Interview

OM-topman Rinus Otte: ‘Nóg meer vrijheid voor rechters kan ontaarden in willekeur’

Na de toeslagenaffaire streeft de rechterlijke macht bijna unaniem naar meer consideratie met burgers. Zo niet procureur-generaal Rinus Otte. Rechters genieten al enorme vrijheid, zegt hij, en moeten niet op de stoel van de wetgever gaan zitten.

Martin Sommer
Rinus Otte maakt deel uit van het College van procureurs-generaal, dat leidinggeeft aan het Openbaar Ministerie. Beeld Jiri Büller / de Volkskrant
Rinus Otte maakt deel uit van het College van procureurs-generaal, dat leidinggeeft aan het Openbaar Ministerie.Beeld Jiri Büller / de Volkskrant

De toeslagenaffaire trekt tot vandaag diepe sporen door Den Haag. Er viel een kabinet over, er zou een nieuwe bestuurscultuur komen met meer ruimte en aandacht voor de Tweede Kamer. Onlangs begon het ministerie van Binnenlandse Zaken een zelfonderzoek naar ‘hardvochtige wetten en regels’. Meer nog dan de politiek stortte de rechterlijke macht zich in wroeging en vernieuwingsdrift. Maatwerk werd het sleutelwoord, meer aandacht voor de zorgen en bekommernissen van burgers die in botsing komen met de overheid.

Deze koerswijziging werd bijna unisono toegejuicht, maar niet door Rinus Otte. Otte maakt deel uit van het College van procureurs-generaal, dat leidinggeeft aan het Openbaar Ministerie. Zijn kritiek op het maatwerk geldt voor het recht in de breedste zin: maatwerk brengt de rechtsgelijkheid in gevaar; door maatwerk dreigt willekeur.

Otte (61) is sinds zes jaar verbonden aan het Openbaar Ministerie. Voordien was hij rechter, en hij is nog steeds hoogleraar organisatie van de rechtspleging. Otte staat bekend om zijn scherpe tong en zijn eigenzinnige opvattingen, en is weinig geliefd in kringen die een liberalere euthanasiepraktijk voorstaan. Daar heet hij conservatief.

Waarom baart de populariteit van maatwerk in het recht u zorgen?

‘De Raad van State heeft uitvoerig zelfonderzoek gedaan na de toeslagenaffaire. Ze zijn ook bij ons langs geweest. Ik was daar ambivalent over. Het is natuurlijk verkeerd gelopen, onder meer door de algoritmen en etnische profilering. Dat zat er allemaal in en was echt te rigide. De wetgever had een ventiel moeten inbouwen, er was geen marge voor de rechter om de ouders in het gelijk te stellen. Maar dat is tegelijk de reden waarom ik minder kritisch ben op de rol van de rechter dan anderen. Als de wet een zaak afsnoert, vind ik niet dat je jezelf als rechter met as hoeft te bestrooien en zeggen: wat heb ik hier een groot onrecht begaan.’

Wat heeft dat met maatwerk te maken?

‘Daaronder zit een opvatting over de wet. Ik las in het blad S&D een artikel van de econoom Paul de Beer, ‘Maatwerk is geen oplossing’. Dat raakte de kern. We gaan van ‘ongekend onrecht’, zoals het rapport van de onderzoekscommissie over de toeslagenaffaire heette, naar ‘ongezien onrecht’. Die pendule gaat al tweehonderd jaar heen en weer, zolang wij een rechtsstaat hebben. De rechtsstaat is gebouwd op gelijkheid voor de wet, en uiteraard vrijheid en broederschap. Er moet rechtsgelijkheid zijn en rechtseenheid, om willekeur te voorkomen en te vermijden. Dat is de kern van de rechtsstaat en dus de rol van het Openbaar Ministerie.

‘De tegenhanger daarvan is het individuele oordeel van een rechter. In Nederland heeft een rechter enorme vrijheid. Meer dan in Duitsland of België. Daar hebben ze minimumstraffen, die hebben wij niet. Als je dan zegt: we kiezen voor maatwerk, dan komt er nog meer ruimte voor een rechter of een ambtenaar, en dat kan ontaarden in willekeur. Vandaar ‘ongezien onrecht’, want dan zie je niet meer wat de algemene regel is achter de beslissing.’

Welke risico’s brengt maatwerk met zich mee?

‘Het gaat er niet om of iemand een deugdelijk rechter of ambtenaar is. Maar als je toelaat dat oordelen worden gebaseerd op persoonlijke opvattingen, dan gaat het fout. Nu hebben we een rapport over de hardheid van de wetgever, over tien jaar zul je zien dat er een rapport komt over de rechtsongelijkheid. Ik heb vertrouwen in de rechtspraak, maar zie nog liever dat die wet precies geformuleerd is. Ik ben een legalist, voorstander van een precieze uitleg van de wet, wat over het algemeen niet als een compliment wordt beschouwd.’

In de toeslagenaffaire heeft de Raad van State op zeker moment bepaald: die wet deugt niet, wij nemen een andere afslag. Wat mankeert daaraan?

‘Het legaliteitsbeginsel wil zeggen dat een wet zo precies is dat een rechter haar helder kan toepassen. De rechter is niet helemaal ‘de mond van de wet’, zoals de Fransen vroeger zeiden. Maar hij moet wel zoveel houvast hebben dat hij niet op de stoel van de wetgever gaat zitten. Hoe ruimer de wet, hoe meer de rechter alle kanten op schiet. Toen ik zelf rechter was, nam ik de ruimte die de wet mij gaf, maar niet meer dan dat. Er zijn ook rechters die dan zeggen: die wet is niet goed. Zo heeft de wetgever bijvoorbeeld verboden dat recidivisten een taakstraf krijgen. Veel rechters zijn het daarmee oneens. Zij willen eigenlijk een taakstraf opleggen, geven dan één dag gevangenisstraf en daarnaast die taakstraf. Het mag, maar ze omzeilen zo de bedoeling van de wetgever, om recht te doen aan de persoonlijke omstandigheden van een individu.’

U vindt dat rechters er niet zijn om zich in te spannen voor het individuele levensgeluk; waarom eigenlijk niet?

‘Het recht is gericht op de gemeenschap, niet bedoeld om iemands zelfbeschikking, zelfvervulling of zelfontplooiing verder te brengen. Toch gebeurt dat, omdat rechters menen dat de wetgeving tekortschiet, verouderd is, of dat de uitvoering eenzijdig uitpakt. Tegenwoordig claimen mensen overal een recht. Die groei van rechten nam een vlucht na de Tweede Wereldoorlog. Dat is uitgemond in slachtofferrecht, klimaatrecht, vrouwenrecht, dierenrecht. De spiegel van het volk zit in de Tweede Kamer, die vertegenwoordigt een samenleving waarin burgers trachten de hemel op aarde te realiseren. Men claimt dus steeds meer rechten. De gevoelens van de burgerij komen via het parlement terecht bij het departement. Dat maakt er een wet van en dan komt het bij de rechtspraak. En dan moet de rechter vaak schipperen.’

Waar gaat dat naar uw oordeel knellen?

‘De rol van de overheid is om al die rechten te helpen effectueren. Om een actueel voorbeeld te nemen: levensbeëindiging bij kinderen tot 12 jaar. Een uitermate gevoelig onderwerp. Binnenkort wil minister Kuipers van VWS daarover een regeling het licht doen zien, maar het College van procureurs-generaal is kritisch. Het is een mooi streven om artsen meer duidelijkheid te geven over levensbeëindiging van ernstig zieke kinderen. Maar zo’n regeling moet niet de deur openzetten om levens van zwaar gehandicapte kinderen te beëindigen, bijvoorbeeld omdat ouders of artsen dat zien als lijden en denken dat dat leven van onvoldoende kwaliteit is.

‘In 2004 speelde dat rondom het zogenoemde Groninger protocol. In Rotterdam liet een kinderchirurg zien dat een open ruggetje goed operabel is en de ingreep het lijden beperkt, terwijl ze in het UMCG Groningen vonden dat het grond was voor levensbeëindiging. Die kwestie is door artsen nooit uitgediscussieerd. Het recht op leven is stevig verankerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarin staat uiteraard ook het recht op zelfbeschikking, waarnaar een verzoek om levensbeëindiging door een patiënt verwijst. Maar dat verzoek ontbreekt bij levensbeëindiging van jonge, wilsonbekwame kinderen.’

Is dat niet het kernprobleem met het honoreren van mensenrechten: dat ze in veel gevallen strijdig zijn?

‘Ja. Mijn opvatting, en daarin ben ik niet de enige, is dat je terughoudend moet zijn met het snel honoreren van een rechtenclaim, omdat er vaak een ander recht naast staat, en het snel tot een overheidsplicht kan leiden. En dan kom ik terug op mijn standpunt over de verhouding tussen wet en recht: de wetgever moet meer precisie betrachten. Zo’n regeling voor euthanasie bij kinderen onder de 12, dat zou een wet moeten zijn. Kwesties over leven en dood, waarover zoveel verschil van mening bestaat in de medische en politieke wereld, moet je via het parlement regelen.’

Een vergelijkbare kwestie speelt zich af rondom euthanasie bij dementerenden. Het College van procureurs-generaal maakte vorig jaar bezwaar toen de toetsingscommissie met een nieuwe euthanasiecode voor artsen kwam. Het Openbaar Ministerie was er niet in gekend, het strafrecht kwam er niet meer aan te pas. Het bezwaar kwam in de media terecht als ‘een machtsstrijd’ tussen Otte en Jacob Kohnstamm, de vorige voorzitter van de toetsingscommissie. Otte had toch al een conservatieve naam, omdat het Openbaar Ministerie een paar keer een strafrechtelijk onderzoek was begonnen in een euthanasiezaak. Eén arts werd vervolgd wegens moord, maar uiteindelijk ontslagen van rechtsvervolging.

Hoe komt het toch dat het lijkt alsof de conservatieve Rinus Otte de voortgang van de euthanasiepraktijk in de weg zit?

‘Ik voel me niet conservatief. Wat wel zo is, en dat heeft Jacob Kohnstamm gezegd: Rinus is niet meer gelovig, maar hangt wel aan de bijbel van de wet. Ik ben een groot aanhanger van het recht, want het is het enige dat ons onderscheidt van een bananenrepubliek. Ik begrijp wel dat artsen het lastig vinden dat het hier om strafrecht gaat, maar zolang in de wet staat dat dingen strafbaar zijn, gaat het Openbaar Ministerie over de beslissing of er wordt vervolgd. Ik ben trots op onze artsenij, die van hoog niveau is. Maar ook artsen vallen onder de beperkingen van het recht, net als andere bijzondere beroepsgroepen als notarissen of piloten. Ik kan het ook niet helpen.’

U zei hierover: we moeten ook de artsen beschermen.

‘Dat is het! In de euthanasiepraktijk lijkt het wel alsof de individuele wens van de patiënt leidend is, maar vergeten wordt dat de arts wel iemand moet doden. Dan luistert de toetsing heel erg nauw. De individuele burger wil zijn eigen leven, zijn lijden en lot beheersen, tot het einde toe. Maar meer dan dat telt de rechtsbescherming, ook van de arts die niet te gemakkelijk tot het doden in plaats van genezen mag worden gebracht. Ik doe dit niet namens het OM om een soort kruistocht te voeren. Als duidelijk is wat wel en niet mag, kunnen artsen zich beter verweren tegen mensen die druk uitoefenen om euthanasie te plegen. In die zin beschermt het strafrecht niet alleen de patiënt, maar ook de arts.’

Uw opvatting dat het recht te veel het spoor zoekt van de maatschappijverbetering, blijkt ook uit uw visie op de zogeheten verwarde personen. U vindt dat criminelen te snel worden gediagnosticeerd met een stoornis.

‘We hebben een grote groep waarmee op mentaal vlak van alles aan de hand is. Die mensen komen in het strafrecht terecht, maar horen eigenlijk thuis in de ggz. Daar zit een groot probleem, voor de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak, om die mensen geplaatst te krijgen. Maar het omgekeerde is ook waar, en dat is de vraag of mensen die in het strafrecht terechtkomen wel zo snel gediagnosticeerd moeten worden met een stoornis. We moeten voorzichtig zijn met zeggen dat de vrije wil is verstoord. De neiging is sterk om iemand niet helemaal toerekenbaar te verklaren. Zeker in kleine zaken is het de vraag of we mensen hun verantwoordelijkheid zo snel moeten ontnemen. Het gevolg kan zijn dat iemand zijn leven lang een stigma met zich meesleept. We moeten niet bang zijn om te straffen, maar uiteraard veroordeelden wel begeleiden.’

U schreef in het vakblad Delikt en delinkwent over de zaak van Gökmen T., die vier mensen doodschoot in een Utrechtse tram. De rechterlijke macht kreeg nadien het verwijt dat hij niet onder behandeling was. Dan had hij namelijk vastgezeten en was de schietpartij nooit gebeurd, was de veronderstelling.

‘T. had een reeks kleine misdrijven gepleegd. Hij had te maken met de reclassering, maar deed de deur niet open. Uiteindelijk is hij wel vastgezet, maar vroeg de rechter zich af of die man in bewaring moest blijven tot zijn zaak voorkwam. Pas later bleek dat hij in de gevangenis iemand een kopstoot had gegeven, maar dat wist de rechter niet. De claim in het politieke debat was, ook in de pers, dat hij met die geschiedenis nooit vrij had mogen rondlopen. Tegen dat idee verzet ik mij fel. Op grond van een reeks kleine delicten kun je een gruwelijke impulsdoorbraak vrijwel nooit voorspellen. Als je alle verdachten van kleine misdrijven vasthoudt om risico’s uit te sluiten, kom je in een politiestaat. Maar de wetgever beslist, de wet is het hoogste goed, dus als je dat wilt, dan kan het.’

Gökmen T. werd na de aanslag meteen een ‘verwarde man’ genoemd. Wat is uw bezwaar daartegen?

‘Als iemand een gruwelijk misdrijf pleegt, dan past daar een indringende en lange sanctie bij. Je moet het kwaad niet bemantelen door daar een stoornis van te maken, of een verwardheid. Dat ontdoet iemand van zijn verantwoordelijkheid en dat vind ik verbloemend.’

Bent u nou een buitenbeentje, met uw opvatting om de nadruk te leggen op de eigen verantwoordelijkheid? U spreekt zelfs van ‘het kwaad bestrijden’. Die woorden zullen niet veel magistraten in de mond nemen.

‘Ik geloof dat veel strafrechtjuristen net zo denken als ik. We noemen het tegenwoordig vergelding, en van oudsher betekent vergelding niets anders dan proportionaliteit en evenredigheid. De spanning tussen schuld en stoornis, of tussen straf of maatregel, die is er al zolang we straffen hebben. Nu maskeren we dat door veel mensen verward te noemen, ook geriatrische patiënten noemen we verward. Er paar jaar geleden waren er dertigduizend verwarde personen, nu zijn het er honderdduizend. Maar de samenleving is echt niet gekker dan dertig jaar geleden.’

Uw artikel in Delikt en delinkwent loopt uit op het menselijk tekort, de mens als krom stuk hout, zoals Kant zegt.

‘Ik ben mild over het menselijk ongemak. We hebben allemaal te maken met pijn, met lijden. Ik heb ook begrip voor het beleidsmatige tekort van de overheid. Als je uitgaat van het tekort, dat alles doortrekt en doordesemt, dan word je vanzelf milder.’

Spreekt hier de voormalige gereformeerde Rinus Otte, of het lid van de VVD?

‘Haha, ik ben gewoon een heel mild mens. Het vinnige, het drieste of het druistige woordgebruik, daar heb ik over het algemeen niet zoveel moeite mee. Ik heb graag een polemiek die de tegenstellingen goed op tafel legt, dat maakt dat ik zelf ook wat scherp aan de wind vaar. Dus als iemand een moord heeft gepleegd, dan zeggen we niet: het is laakbaar. Nee, al duizend jaar zeggen we: iemand doet het goede of het kwade. En als je het kwade doet, volgt een correctie.’