Ontwapening eist hernieuwde aandacht

Het voornemen de post van ambassadeur voor ontwapening in Genève op te heffen, tekent de verminderde aandacht voor dit probleem....

VOLGENS persberichten overweegt de minister van Buitenlandse Zaken uit bezuinigingsoverwegingen de functies van ontwapeningsambassadeur en die van ambassadeur bij de VN in Genève samen te voegen. Over de noodzaak van bezuinigingen op de overheidsuitgaven zijn velen het eens, niet echter over de verdeling van de lasten.

Buitenlandse Zaken heeft in de afgelopen jaren een onevenredig grote last moeten dragen. Het is nu eenmaal een 'personeelsdepartement'. Bezuinigingen kunnen hier niet gerealiseerd worden door te besparen op de 'hardware', zoals wegen, gebouwen, tanks of vliegtuigen, zij zullen in hoofdzaak gezocht moeten worden in de personeelssector.

Voor de minister is dit - vooral bij een in de loop der jaren danig uitgekleed apparaat - een moeilijke afweging. Uiteraard dient daarbij te worden voorkomen dat wezenlijke Nederlandse en internationale belangen worden geschaad. Welnu, juist dat is het geval wanneer de post van ontwapeningsambassadeur zou worden opgeofferd.

Niet alleen voor Nederland, maar ook voor de internationale samenleving, is het van het allergrootste belang dat een dynamisch ontwapeningsproces op gang komt. Nog steeds bewegen de militaire uitgaven in de wereld zich op een absurd hoog niveau: zo'n 800 miljard dollar per jaar. Dat is slechts 25 procent onder het hoogste niveau dat tijdens de Koude Oorlog werd bereikt. Een onevenredig groot deel van deze reductie is het gevolg van de ineenstorting van de Sovjet-Unie. De militaire uitgaven van de VS zijn nu - na een aanvankelijke daling - weer vrijwel op hetzelfde niveau als in 1989. De Europese defensie-uitgaven zijn de afgelopen tien jaar met slechts 14 procent verminderd.

Al met al een mager resultaat wanneer men bedenkt dat de loodzware dreiging van een grootschalig Oost-West conflict geheel is weggevallen.

Het huidige niveau van de militaire uitgaven wordt graag gerechtvaardigd met het opkomen van nieuwe bedreigingen van onze veiligheid. Inderdaad verkeren we sedert het einde van de Koude Oorlog in een totaal veranderde situatie. Maar zou het juist daarom niet zinvol zijn na te gaan welke middelen het meest geëigend zijn om aan deze nieuwe bedreigingen het hoofd te bieden?

Terecht heeft het UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de VN, er de aandacht op gevestigd dat slechts een fractie van de militaire uitgaven - nog geen 9 procent - al voldoende zou zijn om meer dan een miljard mensen van drinkwater, voedsel, medische verzorging en basisonderwijs te voorzien.

Afgezien van het morele schandaal dat in deze wereld eenvijfde deel van de wereldbevolking in bittere ellende verkeert terwijl eenzelfde deel in overvloed leeft, zijn er klemmende 'zakelijke' argumenten voor het toekennen van een hogere prioriteit aan 'humane' bestedingen dan aan die in de militaire sector.

Het is immers zonneklaar dat juist dit voortduren van manifest onrecht en bittere ellende de voedingsbodem vormt voor desperate acties, terrorisme en gewelddadige conflicten.

Wanneer de 'nieuwe bedreigingen van onze vrede en veiligheid' werkelijk zouden worden onderkend, dan kan dat niet anders leiden dan naar een drastische vermindering van de militaire uitgaven. Alleen hierdoor komt er ruimte voor een veel grotere inspanning bij het wegnemen van een reeks van oorzaken van gewapende conflicten. Dit nu zal echter nimmer gerealiseerd worden zonder een doelbewust en krachtig ontwapeningsbeleid.

Een dergelijk beleid is eveneens noodzakelijk vanwege de spectaculaire ontwikkeling van de wapentechnologie in de afgelopen decennia. Veel te weinig wordt beseft dat we nog steeds leven temidden van een vernietigingsmacht met apocalyptische proporties.

De agenda voor ontwapening is lang en complex. Het gaat hier bepaald niet om zaken die 'er wel even bij gedaan kunnen worden' door de VN-ambassadeur in Genève. Zeker niet wanneer een actieve en creatieve Nederlandse inbreng zou worden nagestreefd.

Een enkel voorbeeld ter illustratie. Grote zorg is gerechtvaardigd over de impasse waarin de onderhandelingen over de vermindering van kernwapens verkeren. Zowel de VS als Rusland hebben duidelijk laten blijken het kernwapen als onmisbaar te beschouwen voor de veiligheid. Dit ondanks de uitspraken van het Internationale Hof, de verplichtingen van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) en het rapport van de Canberra Commissie.

Ook de klemmende waarschuwingen van een aantal gezaghebbende militairen, die ten nauwste betrokken zijn geweest bij het nucleaire beleid, worden zorgvuldig genegeerd. Ik denk hierbij met name aan generaal Lee Butler, die jarenlang het bevel voerde over de Amerikaanse nucleaire strijdkrachten, de vroegere NATO-bevelhebber generaal Goodpaster, alsmede aan oud-minister van Defensie Robert McNamara.

Terecht wordt gesteld dat het hardnekkig blijven vasthouden aan het kernwapen, het Non-Proliferatie Verdrag ondermijnt. Wanneer zelfs staten die over een grote conventionele overmacht beschikken, het kernwapen als onmisbaar beschouwen voor de eigen veiligheid, hoeft het niet te verbazen dat andere, zwakkere staten, hier een duidelijke aansporing in zien om hier eveneens over te beschikken. De vrees dat andere staten het voorbeeld van India en Pakistan zullen volgen is gerechtvaardigd.

Wat de overige massavernietigingswapens betreft, kan natuurlijk gewezen worden op de voortgang die geboekt is bij het totstandkomen van verdragen tegen biologische en chemische wapens. Maar ook hier is nog veel werk te verzetten, voordat van een werkelijk sluitend regime gesproken kan worden. Hetzelfde geldt ook voor de zogenaamde lichte wapens die in de afgelopen jaren zo veel slachtoffers hebben gemaakt.

Het zou in dit bestek te ver voeren om de gehele agenda af te werken maar voor twee zaken zou ik graag speciale aandacht vragen.

Allereerst voor de militarisering van de ruimte. Het zijn vooral de VS die hier met grote inzet van middelen aan werken. Het publiek wordt daarbij gepaaid met geruststellende verklaringen dat het bij deze voortzetting van SDI slechts gaat om 'vijandelijke raketten af te werenè Dit is een misleidende voorstelling omdat veel van de daarbij ontwikkelde technologie zich tevens uitstekend leent voor offensieve doeleinden.

Doelbewust wordt gestreefd naar een absolute suprematie in de ruimte zodat letterlijk iedere plek op de aarde 'beheerst' kan worden. Dat China zich ongemakkelijk voelt wanneer een Amerikaans 'ruimteschild' over Japan en Zuid-Oost Azië wordt voorbereid, is niet zo onbegrijpelijk. Hoe zal Europa reageren wanneer te zijner tijd een dergelijke beschermende 'paraplu' wordt aangeboden?

De wapenindustrie - zelden belemmerd door morele overwegingen - is steeds geïnteresseerd in markten voor nieuwe 'producten'. Voor een regering - zoals de Nederlandse - die het 'humanitair oorlogsrecht' hoog in het vaandel heeft, is het essentieel om zorgvuldig te volgen wat op dit terrein gaande is. Alleen dan kan tijdig een proces in beweging worden gezet dat leidt tot internationale overeenkomsten die onnodig menselijk leed moeten voorkomen. Dit vereist een aandacht die niet zomaar verwacht kan worden van een ambassadeur die reeds de handen vol heeft aan de VN-organisaties.

Het feit dat er momenteel bij een aantal regeringen geen groot enthousiasme bestaat voor concrete stappen ten gunste van wapenvermindering, kan uiteraard geen argument vormen voor Nederland om dan ook maar onze ontwapeningsinspanning op een laag pitje te zetten.

Dat valt ook moeilijk te rijmen met de recente rede van prins Willem-Alexander in St. Petersburg waarin hij stelt: 'In de nieuwe veiligheidssituatie vergt de preventie van gewapende conflicten veel van onze tijd en energie. We moeten nieuwe oplossingen bedenken voor wapenbeperking, om militaire stabiliteit te garanderen.'

Opheffing van de post van ontwapenings-ambassadeur zou - gezien ook de enorme omvang van de wereldwijde militaire inspanningen en de dynamische ontwikkeling van de wapentechnologie, een noodlottige zaak zijn.

Het zou bovendien een eeuwenlange traditie doorbreken. Immers juist Nederland heeft zich op het terrein van ontwapening een grote reputatie verworven. Deze lijn is ook in de afgelopen jaren voortgezet door een aantal Nederlandse ontwapeningsambassadeurs. Het is nog niet zolang geleden dat aan ambassadeur Ramaker de Wateler-prijs werd uitgereikt, als bewijs van internationale erkenning voor zijn constructieve rol tijdens de onderhandelingen over het Non-Proliferatie Verdrag.

Ook is het niet toevallig dat in mei in Den Haag de grootscheepse internationale herdenking van de Vredesconferentie 1899 zal worden gehouden. Of het aan de vooravond daarvan een gelukkige gedachte is om een maatregel te nemen die de toekomstige rol van Nederland op dit terrein sterk beperkt, waag ik te betwijfelen.

Meer over