Onderwijs vroeg zelf om studiehuis

Is het onderwijsbeleid een aanfluiting voor de democratie? Ja, het studiehuis vormt het bewijs, meende onderwijspsycholoog Willem Smit dinsdag op deze pagina....

Rein Zunderdorp

ONDERWIJSPSYCHOLOOG Willem Smit van de Vrije Universiteit is blijkens zijn Forum-bijdrage van 4 januari tegen het studiehuis en pleit voor onmiddellijke afschaffing. Zijn mening wordt niet gedeeld door de protesterende leerlingen, de verontruste schoolleiders, docenten en al helemaal niet door de VSNU, de samenwerkende universiteiten.

Al die partijen pleiten juist voor behoud van het studiehuis, in de discussie over de te zware studielast van de tweede fase havo/vwo. Maar iedereen heeft het recht op een eigen mening.

Smit zet zijn aanval op het studiehuis echter in met een wetenschappelijke pretentie die hij niet waarmaakt. Hij bedient zich van halve waarheden en (zij het uit de tweede hand) hele leugens. Aan het slot van zijn stuk stelt Smit dat het Nederlandse onderwijsbeleid een aanfluiting is voor de democratie.

Omdat de democratie gediend is met een juiste weergave van feiten in het openbare debat en met een integere inbreng vanuit de wetenschap volgen hier enkele correcties op Smits beweringen.

In zijn stuk trekt Smit de aanleiding voor het studiehuis in twijfel. De uitval in het hoger onderwijs is helemaal niet zo groot als onderwijsvernieuwers beweren, stelt hij. En daarmee, vervolgt Smit, is de noodzaak voor de invoering van het studiehuis verdwenen.

Met zijn betoog suggereert Smit dat onderwijsvernieuwers de forse uitval in het hoger onderwijs hebben verzonnen om het studiehuis erdoor te drukken. En daarmee slaat hij de plank mis. De hoge percentages studentenuitval die Smit aan 'bedenkers van het studiehuis' toeschrijft, zijn afkomstig uit het hoger onderwijs zelf en werden bevestigd door de politieke bestuurders.

Het hoger onderwijs heeft jarenlang geroepen dat de uitval en vertraging op universiteiten en hogescholen te wijten was aan de slechte voorbereiding in het voortgezet onderwijs - overigens zonder te worden weersproken door deskundigen uit eigen kring.

Universiteit en hogescholen hebben de politiek zelfs aanbevolen om het zelfstandig leren en zwaardere, geprofileerde vakkenpakketten in te voeren in het voortgezet onderwijs. Deze aanbevelingen vormden onder meer de basis voor de nota Profiel van de Tweede Fase in het VO die staatssecretaris Wallage in 1991 lanceerde.

In deze nota lag de nadruk op aangescherpte vakkenpakketten. Het was het hoger onderwijs dat in de discussie over de nota aandrong op ook een versterking van de zelfstandige studievaardigheden van leerlingen. Dat is ook de reden geweest waarom het studiehuis als didactisch concept aan de plannen werd toegevoegd.

Vervolgens werkte de Stuurgroep Profielen Tweede Fase onder voorzitterschap van Nel Ginjaar-Maas (voormalig VVD-staatssecretaris van Onderwijs) aan de uitwerking.

De Stuurgroep bestond uit wetenschappers en schoolleiders en publiceerde regelmatig voortgangsrapportages. Tot de behandeling van de wet in 1997 werd opvallend weinig weerwerk geboden door onderwijskundigen, psychologen of andere deskundigen. Integendeel, er leek een brede consensus te bestaan over de noodzaak van de vernieuwingen en de uitwerking zoals voorgesteld door de Stuurgroep.

Het was de Forumrubriek van de Volkskrant die in de zomer van 1998 als eerste het kritische debat losmaakte. Nu bij de invoering problemen blijken te ontstaan in de scholen hebben leerlingen en docenten natuurlijk recht van spreken en klagen. Het is de vraag of onderwijskundigen als Smit dat ook hebben.

De inhoud van zijn wijsheden is erg mager. Zo stelt Smit ten onrechte dat de kloof tussen het voortgezet onderwijs en hoger onderwijs groter zal worden 'want er is geen sprake van dat het universitair onderwijs noemenswaardig zal worden aangepast'. Hij vergeet - opnieuw - dat de vernieuwingen werden ingevoerd op aandringen van het hoger onderwijs, juist om die kloof te dichten. Dit werd recent nog weer eens stellig herhaald door de voorzitter van de VSNU.

Ook zijn stelling dat in het studiehuis leerlingen steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden is een karikatuur, die Smit vervolgens aandikt met moddervette metaforen. Zo beschrijft hij het studiehuis achtereenvolgens als een kazerne waarvan de deuren tot vijf uur op slot gaan en als een terminale patient, die 'maar weg moet'. Dit alles wijst er eigenlijk alleen maar op dat Smit zich onvoldoende verdiept heeft in hoe het studiehuis er in de praktijk uitziet.

De wetenschappelijke integriteit van Smit komt pas echt in het geding als hij de rol van het Procesmanagement Voortgezet Onderwijs (PMVO) beschrijft. Ten eerste bestaat het PMVO pas sinds 1996 en is dus zeker niet de bedenker van het studiehuis, maar slechts de implementatie-begeleider. In de Stuurgroep (1993-1996) zaten vertegenwoordigers van het hoger onderwijs en het voortgezet onderwijs. Slechts twee van hen werden later procesmanager in het PMVO.

Zeer bedenkelijk is de uitsmijter van Smit. Klakkeloos herhaalt hij daarin onjuiste beweringen van professor Imelman, die bij de presentatie van zijn boek De overheid als bovenmeester beweerde dat het een onderzoek was dat hij in 1997 voor het PMVO verrichtte. In dat rapport zou hij het PMVO negatief geadviseerd hebben over het studiehuis. Het PMVO zou dit rapport om die reden in een la heben weggestopt.

Het is juist dat de Tweede Kamer hierover vragen aan staatssecretaris Adelmund heeft gesteld. Maar Smit verzuimt erbij te vertellen dat inmiddels is aangetoond dat het rapport in 1997 niet over het studiehuis ging, maar over de kerndoelen basisvorming en dat de Kamervragen ook al lang beantwoord zijn.

Op 15 december schrijft de staatssecretaris aan de Kamer: 'De verwijzing in het boek naar het eerder aangeboden rapport is misleidend omdat daarmee wordt gesuggereerd dat het rapport dezelfde kritiek op het studiehuis al bevatte, hetgeen onjuist is.' Op 16 december accepteerde de Kamer dit antwoord waarbij een van de leden de onjuiste beweringen van Imelman afdeed als 'een uitgekiende marketingstrategie' voor het zojuist gepubliceerde boek.

Als Smit zich oprecht zorgen maakt over het democratisch gehalte van het onderwijsdebat zou hij als deelnemer daaraan vanuit zijn wetenschappelijke positie een constructieve bijdrage kunnen leveren. Dat kan hij doen door uit te gaan van de feiten, daarvan geen karikatuur te maken en zich zeker te onthouden van het doen rondzingen van aantoonbaar misleidende beweringen van collega's.

Meer over