InterviewFrank van Vree

Onderzoeksleider Frank van Vree: ‘Het extreme geweld in Indonesië had geen enkele wettelijke grondslag’

De Amsterdamse hoogleraar Frank van Vree (68) is programmadirecteur van het grote onderzoek naar de dekolonisatie van Indonesië, door de instituten Niod, KITLV en NIMH. Hij geeft een toelichting op de conclusies van zijn team, dat zo’n veertig onderzoekers (een kleine dertig uit Nederland en de rest uit Indonesië) omvat. En hij gaat in op de vermeende richtingenstrijd.

Remco Meijer
Frank van Vree, onderzoeker van het Niod.

 Beeld Kiki Groot
Frank van Vree, onderzoeker van het Niod.Beeld Kiki Groot

U kon het nooit goed doen, klonk vaak rond dit onderzoek, en dat blijkt ook uit de eerste reacties. Veteranen en Indische Nederlanders voelen zich tekort gedaan, en zij die menen dat de staat een ereschuld aan Indonesië heeft, zeggen juist dat uw terminologie niet hard genoeg is. Hebt u dat van meet af aan ook zo ervaren?

‘Nee, niet dat we het nooit goed konden doen. Wel dat we sommigen nooit zullen kunnen overtuigen. We spreken geen individuele veteranen aan, ik hoop dat die boodschap overkomt als ze ons onderzoek lezen. We zijn juist schatplichtig aan ze, aan hun dagboeken en verhalen. De pijn zit erin dat de politieke en militaire leiding nooit verantwoordelijkheid heeft genomen. Tegen de mensen aan de andere kant van het spectrum zeg ik: extreem geweld is inclusief oorlogsmisdaden. Laat daar geen twijfel over bestaan. Het is absoluut geen nieuw eufemisme in de categorie excessen of incidenten. Voor hen zal van belang zijn wat de politiek verder met onze bevindingen doet.’

Voelde u zich ondanks de druk van deze belangengroepen geheel vrij bij het trekken van de conclusies?

‘Ja, voor ons stond niets vast. Behalve dat we deze oorlog wilden bezien binnen de continuïteit met de vooroorlogse periode. Gaandeweg hebben wij vastgesteld dat we eigenlijk het werk hebben afgemaakt dat in 1949 is gedaan door de ambtenaren Van Rij en Stam, die toen al een eerste inventarisatie van misstanden maakten. De geraadpleegde hoogleraar Belinfante waarschuwde het kabinet: als we dit doorzetten, komt ook de verantwoordelijkheid van de militaire en politieke leiding voor de beschreven misdaden ter sprake. Want het extreme geweld had geen enkele wettelijke grondslag. Dat was een reden om het rapport in een la te stoppen. In 1969 kwam het daar nog een keer uit, voor de haastige Excessennota, maar ook toen heeft men er zo weinig mogelijk mee gedaan. Gelukkig konden wij wel onze eigen lijn volgen.’

Historicus Martin Bossenbroek schreef vorige week in EW dat zich binnen het onderzoeksteam ‘een richtingenstrijd’ heeft afgespeeld. Klopt dat?

‘Er is heftig gediscussieerd. Het is een grote groep onderzoekers, met verschillen in opvattingen, leeftijd en achtergrond. Dat was een heel interessant proces. Met als uitkomst dat de conclusie een gezamenlijk product van de drie instituten zou worden, met een slotwerk door een redactie van alle deelprojecten en gedragen door alle onderzoekers – en niet door één, mijn collega Gert Oostindie, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Die discussies hebben bijvoorbeeld geleid tot het radicale besluit dat we zijn weggebleven van juridische begrippen, omdat deze uiteindelijk weinig houvast bieden voor historisch onderzoek en zelfs de blik vernauwen.’

Kan het zijn dat de perceptie van geweld toen anders was dan nu? Geweld had de Duitsers verjaagd, met geweld kon je iets bereiken.

‘Daar zie je wel iets van terug in het deelonderzoek over de inzet van zware wapens. Van hoe militairen dachten, die waren opgeleid door de geallieerden. Maar in memoires waarin het extreme geweld aan de orde komt, lees je vaak expliciet het besef terug: wat wij hier doen, is eigenlijk wat de Duitsers en de Japanners deden. Wij zijn geen haar beter. En terecht, want even bot gezegd: als je sommige documenten leest, daar is Putten niks bij (razzia in 1944 door de Duitsers die 552 mannen het leven kostte, red.). En het is niet één Putten, het zijn er heel veel. Het was de ene represaille na de andere. Pure wraak.’

Speelt ook een rol dat een nieuwe generatie historici een andere beroepsopvatting heeft? Onderzoeker Anne-Lot Hoek betichtte Cees Fasseur postuum van ‘een ontwijkende houding’, terwijl hijzelf zou hebben gezegd dat hij neutraal naar de geschiedenis keek.

‘Het meest extreme wat ik over ons heb gehoord, is dat wij een soort woke-geschiedenis zouden schrijven. Onzin. Wij houden ons bezig met dingen die al zeventig jaar onderwerp van discussie zijn. Wat wel meespeelt, meer op metaniveau, is dat historici deel zijn van de samenleving, waar nu anders wordt gekeken naar kolonialisme en koloniale verhoudingen. Idem voor de geschiedenis van de slavernij. Ik zou de blik van Fasseur eerder ambivalent noemen. Het was minder vanzelfsprekend om kritisch naar de geschiedenis te kijken.’

Maar we zien toch een verschuiving van neutraliteit naar moraliteit? Iemand als historicus Henk Wesseling praatte niets goed, maar maakte wel begrijpelijk dat het kabinet in ’69 geen zin had in ‘niet-verhullend taalgebruik’.

‘Wesseling en Fasseur hadden ook een moraal. Zij waren neutraal vanuit een Nederlands perspectief: het kolonialisme moest je in zijn tijd zien. Maar aan wie vraag je dat? Aan de Javanen die in 1830 achterbleven nadat aan Indonesische kant 200.000 doden waren gevallen tijdens de Java-oorlog? Die vonden dat kolonialisme helemaal niet zo vanzelfsprekend. Ik vind dat wij juist met een objectievere blik kijken. Veelzijdiger. Meerstemmig, en dat brengt ons verder.’

Lou de Jong, uw legendarische voorganger, veranderde in 1988 onder druk ‘oorlogsmisdrijven’ in ‘excessen’. Dit onderzoek munt nu de term ‘extreem geweld’. Is de cirkel rond en het laatste woord gezegd?

‘Ik denk wel dat we aan het eind van een cyclus zitten. Als je alles wat nu verschijnt bij elkaar legt, krijg je een samenhangend beeld dat anders is dan tientallen jaren heeft bestaan. Het perspectief lijkt gekanteld. Eventuele politieke consequenties daarvan zijn niet aan ons.’

Het samenvattende slotdeel van het onderzoeksteam heet Over de grens. Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog 1945-1949 en is donderdag verschenen bij Amsterdam University Press. In totaal verschijnen dit jaar twaalf deelpublicaties, die behalve als boek ook digitaal beschikbaar zullen zijn (open access).