Ongemak bij naïeve overcorrectie

Black is beautiful..

Wieteke van Zeil

Amsterdam Er wringt iets heel ernstig aan de tentoonstelling Black is beautiful. En dat is voor de ingang al merkbaar. Bij elke tentoonstelling in de Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam hangen twee grote banieren voor de ingang – een met de Nederlandse titel, een met de Engelse. Verborgen Afghanistan, Hidden Afghanistan. Helden, Hero.

Maar nu is er maar één titel: Black is beautiful. We snappen het zo ook wel. Maar wie de schijnbaar overduidelijke titel vertaalt, belandt in een jargon van ongemak. Zwart is mooi.

Voor de duidelijkheid, de tentoonstelling gaat over de zwarte mens in de kunst. Of zwarten. Of negers, of donkere mensen. Mensen kiezen een term om de titel toe te lichten, en die komt er hoe dan ook met schroom uit. Want Nederland van nu is niet gewend om mensen zwart of wit te noemen. We zeggen Hollanders, Surinamers, Marokkanen en Indo’s, of we zeggen allochtoon en autochtoon. We maken een culturele of een politieke indeling, niet een raciale.

De raciale invalshoek is voor de kunst uniek. Dat moet gezegd. Nooit eerder werd de bezoeker aangemoedigd om gekleurde mensen op schilderijen nou eens goed te bekijken. Welke rol speelden ze, hoe veranderde die rol door de eeuwen heen. Hoe is het nu, nu er niet alleen ‘zwarte mensen’ in kunst voorkomen, maar er ook in de westerse wereld kunst door ‘zwarte mensen’ wordt gemaakt?

Er hangen erg goede kunstwerken. Zoals een prachtige studie van een man, die de titel Caspar heeft gekregen (naar een van de bijbelse drie koningen), door Rubens geschilderd op een stuk papier dat ooit een brief was – de regels zijn door de verf te zien. Het is een supereenvoudig werk waarin alles in evenwicht is; kleur, licht, schaduw, textuur. Van Jacob Jordaens is er een gezagvolle Mozes die je recht aankijkt, met een rijk geklede zwarte vrouw die in de tentoonstelling zijn vrouw wordt genoemd. Grote instellingen, verzamelaars én kunstenaars zijn bereid geweest hun werk voor deze tentoonstelling beschikbaar te stellen.

Kriskras komt de kunstgeschiedenis voorbij -– de dikke verf van Iris Kensmil zie je niet vaak naast de 16de-eeuwse Jan Mostaert, close ups van Ina van Zyl gaan samen met de schokkerig geschilderde bokser van Isaac Israëls. Een gewijde installatie van Remy Jungerman laat met middeleeuwse devotieminiaturen twee uiteinden van een heel ander spectrum dan een raciaal zien.

Maar geschiedenis en techniek spelen niet de hoofdrol. Het gaat om de zwarte mens.

De Nieuwe Kerk wil een positief beeld neerzetten. Sterke zwarte mannen, mooie zwarte vrouwen. Met bijbelse en mythologische verhalen vertellen de makers dat er op de zwarte mens vóór de 17de eeuw niet werd neergekeken. Soms overtuigt dat, maar soms gaat het met verre omwegen. Ook na het begin van de Hollandse slavenhandel zijn er volgens de makers wel erg veel vrolijke verhalen.

In de computerprogramma’s wordt de kijker getest op z’n vooringenomenheid. Er worden vragen gesteld als ‘wat denk je dat je hier ziet, een mishandelde slaaf of een begrafenisritueel?’, of ‘wie denk je dat dit is, de slaaf van Michiel de Ruyter of zijn goede vriend?’ En natuurlijk zijn de antwoorden positief en waren ze hartstikke goede vrienden.

Bij de meeste werken heb je het gevoel krampachtig in een verhaal gewurmd te worden. Het is als kijken naar het fotoboek van een gemolesteerd kind en steeds weer roepen: die verjaardag was zo leuk! De gruwelijkheden worden zo zijdelings genoemd dat de boodschap is: dat was slechts een detail. En daarmee schiet de Nieuwe Kerk zich in de voet.

Want hoe begrijpelijk het streven van deze tentoonstelling ook is, je komt er niet door de geschiedenis voor de helft weg te wuiven. Kunstwerken die in een racistische context zijn gemaakt, haal je daar niet zo maar even uit.

Het zit ’m niet in de kunstwerken, maar in de teksten. De catalogusstukken zijn gefundeerd. Maar waarom begint zo’n stuk met de zin: ‘Door de eeuwen heen hebben veel zwarte mensen de Nederlanden bezocht’. Bezócht? Hoe vrijwillig was dat. Ongemak, ongemak, ongemak, allemaal in de woorden. ‘Ik ben zwart maar bekoorlijk’, citeert een tekstbordje uit het Hooglied bij een schilderij van een mooie zwarte vrouw. Dat dat net zomin positief is als het jaarlijks terugkerende ‘ook al ben ik zwart als roet, ’k meen het toch goed’, is blijkbaar tot niemand van de organisatie doorgedrongen.

Er zit in de informatie een vergoelijking en overcorrectie die zo naïef is als Balkenendes VOC-mentaliteit, en zo geloofwaardig als Sinterklaas. Had álles erkend en benoemd – de wreedheden, de sociale hiërarchie, de wettelijke ongelijkheid, en de mooie verhalen, de vriendschappen en de Kwasi’s, Tonia’s, Kid Dynamites, Battling Siki’s en Naomi’s. De bedoelingen zijn goed, maar dat zijn ze altijd.

Wieteke van Zeil

Meer over