Column

Onverwachts schuilen in de verlaten steegjes van het verleden

Regen in Amsterdam. Beeld anp
Regen in Amsterdam.Beeld anp

Omdat het opeens héél hard regende liep ik op goed geluk een winkel op de Overtoom binnen die 'De boezemvriend' heette. Ik kon me uit een grijs verleden een film met die titel herinneren; André van Duin speelde erin, met een beeldvullende bijrol voor de borsten van polderdiva Vanessa (die, tot mijn begrijpelijke ontreddering, eigenlijk Connie Witteman heet. Geen familie.)

André en Vanessa in De boezemvriend. Beeld
André en Vanessa in De boezemvriend.Beeld

Ongerust keek ik om me heen, maar het viel mee. Ook hier bleek het om borsten te draaien, maar dan die van jonge moeders. Je kon er bh's met klepjes kopen en melkkolven en zo. Naast mij stonden twee vrouwen de koopwaar te bekijken, een struise met een vlassig blond knotje en een bloedarmoedig brunetje. Het brunetje droeg een zeer klein baby'tje in een draagzak, de blonde was hoogzwanger. 'Wat ga jij eigenlijk stemmen?', vroeg de blonde. De ander haalde haar dunne schoudertjes op. 'Misschien Jesse Klaver', zei ze. 'Die heeft van die lieve ogen...'

Ik bekeek de melkkolven, die poëtische namen droegen als 'Calypso' of 'Harmony' en dacht aan mijn eerste en laatste ervaring met zo'n ding, 15 jaar geleden. Ik was een paar dagen op reportage naar de Vlaamse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog en had mijn zoontje, een half jaar oud, bij mijn moeder achtergelaten, in de optimistische veronderstelling dat hij zolang wel poedermelk uit een flesje zou drinken.

Helaas had ik buiten mijn lichaam gerekend, waarin de melkfabriek volop bleef draaien, zonder dat er een afnemer voor kwam. Al na een paar uur werd het ongemak zo groot dat ik een luguber apotheekje in Ieper binnensnelde. De kolf die ze me verkochten was een artefact dat stamde uit de tijd van de Slag aan de Somme; een glazen Erlenmeyer met een rode rubber bal eraan. Terwijl ik in een door ongeschoolde hand met bloemetjesbehang beplakte hotelbadkamer mezelf verloste van de knellende overdaad belde mijn moeder dat mijn zoon niets drinken wou. Hij brulde alleen maar.

Ik heb toen zelf ook gehuild, daar in Ieper, maar de volgende dag ging het beter, met mij en met hem; toen ik de derde dag thuiskwam, bleek hij onherroepelijk bekeerd tot de fles en wilde van wat er uit mijn haastig opengeknoopte bloes tevoorschijn kwam niets meer weten.

Een beetje bedroefd dacht ik eraan terug, in de Boezemvriend. Een béétje maar, hoor. Mijn zoon weet er niets meer van. Hij is uitgegroeid tot een grote, vriendelijke en knappe jongen. Je zou zó op hem stemmen, eigenlijk.

'Ja, ik denk ook, Jesse Klaver...', sprak de blonde vrouw. 'Die ogen, inderdaad...'

'En dan die héérlijke kop met haar'.

Meer over