Ongekend soortelijk gewicht

Met Tomas Tranströmer is de Nobelprijs voor de literatuur nu weer eens echt om zuiver literaire redenen toegekend.

Er waren veel redenen te bedenken waarom Tomas Tranströmer, de grootste Zweedse dichter van dit moment, nooit de Nobelprijs zou winnen, hoewel hij elk jaar weer als serieuze kanshebber in de kranten en de Londense bookmakers-winkeltjes opdook. Zo ging in 1974 de Nobelprijs voor Literatuur naar twee belangrijke Zweedse schrijvers: Harry Martinson en Eyvind Johnson, beiden lid van de eerbiedwaardige Zweedse Academie die de prijs toekent. Dat veroorzaakte toen zo'n storm van kritiek en zoveel beschuldigingen van nepotisme, dat geen weldenkend Nobel-watcher de afgelopen dertig jaar verwachtte dat men de prijs ooit nog aan een Zweedse schrijver zou durven geven. En dan was er de overweging dat de prijs volgens de aloude wensen van Alfred Nobel himself moet gaan naar 'de persoon die in de literatuur het voortreffelijkste werk in idealistische richting heeft voortgebracht' - een criterium dat maar al te vaak heeft geleid tot eerder politiek dan literair gemotiveerde keuzes. Vandaar dat in dit jaar van bloedige escalatie in Syrië de befaamde Syrisch-Franse dichter en cultuurcriticus Adonis zulke hoge ogen gooide, hoger dan hij de afgelopen jaren al deed. Met de bekroning van het ingekeerde, nauwelijks politiek te noemen werk van de Zweed Tomas Tranströmer toont de Zweedse Academie wel degelijk de moed te hebben al dit soort buiten-literair gezanik aan zijn laars te lappen.

Nu is dat in het geval van Tranströmer ook niet zo moeilijk. De dichter, inmiddels 80, wordt in Scandinavië, Amerika, Duitsland en eigenlijk over de hele wereld (zijn werk is in meer dan vijftig talen vertaald) beschouwd als een van de belangrijkste levende dichters. Ook in Nederland is zijn werk al vanaf het begin van de jaren tachtig bekend, in de vertaling van Bernlef, die in 2002 zijn onvolprezen Nederlandse versie van Tranströmers complete oeuvre bijeenbracht in De herinneringen zien mij. Ook was de dichter hier een aantal keren te gast, onder meer op het Poetry International-festival in Rotterdam.

Een klein oeuvre is het, voor een Nobelprijswinnaar: elf bundels, wat verspreide ultrakorte gedichten en dertig bladzijden 'memoires' - fonkelend geformuleerde herinneringen aan zijn kinderjaren en puberteit. Alles bij elkaar nog geen 350 pagina's, maar wel pagina's met een ongekend soortelijk gewicht.

Tomas Tranströmer groeide na de scheiding van zijn ouders als enig kind op met zijn diepgelovige moeder en zijn grootouders in Stockholm. De Tweede Wereldoorlog maakte een onuitwisbare indruk op hem. De zomers van zijn kindertijd bracht hij door in 'zijn paradijs': een klein eilandje in de archipel van Stockholm in de Oostzee, waar het oude 'blauwe huis' stond waarover hij later een schitterend prozagedicht zou schrijven. De overweldigende natuur, zijn 'onderzoek' naar de schelpen, insecten en vogels, het unieke noordelijke licht, de scherpe contrasten tussen donker en helderheid zijn door zijn hele werk verspreid terug te vinden. Evenals het gevoel voor 'de dingen achter de dingen' dat hij uit zijn jeugd overhield.

Na de oorlog wilde hij zijn horizon verbreden en maakte hij als twintiger een aantal reizen door Turkije, Griekenland, Italië en het nabije Oosten, die ook sterke sporen nalieten in zijn werk - onder meer in de bundel Geheimen onderweg (1958). Later ging hij als psycholoog in een jeugdgevangenis werken, en nog weer later bij een arbeidsbureau.

Wat het meest in het oog springt bij het lezen van Tranströmers gedichten, zijn de ongemeen krachtige metaforen - de beelden die ons volgens de woordvoerder van de Zweedse Academie 'de wereld op een frisse manier laten zien'. Van de befaamde 'parachutesprong uit de droom' waarmee hij in zijn allereerste gedicht uit 1954 het ontwaken beschrijft, tot 'het zilver / bij de pandjesbaas' in De treurgondel uit 1996, dat op dezelfde manier 'buiten bereik blinkt' als dat wat de dichter wil zeggen.

Met zijn beelden weet Tranströmer de binnen- en de buitenwereld te verbinden en momenten van existentiële bevreemding of lucide halfslaap-bewustzijn uit te drukken. Daardoor brengt zijn poëzie zonder daar nadrukkelijk op uit te zijn op veel momenten ook een 'bewustzijnsverandering' teweeg in de lezer - alsof je even ontwaakt uit de droom van de dagelijksheid, en een blik werpt in een onbekende, onvanzelfsprekende en vaak ook beangstigende werkelijkheid. Een blik in 'het grote raadsel', de ontmenselijkte leegte achter al het zichtbare en tastbare.

Dit welhaast mystieke effect bereikt Tranströmer mede door in zijn gedichten allerlei contrasterende beelden of realiteiten tegenover elkaar te zetten. Dromen en waken, heden en verleden, de wereld van de levenden en die van de doden.

Niet voor niets noemt zijn vertaler Bernlef Tranströmers gedichten 'ontmoetingsplaatsen'. Het blauwe huis van tachtig jaar oud uit Tranströmers jeugd herbergt niet alleen zijn levende bewoners. Al het fysiek aanwezige en alles wat de menselijke verbeelding daaraan toevoegt is even reëel en tastbaar in Tranströmers poëzie.

'Onzegbare' ervaringen en gevoelens, de schemertoestanden van het bewustzijn - daarover gaat het meestal bij Tranströmer, op een intieme, kalme, nergens opzettelijke of bedachte manier. En over de mogelijkheden om over dat onzegbare toch iets te zeggen. Daarbij is het grootste gevaar voor de dichter om datgene wat hij aan de orde wil stellen kapot te maken met zijn taal. In zijn bundel Oostzeeën uit 1974 vond hij voor dat probleem een schitterend beeld: kwallen die als 'bloemen na een zeemansbegrafenis' in het water drijven. 'Haal je ze uit het water dan verliezen ze iedere vorm, zoals / een onbeschrijfelijke waarheid uit de stilte getild, uitgesproken wordt tot dode gelei'.

Het is bijna cynisch te bedenken dat een dichter voor wie de subtielste mogelijkheden van de taal zo'n belangrijke rol spelen, in 1990 getroffen werd door een hersenbloeding die hem gedeeltelijk verlamde, en zijn spraakvermogen vernietigde, zodat hij zich sindsdien tijdens optredens slechts kan uitspreken door met zijn linkerhand piano te spelen.

Maar ook op die manier weet hij nog altijd iets uit te drukken van waar het hem om te doen is: de 'onbeschrijfelijke waarheid' van de menselijke binnenwereld, en van de onbevattelijke werkelijkheid buiten de mens. Voor al zijn indrukwekkende pogingen is hij nu terecht bekroond met de hoogste literaire eer: 'de officiële erkenning van onsterfelijkheid'.

De herinneringen zien mij

Het complete oeuvre uit 2002 in één band, inclusief een aantal ongebundelde gedichten en Tranströmers herinneringen aan zijn kindertijd. Op het stofomslag een prachtige foto van de dichter en zijn vertaler tijdens het Nederlandse bezoek naar aanleiding van De Treurgondel.

De treurgondel

Nieuwjaarsgeschenk 1995-1996 van De Bezige Bij. Indertijd een gebeurtenis: de eerste nieuwe bundel na Tranströmers beroerte in 1990. Door de dichter zelf in ontvangst genomen in Amsterdam tijdens een Scandinavisch programma in literair centrum Perdu.

Het wilde plein - Gedichten 1948-1990

Bundeling uit 1992 van al Bernlefs vertalingen van losse bundels, eerder verschenen bij de bibliofiele uitgeverij Marsyas, aangevuld met al het op dat moment beschikbare ongepubliceerde werk.

Schubertiana 1

In het avondduister op een plek buiten New York,

een uitzichtpunt van waaruit je met één enkele blik

de huizen van acht miljoen mensen kunt omvatten.

De reuzenstad daarginds is een langgerekte flikkerende sneeuwbui,

een spiraalnevel van opzij.

In het binnenste van de nevel worden koffiekopjes over

de toonbank geschoven, bedelen etalages bij voorbijgangers,

een krioelen van schoenen dat geen enkel spoor achterlaat.

De klimmende brandtrappen, de liftdeuren die dichtglijden,

achter deuren met veiligheidssloten een voortdurende stortvloed

van stemmen.

Ineengezakte lichamen dutten in de subwaywagons, de

voortstormende catacomben.

Ik weet ook buiten alle statistiek om dat op ditzelfde moment

ergens daarginds in een kamer Schubert gespeeld wordt en dat

voor iemand die tonen werkelijker zijn dan al het andere.

[Uit: De herinneringen zien mij. Verzamelde gedichten / Memoires. Vertaling Bernlef. De Bezige Bij, 2002.]

Reactie J. Bernlef (74), vertaler

'Fantastisch natuurlijk, dat de Zweden het hebben aangedurfd om deze grote dichter uit hun eigen land met de Nobelprijs te bekronen. Een paar jaar geleden heb ik nog op de Zweedse tv geroepen dat ik niet begreep waarom ze dat niet eens deden, want hij stond al jaren op de nominatie. Ik wil niet zeggen dat ze naar mij hebben geluisterd, maar het komt me wel goed uit.'

Al mijn hele leven ben ik met Tomas Tranströmers geweldige werk bezig, en ik kan eerlijk zeggen dat ik trotser ben op De herinneringen zien mij, de titel van het boek uit 2002 met de vertalingen die ik van zijn poëzie en prozaschetsen heb gemaakt, dan op mijn eigen werk. En dat is géén valse bescheidenheid van mij.

'Drie jaar geleden hebben Tomas en ik voor het laatst contact gehad. Sinds de hersenbloeding die hem in november 1990 heeft getroffen, is hij zijn spraakvermogen kwijt. Communiceren doet hij via zijn vrouw, die ook later dit jaar het dankwoord namens hem zal uitspreken, naar ik veronderstel. Bij die uitreiking in Stockholm zal ik aanwezig zijn. Als ik naar binnen mag.

'Tranströmer is nu tachtig jaar, en treedt nog wel eens op met eigen werk. Zijn vrouw leest dan voor, en hij speelt piano met de linkerhand. Wanneer ik vertaalproblemen met hem wilde bespreken, dan hadden we daar een multiple choice-systeem voor bedacht. Hij hoefde dan alleen maar te knikken als de variant van zijn voorkeur voorbij kwam.'

Uitgeverij De Bezige Bij kan momenteel De herinneringen zien mij niet leveren, maar ze hebben me vanmiddag meteen toegezegd dat de herdruk over een week in de winkel ligt.'

undefined

Meer over