Onkwetsbaar streven naar het onbekende

Altijd een stapje naar voren zetten, geen blijk geven van aarzelingen, en kijken wat er dan gebeurt. En als hij schreef, voelde Harry Mulisch zichzelf 'in het avontuur veranderd'.

Arjan Peters

Wat Nederlanders dikwijls hoogmoed noemen, arrogantie of ijdelheid, is in wezen het pantser van een kwetsbare ziel tegen een al te opdringerige buitenwereld. Dat zei Harry Mulisch in het dankwoord bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs 1977 voor zijn gehele oeuvre. Het leek erop dat de schrijver bij uitzondering de behoefte voelde zijn eigen zelfverzekerdheid te verdedigen.


'Doe maar gewoon, roepen de Nederlanders elkaar doorgaans toe, dan doe je al gek genoeg. Heb ik nooit iets van begrepen.' Liever gooide Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 27 juli 1927) er nog een schepje bovenop; alleen in die zin zou hij ermee akkoord gaan een opschepper te worden genoemd. In het polderland van nivellering, realisme en consensus maak je niet gemakkelijk vrienden wanneer je een voorliefde aan de dag legt voor ongrijpbare - en daardoor voor velen al gauw onbegrijpelijke - fenomenen als mythen, theater, illusie, paradoxen, spiegels, octaviteit, alchemie, kabbala en wereldraadselen.


Maar als je je hartstochten trouw blijft en je een dik pantser aanmeet, valt je uiteindelijk meer voldoening ten deel dan wanneer je je conformeert. Met oprechte blijdschap liet Mulisch zich dan ook bewieroken, toen hem de ene onderscheiding na de andere ten deel viel: de Prijs der Nederlandse Letteren, de Libris Prijs, een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam ('de belangrijkste onderscheiding zolang ik de Nobelprijs nog niet heb gekregen'), Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Prijs voor de beste Nederlandse roman aller tijden (voor De ontdekking van de hemel), een planetoïde ('Nu ben ik in de hemel'), en talloze verfilmingen en vertalingen.


Altijd een stapje naar voren zetten, geen blijk geven van aarzelingen, en kijken wat er dan gebeurt. Die methode tekent zowel de schrijver als zijn omvangrijke literaire oeuvre (romans, verhalen, poëzie, toneel, essays), waarin allerhande toevalligheden juist worden gezien als tekens, signalen die een mythisch verband kunnen onthullen. Het leven zou uit een eindeloze reeks banaliteiten bestaan als de geest het niet tot een wonderlijk raadsel kon uitvergroten.


De literatuur als vrijplaats waar het denkbare gestalte krijgt; dat is een ongebruikelijke opvatting voor een Nederlands auteur, waardoor Mulisch zich van meet af aan onderscheidde van bijvoorbeeld die andere twee, iets oudere literaire grootheden van de twintigste eeuw, met wie hij De Grote Drie vormde: Gerard Reve (1923-2006), de tobbende romanticus, en Willem Frederik Hermans (1922-1995), de polemist die het menselijk falen er boek na boek inhamerde.


Dat waren echte zonen van Holland, waarmee zij altijd verbonden bleven, ook al vluchtten beiden naar Frankrijk en later België. Niets voor Mulisch. Diens voornaamste verhuizing was in 1958 van zijn geboorteplaats Haarlem naar Amsterdam. Van daaruit zou hij de wereld veroveren. Met verhalen en romans die wortelden in een universum dat verre van provinciaal was. Misschien een compensatie voor de omstandigheid dat hij autodidact was, maar dat is 'voer voor psychologen' (een door Mulisch gemunte term) - na vier jaar Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem bleef hij weg van school, om thuis een zolderkamer aan de Anna van Burenlaan 47 in te richten als scheikundig laboratorium.


Op zijn veertiende schreef hij daar de 'moderne Atoomtheorie voor iedereen', eindigend met het hoofdstuk 'Alchemie. Transmutatie der stof'. Zoals hij later een wetenschappelijke formule bedacht voor de seksuele daad. Voor dat soort dingen leefde hij - 'met het woord liefde kan ik niet zoveel', zei hij nog in 2010, behalve als hij dacht aan zijn eerste teckel Schloempie, en de teckels die zouden volgen. 'Ik weet wél wat vriendschap is' (De ontdekking van de hemel is voor een groot deel het relaas van de 'echte mannenvriendschap' met schaker en Mulisch- exegeet Hein Donner), 'maar ik ben bang dat liefde alleen maar een woord is.'


Zeventien was zijn absolute leeftijd, de 'leeftijd van mijn ziel'. De nieuwsgierigheid om een gooi te doen naar een formule die het aardse bestaan in een mythische gloed zet, zou de geestesgesteldheid van zijn ware vaderland bepalen. 'Toen ik zeventien was, wilde ik een boek schrijven over Alles. Meer jongens hebben dat. Maar als die vijftig zijn, vinden ze zoiets kinderachtig. Ik niet.'


Een gewone Nederlander was hij allerminst: zijn vader, geboren in toenmalig Oostenrijk-Hongarije, zou in de Tweede Wereldoorlog als directeur personeelszaken van het bankiershuis Lippman-Rosenthal & Co geconfisqueerde Joodse bezittingen beheren. Zijn moeder was in Antwerpen geboren als dochter van een Joodse bankier in Duitsland, maar stamde ook uit een Oostenrijkse familie. Zijn ouders scheidden toen Harry negen jaar was.


Een allochtoon. Vader fout, moeder Joods. 'Ik heb de oorlog niet zozeer 'meegemaakt', ik bén de Tweede Wereldoorlog.' Terwijl zijn vader na de oorlog wegens collaboratie in de gevangenis zat, en zijn moeder in Amsterdam woonde (om in 1951 naar Californië te emigreren), was Harry Mulisch bezig met chemische experimenten, 'een alchimistisch voorstadium van mijn schrijverij'. Even streng en toegewijd zou hij later, aan de Leidsekade in Amsterdam, zijn werkkamer inrichten waar alles was gericht op zijn schrijverij. Daar alleen stond hij in contact met zijn ware vaderland: een harmonie der sferen, een aanwezigheid 'die mij omvatte en koesterde en die mij onkwetsbaar maakte, waardoor ik mij eigenlijk nooit eenzaam heb gevoeld.'


Dat klinkt niet sympathiek, maar zo was het nu eenmaal. Eerder mystiek dan religie: 'Voor dat land zal ik sterven. Het kan niet vernietigd worden door vuur, alleen door mijn eigen vernietiging - maar een afglans ervan zal ook daarna bewaard blijven in mijn werk, zoals na zonsondergang de vurige gloed aan de westelijke hemel. Het bestond niet al voordat ik bestond. Het had niet bestaan als ik niet had bestaan. (¿) Net als datgene wat eruit voortkomt, is het IETS een toevoeging aan de werkelijkheid, mijn bijdrage aan de wereld.'


In zijn vaderland was voor een ander geen plaats. 'Eenmaal verzorgd, ben jij jezelf genoeg', sprak Connie Palmen op 15 september 2007 de toen tachtigjarige Mulisch toe, erop zinspelend dat vrouwen geen rol van betekenis spelen in zijn wereld, behalve dan als veroveringen en huishoudsters. Maar ook Palmen was vertederd, niet verontwaardigd.


Met de jaren heeft Mulisch ervaren dat de erkenning steeds groter werd: onder middelbare scholieren en academici wérd hij altijd al veel gelezen, zijn oeuvre is een ideaal studieobject om symbolen te tellen en interpretaties op los te laten.


Maar aan het eind van de vorige eeuw was hij ongeveer eenieders nestor geworden, minzaam glimlachend op het jaarlijkse Boekenbal en tijdens het Libris Prijs-diner.


Verdwenen leek de ergernis over zijn pontificale uitspraken, die sloeg zelfs om in geamuseerdheid. De schrijver die vroeger menigeen deed steigeren door een zelfportret in de eerste persoon enkelvoud te beginnen ('Ik was achttien, toen er werd gebeld'), gold als Bekende Nederlander niet meer als de 'gemotoriseerde relletjes-voyeur' en onuitstaanbare 'Herrie Mulles' wiens werk 'vulles' was (Reve).


In zijn eentje was hij de ontkenning van de gedachte dat een schrijver schept uit gemis. Toen na de Tweede Wereldoorlog de grote ideologieën het loodje legden, en de ontwikkeling van de exacte wetenschappen voor een verdere onttovering zorgden, zag hij zich genoodzaakt de band met het mythische in literatuur te bekrachtigen.


Waarom je vastklampen aan toevalligheden als geboorteplaats en tijd, als je het vermogen hebt ontdekt jezelf verder en wijder te denken?


Dus daagde hij de vaderlander uit, door te schrijven over zijn eigen conceptie (Mijn Getijdenboek, 1975): 'Op vrijdag 29 juli werd ik, negen pond zwaar, uit de Stille Oceaan opgevist. Diezelfde dag kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking.' Niet zeggen dat zoiets niet kan, of dat het toeval is. Dat is flauw; 'Het wordt pas geen toeval als iemand zegt dat het dat niet is. Het is mythisch denken. Zijn we hier niet gewend.' Zoals in zijn magnum opus De ontdekking van de hemel (uit 1992, toen hij 65 was, een roman in 65 hoofdstukken) ook geen toeval bestaat, want alles is door engelen geregeld.


Wanhoop en Mulisch hoorden niet bij elkaar. Natuurlijk was het niet niks toen hij in 1982 kanker had en zijn maag eruit moest, maar naar eigen zeggen dacht hij toen meteen: 'We zullen weleens even zien wie hier de baas is.' In 1992 kreeg hij een hersenbloeding, en in 1997 blaaskanker, maar 'zo gauw ben ik niet klein te krijgen.' Tot er deze zomer longkanker bij kwam.


In 1946, toén was hij de wanhoop het dichtst genaderd. Maar ook toen bedacht hij het verhaal 'De kamer', dat werd geplaatst in Elseviers Weekblad van 8 februari 1947. 'Toen was ik eruit. Ik heb nooit schrijver willen worden; ik bleek het te zijn.'


Een jongen is geobsedeerd door een kamer, waaruit pianomuziek klinkt. Later gaat hij de grote wereld in. Als hij oud is, vraagt hij zijn notaris een kamer te huren in zijn vaderstad. Dat is natuurlijk dé kamer. Hij wordt ziek, en weet dán pas wat hem altijd tot die kamer heeft aangetrokken: het is zijn sterfkamer. 'Mooi of niet?'


Voor hem was het ook de geboortekamer, als schrijver. 'Ik wil geen herkenbare literatuur, maar iets ónherkenbaars.'


Avontuurlijk kon je zijn leven niet noemen. Jaren kwam hij op sociëteit De Kring, voordat hij in 1979 zijn eigen 'herenclub' oprichtte die wekelijks dineerde in de Amsterdamse binnenstad. En elke zomer, tot de vorige, ging hij naar Venetië, waar hij logeerde in kamer 216 van het Hotel des Bains, op het Lido. 'Avonturen beleef ik wel als ik schrijf.'


Die avonturen gaan over de Apocalyps (Het zwarte licht, 1956), het bombardement op Dresden geïnjecteerd door 'Homerische' gezangen (Het stenen bruidsbed, 1959), het proces tegen de nazi Adolf Eichmann (De zaak 40/61, 1962) , de droom van een revolutionaire maatschappij onder Fidel Castro op Cuba (Het woord bij de daad, 1968), de Oedipus-mythe die een lesbische relatie onder druk zet (Twee vrouwen, 1975), de doorwerking van een aanslag in de oorlog in de naoorlogse decennia (De aanslag, 1982), De ontdekking van de hemel (1992), De compositie van de wereld (1980), het wonder van de scheppingsdaad (De procedure, 1998), en een fantasie over het kind van Adolf Hitler en Eva Braun (Siegfried, 2001).


Een oeuvreschrijver, geen zinnetjesschrijver. Je valt niet voor Mulisch vanwege zijn stijl, maar vanwege zijn ongehoorde ideeën. Als hij schreef, voelde hij zichzelf 'in het avontuur veranderd'. Talent is geen gave, maar een eis. 'Een werk, waaruit niet méér komt dan de schrijver 'erin gelegd heeft', is onder de maat en moet volgens de visserijwet in het water teruggeworpen worden.'


De laatste jaren was hij een schrijver die geschreven hád. Maar een schrijver is toch altijd bezig, werd hem wel gevraagd. Ik niet, was het antwoord. Ook in de laatste jaren was Mulisch nooit de lijdende schrijver, door zijn talent gedoemd om voort te zwoegen. Hij wilde alleen iets maken als hij iets aan de wereld kon toevoegen, niet die werkelijkheid kopiëren 'zoals negentig procent van mijn collega's doet'.


Het raadsel vergroten, tot hij zelf kon verdwijnen in zijn tweede lichaam, het werk dat zicht zal blijven bieden op het mysterieuze vaderland waarvan hij een lang leven lang alleenheerser was - en overigens ook enig ingezetene. Het leven zat Mulisch als gegoten, door een god handgemaakt, op maat.


De best geklede schrijver van Nederland is niet meer, althans niet hier. Angst voor de dood kende hij niet. Daar had hij het volgende op bedacht. 'Je kunt nooit zeggen: ik ben dood. Dus zolang ik leef, ben ik onsterfelijk.' Ook weer opgelost.


'Ik laat me verrassen', heette het een paar jaar geleden, gevraagd naar wat hij dacht te verwachten na zijn laatste stap vooruit. Tot in de ouderdom is Harry Mulisch zeventien gebleven.


Meer over