Onderaardse hellekrochten

ER WAAIT een gure wind door de Verenigde Staten. De onderste lagen van de bevolking hebben het dusdanig zwaar te verduren dat grote aantallen mensen op straat leven....

Meer dan de helft hiervan heeft een crimineel verleden, 80 procent is aan drugs verslaafd en 30 procent lijdt aan allerlei psychische kwalen. Onder de daklozen bevindt zich een kleine groep die zijn toevlucht heeft gezocht in onderaardse gangen bij het Grand Central Station in New York en in metrotunnels.

Dit verschijnsel deed zich voor het eerst voor in 1989. Toen verschenen althans de eerste berichten in de pers. Aan belangstelling voor deze onderwereld heeft het sindsdien niet ontbroken. Tientallen jounalisten daalden af in de onderaardse hellekrochten om na een snelle reportage weer haastig terug te keren naar de veilige bovenwereld met als enige informatie de ingestudeerde verhaaltjes die de daklozen tegen betaling tegen hen afstaken.

De Nederlandse journalist Teun Voeten heeft een andere aanpak gekozen. Tunnelmensen, zijn prozadebuut (Voeten had al wel bekendheid als oorlogsfotograaf), is het verslag van een verblijf van in totaal vijf maanden te midden van enkele daklozen die zich in een honderd meter brede spoorwegtunnel in New York hadden gevestigd. Door bij hen te gaan wonen hoopte Voeten hun vertrouwen te winnen om, zoals hij opmerkt, de lezer 'inzicht te geven in de ziel van de tunnelmens'. Dat is geen geringe opgave, maar door de nauwe band die Voeten met hen ontwikkelt, weet hij ze allerlei intieme details over hun leven, hun denken en hun dromen te ontlokken.

Een van de hoofdpersonen in het boek, is Bernard die woont in een van de kubusvormige betonnen bunkers die ooit door spoorwegarbeiders als schaftruimte zijn gebruikt. Voeten raakt met hem bevriend en vestigt zich in een van de bunkers. Bernard blijkt journalistiek te hebben gestudeerd, voorzag enige tijd in zijn onderhoud door modeshows te lopen, kwam in de cocaïnehandel terecht en raakte door overmatig drugsgebruik aan lager wal.

Aanvankelijk zocht hij zijn heil in goedkope hotelletjes, maar de chaos, de misdaad en het lawaai dreven hem de tunnels in. Daar heerste naar zijn zeggen een vreemd soort rust; daar vond hij uiteindelijk vrede met zichzelf. Hij beleefde hier een spirituele wederopstanding en vond broederschap en gemeenschapszin, terwijl de wereld boven volgens hem geregeerd werd door hebzucht.

Met zijn voorkeur voor diepzinnige uitspraken en bijbelse citaten lijkt Bernard op het eerste gezicht een hedendaagse kluizenaar die zich vol walging heeft afgekeerd van het materialisme in een verdorven wereld. Daarmee wordt hij een prachtig object om in een wolk van romantiek te worden gehuld, maar Voeten weerstaat die verleiding. Het boek is evenmin sentimenteel. Het is een nuchter en goed geschreven verslag van de smerige ellende in de tunnels; daaraan ontleent het zijn kracht.

Voeten schenkt regelmatig aandacht aan het frequente drugsgebruik onder de tunnelbewoners en aan de ziektes, met name aids, die er heersen. Sommige tunnelbewoners zijn misdadigers. Onder hen bevindt zich een kinderverkrachter, die vijftien jaar in de gevangenis heeft gezeten, en iemand die honderden roofovervallen heeft gepleegd en ten slotte een moord beging.

Ze hebben soms achtergronden die even schilderachtig zijn als die van Bernard. Marcus bijvoorbeeld is een specialist op het gebied van de moderne film. 'Illustere namen als Margaretha von Trotta, Werner Herzog en Andrej Tarkovski rolden probleemloos over zijn tong', schrijft Voeten. Marcus vertoeft vaak in de muziekbibliotheek om naar klassieke muziek te luisteren of gaat in de openbare bibliotheek wetenschappelijke tijdschriften lezen.

'De problemen', verklaart Voeten, 'begonnen tijdens zijn studietijd. Als zware heroïnegebruiker draaide hij volledig door. Tijdens een Vietnam-protest stak hij zichzelf in brand; hij werd met zware verwondingen in het ziekenhuis opgenomen. Later belandde hij in psychiatrische inrichtingen. Weer op vrije voeten raakte hij opnieuw aan de drugs.'

Hoe daklozen aan de kost komen wordt door Voeten uitvoerig uit de doeken gedaan. Een van de voornaamste activiteiten van Bernard is het inzamelen van lege bier- en limonadeblikjes. Om milieuvervuiling tegen te gaan voerde de staat New York in 1983 statiegeld in op lege blikken en flessen. Voor zwervers betekende dit een buitenkansje. Sommigen zijn zelfs miljonair geworden door zelf een groothandel in blikjes te beginnen. De blikjes moeten bij speciale centra worden ingewisseld, maar deze zijn alleen overdag geopend. Zwervers kunnen vaak niet wachten tot de centra de deuren openen, omdat ze verslaafd zijn en snel geld nodig hebben om drugs te kunnen kopen. Vandaar de groothandelaren, die twee blikjes kopen voor de prijs van één, maar wel dag en nacht beschikbaar zijn.

Dergelijke kleurrijke details maken Voetens verhaal aan de ene kant levendig, aan de andere kant heeft zijn betoog soms de neiging in een overdaad aan beschrijvingen van dagelijkse beslommeringen te verzanden, waardoor bij de lezer een gevoel van verzadiging ontstaat.

Gelukkig wordt het betoog soms doorbroken, doordat Voeten bij tijd en wijle de aandacht verlegt naar andere daklozen, zoals de zogenoemde molmensen die vertoeven in donkere, vuile zijgangen van de metrotunnels. Naar schatting nemen hier enkele honderden tot vele duizenden zwervers vooral in de winter hun intrek. Met een schoonmaakploeg waagt Voeten zich in de metrotunnels. De mensen die er leven, zijn meestal hoopjes ellende. Ze zijn vaak verslaafd en soms geestelijk gestoord. Volgens een schoonmaker komen sommigen er alleen om in alle rust te sterven. 'Wij ruimen ze dan op.'

Hulpverlening is er wel. Deze is gericht op het verstrekken van slaapplaatsen voor zwervers, op afkickmogelijkheden, op het vinden van regelmatig werk en op huisvesting. Dat laatste is echter niet zo gemakkelijk voor mensen die vele jaren niet in een huis hebben gewoond, vertelt een hulpverlener. 'Sommige mensen worden gek als ze opeens tussen vier muren zitten. Anderen trekken de wc's niet door, ze stoken een vuurtje in de kamer, ratten krijgen de overhand. Binnen de kortste keren is het een puinhoop en worden ze er weer uitgezet.'

De oorzaken van het daklozenprobleem zijn volgens Voeten: de toenemende werkloosheid; de goedkope en zwaar verslavende drugs, zoals crack, die in de jaren tachtig op de markt kwamen; de aidsepidemie; het door strengere bouwverordeningen verdwijnen van driekwart van de goedkope hotels in New York; en de bezuinigingen op de sociale voorzieningen tijdens de regering-Reagan, waardoor onder meer veel psychiatrische patiënten hun uitkering verloren en op straat belandden. Een groot deel van het daklozenprobleem moet dan ook op het conto worden geschreven van een harteloze samenleving die zich onvoldoende bekommert om het lot van de allerarmsten.

Jos van der Linden

Teun Voeten: Tunnelmensen.

Atlas; ¿ 39,90.

ISBN 90 254 0866 4.

Meer over