OMGANG MET HET VERLEDEN

ER zijn weinig landen waar de naam van een metrohalte leidt tot politieke strijd en bespiegelingen over het donkere verleden....

Duitsland blijft een land met een Verleden. Worden er nieuwe naambordjes gegraveerd, dan komt het schuldgevoel over vroeger naar boven, of juist de ergernis daarover. Zeker nu regering en parlement dit jaar verhuizen van Bonn, hoofdstad van de onberispelijke na-oorlogse democratie, naar Berlijn, de stad waar twee wereldoorlogen werden begonnen en de jodenvernietiging werd gepland.

Het wekt dan ook geen verbazing dat de Duitsers aan de eindeloze reeks debatten over de omgang met hun verleden een nieuwe discussie hebben toegevoegd: over de juiste naam voor het Rijksdaggebouw in Berlijn, waar de Bondsdag al over veertig dagen zijn eerste zitting houdt.

Politiek correcte parlementariërs in Bonn willen af van de naam Reichstag. Het parlement is immers het wetgevende orgaan van de democratische bondsstaat. Alle associaties met het Duitse Rijk moeten worden vermeden.

Wolfgang Thierse, de sociaal-democratische Bondsdagvoorzitter, heeft daarom voorgesteld het beroemde gebouw aan te duiden met het technocratische 'plenargebäude'. De metrohalte in de buurt moet volgens hem en de ouderenraad van de Bondsdag Deutscher Bundestag gaan heten, en niet zoals gepland, Reichstag.

Maar de bestuurders van Berlijn pikken dit niet. De naamplaten van het metrostation en de verkeersborden die verwijzen naar het gebouw blijven gewoon Reichstag vermelden, lieten ze weten. Desnoods is de stad bereid in kleine letters toe te voegen: 'zetel van de Duitse Bondsdag'.

Voor de rest mag de Bondsdag 'op eigen terrein' naar goeddunken bordjes ophangen, zei een woordvoerster van de gemeente. Dat wordt dadelijk een interessante wandeling van het metrostation naar de parlementszaal.

Behalve de Berlijners zijn de rechtse oppositie en de meeste columnisten in het geweer gekomen tegen de omdopers. Zij hebben er geen bezwaar tegen dat de Bondsdag voortaan vergadert in de Rijksdag.

In de kranten staan twistgesprekken tussen voor- en tegenstanders van de naam Rijksdag. De voorstanders wijzen erop, dat het Berlijnse parlement toch ook vergadert in de Pruisische landdag, terwijl Pruisen niet meer bestaat. De tegenstanders voeren aan, dat het gebouw waarin het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gehuisvest toch ook niet Reichsbank blijft heten.

De politici die afwillen van de naam Rijksdag begeven zich op ingewikkeld historisch terrein. Zij associëren de Rijksdag met het Duitse nazi-verleden, omdat de brand in het gebouw in 1933 het startschot was voor de nazi-terreur, en de institutie onder Hitler veranderde in een showparlement.

Maar, zoals Brian Ladd in zijn boek Ghosts of Berlin schrijft, het gebouw kan net zo goed met de Duitse democratie worden geassocieerd. Keizer Wilhelm II noemde het parlement wegens zijn afkeer van de beginnende democratie het Reichsaffenhaus. Het gebouw, dat hij slechts twee keer bezocht, was 'het toppunt van smakeloosheid'.

In 1918 riep de gematigde sociaal-democraat Scheidemann vanaf het balkon van de Rijksdag de Duitse republiek uit. Met de stichting van de Weimar-republiek kwam de macht in Duitsland voor het eerst in democratische handen, met het Rijksdaggebouw als zetel.

Hitler had net als de keizer een afkeer van wat hij de Schwatzbude noemde. De Russen zagen het gebouw weer wel als bolwerk van de nazi's, en het hijsen van de rode vlag op het dak als symbool van hun overwinning.

De Rijksdag is dus de steengeworden geschiedenis van de roerige Duitse twintigste eeuw. De Britse architect Sir Norman Foster heeft dit bij zijn verbouwing benadrukt. Op bepaalde muren heeft hij de graffiti van Sovjet-soldaten uit 1945 laten zitten.

Pogingen met een steriele naamsverandering 'aan de goede zijde van de geschiedenis te belanden' zijn gedoemd te mislukken, stelde een commentator. Iets onaangenaams verdwijnt niet als je het maar een andere naam geeft.

De verhuizing naar Berlijn betekent juist een onvermijdelijke confrontatie met de Duitse geschiedenis. En dat is ook wenselijk, vinden sommigen. Zo kan het ongelukkige Duitse verleden worden gevuld met een vrije toekomst, met de verworvenheden van de nette Bonner democratie. De 'Berlijnse republiek' die nu ontstaat kan zo worden gezien als een poging een democratisch Duitsland op te bouwen met een evenwichtiger omgang met de eigen geschiedenis.

Bondskanselier Schröder heeft daar wel oren naar. Afgelopen weekeinde sprak hij zijn machtswoord: de naam van het gebouw moet Rijksdag blijven, want in het algemene spraakgebruik is die naam ingeburgerd geraakt. Schröder noemde het een 'oude hebbelijkheid' van zijn partij, de SPD, om het volk een opgeheven wijsvinger te tonen. De Duitsers gaan 'te verkrampt' met hun geschiedenis om, vindt de bondskanselier.

Maar de ongecompliceerde toon van één bondskanselier maakt nog geen normaal land. CDU-parlementariër Nooke kondigde aan dat, hoe de beslissing ook uitvalt, zijn fractie Rijksdag zal zeggen. Zijn Groene collega Schulz zal straks hoe dan ook vasthouden aan het woord Bondsdag.

Meer over