Onbestemd verlangen

Voormalig superambtenaar Arthur Docters van Leeuwen debuteert met de dichtbundel Weggewaaid, op 68-jarige leeftijd, en tsjonge, er staat ook iets homo-erotisch in.

Het is natuurlijk en onmiskenbaar gezeur, om te denken dat het bevoegd gezag geen vrije geesten kent, die tussen het schrijven van doortimmerde beleidsmatige documenten met tranen in de ogen Chinese landschapspoëzie lezen. Dat zijn volgens Arthur Docters van Leeuwen scheidingen die niets met de werkelijkheid te maken hebben. Het is maar goed dat het gezag vrije geesten heeft, en dat kan hij als vrije geest weten.

Hij schuifelt gebogen door zijn woonkamer, terwijl de opruiende countryblues van C.W. Stoneking door zijn statige Haagse huis galmt. Het voormalig kopstuk van de veiligheidsdienst, justitie en toezichthouder van de financiële markten gaat zitten, vult de voorkamer met zijn zachte stem, zijn ogen samenknijpend tot kleine streepjes.

Hij is nu als 68-jarige een debuterend dichter, met een echte bundel die Weggewaaid heet, bij een belangrijke uitgeverij (Prometheus) die ooit zijn memoires zal uitgeven. Zeven jaar geleden druppelden er gedichten bij de literaire tijdschriften Kinbote en Meander binnen, en schreef hij sprookjes en langer geleden erotische verhalen, onder het pseudoniem Hein Wybrand.

Hij ziet het zo: In Engeland is het de normaalste zaak van de wereld dat je je als afgezant van het ambtelijk bolwerk, maar ook in de politiek, verwant voelt met een literaire traditie. Hij verkeerde in die kringen als BVD-baas toen er nog een echte IRA-dreiging was die uitwaaierende naar Nederland. 'Als je daar als civil servant niet een biografie had geschreven, of een detective, of gedichten, of een verhandeling over het oud-Perzisch, dan telde je echt niet mee.'

Bij de Europese financiële toezichthouders had hij een Engelse ambtelijke collega die twee literaire recensies per week schreef, voor The Times, en dat al twintig jaar lang. 'De literaire traditie bij Nederlandse ambtenaren is meer onderdrukt. Ik zie veel minder memoires, of autobiografieën, of ja toch, vertelt aan... Dat stelt niks voor, dank je de koekoek.'

Je bood me je borsten aan

Die weerstonden nog net de zwaartekracht

Bovendien hadden ze een grijsgroen weerschijn

Ik zie ze nog en voel ze nog

Probeer je niet voor te stellen dat hij tijdens zijn drukke werkzaamheden in een Haagse kantoortuin opeens een lyrische ingeving heeft, of stiekem weg zoeft naar erotische wensdromen, zoals in bovenstaand gedicht. Als hij werkt, is hij 'een wilskrachtig denker'.

'De gedichten waren nooit een manier om te ontspannen, in tegendeel. Ik heb gewoon niet zo'n geest die zich onder druk voelt staan. Ik ben lui en traag en er gebeurt pas wat als de boel in beweging is. Ik heb de maatschappelijke strijd altijd van me kunnen afzetten. Op het moment dat je een idee krijgt voor een gedicht, dan is het buffelen geblazen. Wat wil ik gaan zeggen? Wat bedoel ik nou toch? Gedichten moet je conserveren, je bent ze zo weer kwijt.'

Hij is zich in dit geval bewust dat alles wat hij schrijft in de gaten wordt gehouden. Want als je vraagt van welke politiek kopstuk of geheim agente de borsten zijn, verwijst hij naar de eerste twee regels van het gedicht:

Je naam geef ik niet prijs

Want journalisten zullen je naam verscheuren.

Hij loopt stommelend de trap op - 'voor de kunst ga ik naar boven, alleen daarom' - en komt van zijn zolder met een groen, uit elkaar vallend schoolschriftje. Veel gedichten heeft hij niet geschreven, de afgelopen twintig jaar, maar af en toe pakte hij zijn schriftje voor een woord, een zin, en daar zette hij een datum bij.

'Opeens heb je een dichtregel en dan is er een tijdje, soms een jaar, niks. Het kan gebeuren dat je iets anders aan het doen bent - rekeningen overmaken - en dan is het er opeens, panklaar. Nou ja, niet helemaal af, want het blijft altijd poetsen en slijpen. De flarden komen vooral binnen als je niet bent ingericht op zakelijkheid.'

'Ik voel me het meest verwant met die combinatie van realisme en ironie, zoals bij Gerard Reve. Van poëzie zonder humor word ik zwaar op de hand. Als ik Friedrich Hölderlin lees - prachtig hoor, die Duitse lyriek - maar dat is toch geen vrolijke boel. Ik heb liever een dichter waar iets spottends doorheen schemert. Ik las niet alle boeken van Reve, ik heb een zekere neiging het wel te geloven. Maar die gedichten, daar zal hij lang beroemd om blijven.'

Ik kom langs de winkel

En bemerk weer de zweem van welwillendheid

Van het meisje met de donkere huid

Dat eertijds een kop groter was en al tepels had.

Als iets zijn bundel karakteriseert, is het een sterk verlangen. Hij noemt het zelf een 'onbestemd verlangen'. 'Dat heb ik altijd gevoeld, en geprobeerd vorm te geven in de gedichten. Het is een reviaans verlangen, zeer zeker. Over dat ene zachte meisje dat ik zomaar zag. En ja er staat ook nog een homo-erotisch gedicht in de bundel, over een jongensblik. Tsjonge tsjonge, daar zal de hele vaderlandse pers wel weer overheen vallen.'

'Ik ben ermee geboren, met dat onbestemd verlangen. Toen ik een jaar of veertien was ben ik gaan schrijven, en daar kwam dat in naar voren. Nog veel vroeger maakte ik ook gedichten, maar dat was vooral omdat het van mijn moeder moest. Die moest ik insturen naar Oom Henks Kinderhoekje, in de Zeister Courant. Als je dat goed deed kreeg je punten en als je er genoeg had, dan mocht je mee op het reisje van de krant. Ik had een enorme hekel aan die versjes, maar ik deed het natuurlijk toch, omdat ik vond dat ik het kon. De poëzie is niet uit liefde begonnen.'

Vader, kom alsjeblieft niet meer,

Want ik zal het nooit begrijpen.

Nooit, nooit, hoe vaak je ook terugkomt.

Vraag hem niet zijn gedichten uit leggen, want voordat je het weet, geeft deze en gene aan elke spatie en komma een diepere betekenis. Alsjeblieft zeg, zucht hij. 'Je wordt doodgegooid met al die uitleggerigheid.' Voor het gedicht over zijn vader, vertegenwoordiger in eetgerei, wil hij wel een uitzondering maken.

'Mijn vader is overleden aan kanker, maar in die tijd praatte je daar niet over. Hij heeft er vier jaar over gedaan om dood te gaan, die arme man. Wij wisten maar niet wat er aan de hand was. Dat vind je terug in dat gedicht. Hij was ziek, en kwam weer terug. En kreeg weer de kanker en wij hadden geen flauwe notie. Een unheimische sfeer was er daardoor, alsof er een groot geheim door het huis dwaalde.'

'Mijn moeder bleef achter met vier kinderen, in 1957. Wij hadden een mooie nette naam, maar verder niets. Het was een onaangename armoede, maar niet bitter. Je kunt veel aan als kind. Wij hadden commensaals in huis, om het schamele pensioen een beetje aan te vullen. Mijn zusje en ik kookten, deden boodschappen, maakten schoon. Mijn moeder was invalide dus dat moest wel. We werden op een prettige manier geholpen door de kerk in Zeist. Mijn moeder zat overal in het bestuur - ik heb dat van haar. Dan kwam de vrouw van de dominee om zaken te bespreken en dan zei ze bij vertrek, op discrete wijze: 'O, ik zou het nog bijna vergeten, ik heb nog een envelop voor u.' Daar werd niet over gesproken, zo van: kijk ons eens liefdadig zijn. Oud geld heeft qua manieren zeker zijn voordelen.'

'Ik vind cynisme en defaitisme heel makkelijke emoties, die zie je nogal eens in de financiële- en veiligheidshoek. Ik heb dat niet. Dat komt door mijn ouders, die moesten dan wel hard werken maar gingen daar niet onder gebukt. De liefde voor literatuur en kunst bleven belangrijk. Arthur komt dan ook van de schrijver Arthur van Schendel - om maar aan te geven dat mijn ouders niet op hun achterhoofd waren gevallen.'

De waarheid is een donkere god

Die wrokkig in zijn grot zit

De waarheid is moeilijk te vinden, het klinkt raar uit zijn mond. Want als iemand toch wist wat er werkelijk achter de schermen gebeurde - jarenlang, was het Docters van Leeuwen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat zijn binnenzakken uit elkaar spatten van grote geheimen, op financieel- en op veiligheidsgebied. Dan zegt hij langzaam, elk woord in marmer beitelend: 'De waarheid openbaart zich zelden spontaan.'

'Je moet de steen voor de grot wegrollen. Met praten kan iedereen je een rad voor de ogen draaien, maar in geschrift is dat een stuk moeilijker. Zoals in wat ik nu doe als voorzitter van de commissie Modernisering Diplomatieke Dienst. Ik ben op zoek naar de waarheid. Waarom gaat het niet goed met de diplomatieke dienst? Uiteindelijk zie ik wat ik moet zien, en moet ik het onder woorden brengen. Je moet een mentale foto ontwikkelen.'

Van iemand die het van zijn zuster zei te hebben

Hoorde ik dat hij rechtuit de zee was in gelopen.

Het wordt in twee delen verteld in Weggewaaid, het verhaal van zijn Zeister jeugdvriend Harro die boven komt terwijl hij verdronken was, of misschien toch ook weer niet. Het zijn gedichten die hij al dertig jaar bewaart, en nog wel met een open einde, losgezongen van de waarheid.

'Het gebeurde rond mijn twintigste, precies in een leeftijd dat er veel zelfmoorden werden gepleegd. Ik hoorde het pas naderhand en ook nog via via , toen ik al in Utrecht studeerde. Ik hoorde dat Harro de zee is in gelopen.'

'Toen ik dat gedicht schreef, ben ik me nog een keer gaan afvragen waar hij toch was. Dat was weer twintig jaar later na zijn daad- zo staat het ook in het gedicht. Harro komt boven, in mijn geest. Ik miste hem, waar is-ie toch gebleven, ik dacht aan hem. Ik heb het natuurlijk gecheckt, of geprobeerd te checken, het zou gek zijn als ik dat niet zo doen. Maar ik heb niks gevonden, ook zijn familie niet. Ik weet ook niet eens of hij echt dood is.'

'Ik heb echt lange tijd willen weten hoe het zat, het zat me dwars. Maar inmiddels lig ik er niet meer van wakker. Ik ben toch al een goede slaper. Ik lijd niet onder mijn kunst. Dat zou misschien wel moeten, want dan zou er nog meer poëzie uit me stromen.'

undefined

Meer over