Onmetelijk geluk

Kunnen gevangenen gelukkig zijn? Zijn Nederlanders het? De wetenschap probeert erachter te komen wat geluk is, waar het vandaan komt, in welk deel van het lichaam het schuilt....

WAT IS GELUK? De oude Grieken wisten het. Een gelukkig mens, schreef Aristoteles, is als een steen die op de grond valt, en daar rustig blijft liggen.

Kijk maar rond, stelde de filosoof, dan is het meteen duidelijk. Alles en iedereen op de wereld streeft een doel na dat ergens in zijn binnenste verborgen zit. Een steen wil naar de aarde toe. Vuur wil de lucht in. Een mens wil gelukkig worden. Als die mens al zijn innerlijke 'talenten' op de juiste wijze heeft ontplooid, zijn intellectuele eigenschappen én zijn karaktertrekken, dan heeft hij 'het goede leven' bereikt, en is hij gelukkig.

Een wat eenvoudige gedachte misschien, maar dat kun je hem moeilijk aanrekenen. Aristoteles (384-322 voor Christus) was voor zover bekend de allereerste mens die het geluk probeerde te definiëren. De wereldgodsdiensten, die er hele andere ideeën over hadden, bestonden toen nog niet. En Aristoteles had geen weet van alle complicaties die later zijn opgeworpen door de moderne natuurkunde, de psychologie en de sociologie, laat staan de genetica.

En zover zat hij er ook niet naast, volgens velen. Zijn boek over het geluk, de Ethica Nicomachea, verscheen in 1999 in de moderne Nederlandse vertaling. Ondanks de 75 gulden die het kost, zijn er nu al 12.500 exemplaren van verkocht. Uitgever Historische Uitgeverij noemt het een 'ongelooflijk' getal. Aristoteles is helemaal terug.

Prof. dr. Keimpe Algra, hoogleraar antieke en middeleeuwse filosofie aan de Universiteit Utrecht, heeft het gemerkt. Lezingen over de Griekse denker worden druk bezocht, studenten willen alles over hem weten. En ook Algra zegt dat je aan Aristoteles' ideeën over het goede leven nu nog 'veel kan hebben'.

Het actuele aan de filosofie van de Griek, zegt Algra, is dat ze gelukkig zijn gelijkstelt aan moreel goed zijn. 'Als je het geluk bereikt, dan heb je ''deugden'': dan functioneer je excellent in al je aspecten. Dan zul je dus ook de juiste morele keuzes maken.'

Deze 'deugdenethiek', aldus Algra, staat haaks op de heersende 'handelingsethiek'. Die probeert regels op te stellen over wat je wel en niet mag. 'Dat loopt vaak stuk in allerlei debatten. Veel ethici zeggen daarom nu weer: we moeten individuen leren optimaal mens te zijn. Als je kinderen leert dat het bijzonder is en mooi om van kunst te genieten, dan zullen ze zich waarschijnlijk fatsoenlijker gedragen. Dat klinkt idealistisch, maar er zit wel iets in.'

Gelukkig worden, en dus ook goed, heb je dus zelf in de hand, stelde Aristoteles volgens Algra. Als je maar goed bent opgevoed, de juiste vrienden hebt, een beetje geld bezit en een redelijke leeftijd bereikt. Je moet ook niet al te lelijk zijn, anders ben je gehandicapt. 'Maar dan nog zijn er genoeg mogelijkheden.'

Allemaal wijze lessen die blijkbaar goed aanslaan bij het grote publiek. 'Mensen hebben tijd en geld om over het leven na te denken', vermoedt Algra. 'Ze zoeken verdieping, maar zijn niet meer religieus. Sommigen duiken daarom in de zweverige new age, anderen in dit soort meer rationele filosofieën.'

Filosofieën uit de Oudheid, wel te verstaan. Want de moderne filosofie houdt zich niet meer bezig met levensvragen. 'Na de zeventiende eeuw is de filosofie steeds meer een academische discipline geworden', stelt Algra. 'Filosofen denken na over de technische problemen van de menselijke kennis en het menselijk denken, en over detailproblemen zoals de gentechnologie en euthanasie. Dat staat helemaal los van de dagelijkse levenspraktijk.'

Wat, nogmaals, is geluk? Die vraag is in handen geraakt van andere, minder speculatieve disciplines: de sociologie, de psychologie, de neurologie, de genetica. Allemaal vakken die met wetenschappelijke precisie omstandigheden proberen te vinden die een mens gelukkig of juist ongelukkig máken.

Prof. dr. David Lykken, emeritus hoogleraar gedragsgenetica aan de Universiteit van Minnesota, is daarvan wel de radicaalste exponent. Onlangs ondervroeg hij zestig gevangenen in de maximum security prison van Minnesota naar hun geluksgevoel. De meesten zijn moordenaars, die gemiddeld in 2034 vrijkomen. Een aantal bleek bijzonder ongelukkig, meldt Lykken per e-mail, maar de meerderheid scoorde op zijn geluksschaal 'ver boven het gemiddelde van de brave burger'. Over het algemeen zijn ze dus best gelukkig, aldus Lykken.

Het verrast hem niet. Want geluk is volgens Lykken vooral een genetische aangelegenheid. Hoe gelukkig een individu is, wordt voor zo'n 50 procent door zijn genen bepaald, schat hij. Bovendien heeft ieder mens een vast 'gelukspunt' waarnaar hij na een tijdje altijd weer terugkeert, of hij nu in de gevangenis zit of de loterij wint. Dat punt ligt vrij hoog, beweert hij: dankzij de evolutie, die mensen die met tegenslagen kunnen omgaan, een voordeel heeft gegeven, 'zijn wij al met al een gelukkige soort'.

Lykken baseert zijn conclusies op onderzoeken die hij in de jaren negentig verrichtte naar eeneiïge tweelingen die apart zijn opgevoed. Ze bleken min of meer net zo hoog te scoren op zijn 'welzijnsschaal van de multidimensionele persoonlijkheidsinventarisatie' - een uitgebreide vragenlijst naar het geluk van een persoon. Ook na drie en tien jaar bleek hun score grotendeels identiek. En dus, zegt Lykken, is geluk een genetische aangelegenheid.

En hij gaat nog verder: 'Veel onderzoek door ons en anderen tonen aan dat geluk een verwaarloosbare relatie heeft met inkomen, sociaal-economische status, opvoeding, IQ, of burgerlijke staat.' De enige manier om je een beetje aan je genetische ketenen te ontworstelen, is 'om activiteiten te cultiveren die je leuk vindt'.

Socioloog prof. dr. Ruut Veenhoven, hoogleraar humanisme aan de Universiteit Utrecht, is niet overtuigd door de conclusies van Lykken. De Amerikaan meet niet zozeer het geluk van mensen, zegt hij, maar hun persoonlijkheid. 'Hij vraagt ze niet puur: ''Hoe prettig heeft u zich de afgelopen dagen gevoeld?'', maar vraagt ook naar eigenschappen als energie, optimisme en zelfrespect. Ik ken het gevangenisonderzoek van Lykken niet, maar uit andere studies heb ik toch begrepen dat het daar geen pretje is.'

Veenhoven, bijgenaamd 'de geluksprofessor', doet al dertig jaar onderzoek naar het menselijke geluk. Geluk definieert hij als 'plezier in het leven'. Uit internationaal vergelijkend onderzoek, zegt hij, blijkt dat dat vooral wordt bepaald door sociale omstandigheden.

Nederlanders zijn bijvoorbeeld over het algemeen een gelukkig volkje. De Nederlandse samenleving is behoorlijk veilig en iedereen heeft een dak boven zijn hoofd, genoeg geld, intieme relaties en een goede opvoeding die het mogelijk maakt gebruik te maken van de vele vrijheden die worden geboden. Russen scoren veel slechter, want 'daar heerst chaos, kun je niet op mensen aan'. Ook Japanners, die zich aan strikte sociale regels moeten houden, voelen zich minder prettig dan Nederlanders, aldus Veenhoven.

Dat wil overigens niet zeggen dat geluk volgens hem helemaal geen genetische basis heeft. 'Geluk is in wezen een biologisch signaal dat aangeeft in hoeverre onze aangeboren behoeften worden bevredigd.'

Ook de aanleg voor psychologische eigenschappen als optimisme of assertiviteit, zijn volgens Veenhoven deels in de genen vastgelegd. 'Maar die zijn voor een deel ook aangeleerd.'

Hier komen we op het terrein van de psychologie - een vakgebied dat zich de afgelopen jaren meer en meer is gaan richten op de fysieke oorzaken van de menselijke psyche, onder meer door processen in het brein te bestuderen. Wellicht kan zij uitkomst bieden in het debat tussen genetica en sociologie. Kun je geluk ook in de hersenen zien?

Prof. dr. Hans den Boer is hoogleraar biologische psychologie in Groningen en coördinator van het Groningse Onderzoeksinstituut Emotionele en Cognitieve Stoornissen. Geluk is een complex begrip, zegt hij, resultaat van 'een ingewikkelde interactie tussen genen en omgeving'. Maar een biologisch basis? 'Ik geloof het wel.'

Geef een mens bijvoorbeeld iets te doen waarvoor hij een beloning krijgt, vertelt Den Boer, 'dan licht bij MRI-scans zijn mediale orbitofrontale cortex, aan de binnenkant van zijn hersenschors op. Doet hij iets waarvoor hij wordt gestraft, dan wordt juist zijn laterale orbitofrontale cortex geactiveerd, aan de buitenkant.'

Maar of daarmee het menselijk geluk in beeld is gebracht, hij betwijfelt het. De hersenschors toont vooral verstandelijke processen. 'Ook andere delen van de hersenen, zoals de hersenstam, spelen een rol bij het ervaren van emoties.' En wat die rol is, is nog lang niet duidelijk. Het geluksgevoel is het resultaat van een heel 'netwerk' van hersenprocessen, vermoedt biologisch psycholoog Den Boer.

Zover wil prof. dr. Peter Hagoort niet gaan. Hij is hoogleraar neuropsychologie in Nijmegen en directeur van het F. C. Donders Centrum voor Cognitieve Neuroimaging aldaar. 'Geluk is een vaagheid', zegt hij. 'Het valt meteen uiteen in deelbegrippen. Sommigen zijn gelukkig als ze gezond zijn, anderen als ze aardig werk hebben of een snelle sportwagen. Ik niet, hoor, ik word gelukkig als ik een mooie paper heb geschreven.'

Dat je in de toekomst geluk dus in de hersens kunt zien oplichten, gelooft hij niet. 'Je kunt wel in de hersenen kijken, maar dan moet je wel heel precies weten wat je zoekt. En er is geen adequate definitie van geluk waarmee we aan de slag kunnen. Angst en vrees wel, die zijn veel duidelijker omschreven. Die kun je ook bij dieren aantreffen.'

De mens kent wel 'primaire emoties' bij beloning en straf, voegt hij toe, 'maar dat valt niet samen met geluk'. Het is dus volgens Hagoort 'een stap te ver' om te zeggen dat geluk genetisch of evolutionair bepaald is. 'Of iemand een blijmoedig of een zwaarmoedig karakter heeft, is zeker deels genetisch bepaald. Maar geluk is zo cultureel gedefinieerd, dat de relatie met neurofysiologie veel te vaag is.'

Maar wat is nou geluk? De grootste tegenstander van levensfilosofieën als van Aristoteles was misschien wel de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951). Hij werd beroemd met zijn conclusie, aan het eind van zijn jeugdwerk Tractatus logico-philosophicus, dat je alleen uitspraken moet doen over zaken die wetenschappelijk te controleren zijn: 'Waarover je niet spreken kan, daarover moet je zwijgen.' Geld dat ook voor het geluk?

Prof. dr. Martin Stokhof, hoogleraar taalfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam en kenner van Wittgenstein, denkt van wel. 'Maar het is een misverstand te denken dat iets niet belangrijk is als we er niet over kunnen spreken.'

Alleen, volgens Wittgenstein is geluk zo'n begrip waar je wel filosofisch, sociologisch, psychologisch of genetisch onderzoek naar kunt doen, maar dan weet je nog steeds niet wat het is. Gelukkig, zegt Stokhof, is dat voor onze dagelijkse omgang met het woord in het geheel niet van belang.

Meer over