in de 21ste eeuw duren voordat de gevolgen ervan zijn opgeheven.

In een wat geïdealiseerde beschouwing van de westerse maatschappij kan gesteld worden dat de selectie van mensen daar meestal geschiedt op grond van kwaliteit. Om een positie te bemachtigen, moet je daarvoor geschikt zijn. Zo gebeurt het dat iemand die niet kan tellen, meestal geen baan vindt als econoom. Dat lijkt een lachwekkend voorbeeld, maar in de communistische landen zaten echt economen op hoge posities die niet konden tellen. Het selectieproces was daar verstoord. Mensen werden niet geselecteerd op grond van de kwaliteit die zij te bieden hadden, maar op grond van de loyaliteit, de hoeveelheid compromissen die zij bereid waren met de regimes aan te gaan.

Zo kwamen de verkeerde mensen op de verkeerde plekken terecht. Het is de hoofdoorzaak dat communistische landen vaak zo beroerd bestuurd werden. Gekwalificeerde mensen werd in veel gevallen de toegang geblokkeerd. Als zij niet zelf weigerden zich in dienst van regimes te stellen.

Pas in 1989 werd de verstoring van de elitevorming opgeheven. Maar met de dominantie van de communistische elite was het toen niet afgelopen. Want de communisten gingen natuurlijk niet weg. Alleen de echte utopisten moeten in 1989 de illusie hebben gekoesterd dat de oude elite zich gewillig zou laten vervangen. Vervangen door wie? Door een oercommunistische elite die was gedecimeerd? Door een postcommunistische elite die nog niet bestond? Het was praktisch onmogelijk. Vijfenveertig jaar is lang. Leden van de communistische elite waren de enigen die de dagelijkse gang van zaken kenden. In de ministeries. In de staatsbedrijven. In de gerechtshoven. Oost-Duitsland was een uitzondering, omdat alleen hier een vervangende elite beschikbaar was, namelijk de Westduitsers.

De communisten gingen niet weg en lieten zich ook niet berechten. Ze offerden hier en daar wat mensen op om zichzelf van de oude regimes te distantiëren of om een illusie van een morele afrekening te scheppen. Maar de echte morele afrekening bleef uit. Opnieuw was de voormalige DDR min of meer een uitzondering. En dat gebeurde omdat alleen hier direct een vervangende rechterlijke macht in werking trad, die helemaal niets met communisme van doen had.

De communisten gingen niet weg en lieten zich ook niet marginaliseren. Ze bleven dominant in de politiek. Ze werden dominant op de nieuwe vrije markt. Maar zo moeilijk als inwoners van Oost-Europa het met die dominantie hebben, zo evident zijn de verklaringen ervoor.

De meest voor de hand liggende verklaring was de gunstige uitgangspositie waarin de communistische elite in 1989 verkeerde. Zij kende de weg in het bestuursapparaat. Zij kende de weg naar de financiële middelen. Om een partij op te richten. Om staatsbedrijven op te kopen. Om een nieuwe carrière te beginnen. Hun voorsprong op niet-ingewijden was enorm. Die waren in 1989 als dwergen buiten de muren van een citadel.

DAARNAAST was het psychologische profiel van de communistische elite algemeen gesteld dat van een groep die hechtte aan macht, geld, status en aanzien. Het was derhalve onwaarschijnlijk dat leden van zo'n groep al deze zaken zomaar op zouden geven. Zichtbare status, geld en macht noopten hen compromissen te sluiten die voor anderen onacceptabel waren. En dankzij deze compromissen slaagden zij erin posities te bekleden die zij vanwege hun veelal evidente mediocriteit in een vrij land nooit hadden kunnen bemachtigen.

De middelmatigheid van segmenten van de oude communistische elite is tot op de dag van vandaag een rem op de ontwikkeling van Oost-Europa, met name daar waar de grip van die elite het sterkst was, zoals in landen als Roemenië en Bulgarije. De oude elite snijdt een nieuwe elite de pas af. Die dominantie wordt versterkt door een niet te stoppen braindrain: de vele jonge hoogopgeleiden, de nieuwe natuurlijke elite, die naar het Westen vertrekken. Hierdoor ontbreekt het in veel landen nog steeds aan goede specialisten die de autoriteit hebben de maatschappij een vorm te geven.

Dat wil niet zeggen dat er niets verbetert. De communistische elite was niet homogeen. Met name de laatste vijf jaar wordt steeds duidelijker een scheiding zichtbaar tussen een redelijk gekwalificeerd deel dat zich aanpast, en een echt middelmatig deel dat dat niet doet, en zich daardoor steeds moeilijker kan handhaven.

Die dynamische communistische elite mengt zich in toenemende mate met de nieuwe postcommunistische elite. De dissidenten en de principiëlen zien dat met lede ogen aan. Net als voor 1989 verblijven zij vaak in de marge van de samenleving. Langzaam dringt het tot hen door dat het ook in een vrije westerse maatschappij niet de meest integere lieden zijn die de top bereiken. Dat je ook daar met ambities, opportunisme en ellebogen vaak meer bewerkstelligt dan met talent en principes.

'In een westers land was ik ook succesvol geweest', verklaarde onlangs een prominent zakenman in Boekarest, en daarin zou hij best gelijk kunnen hebben. Blijft het feit dat mensen als hij, veel meer dan mensen als Joschka Fischer, verantwoording moeten afleggen voor hun verleden. Ze behoren tot een categorie die de geschiedenis vrijuit laat gaan. Het is verklaarbaar. Het is de afgelopen drieduizend jaar wel vaker gebeurd. Maar het blijft treurig.

Meer over