OM: geen vervolging na klacht haatzaaien

Het OM in Rotterdam gaat geen politici en journalisten vervolgen wegens het aanzetten van haat tegen Pim Fortuyn. Het verzoek daartoe van de advocaten Spong en Hammerstein werd dinsdag door de Rotterdamse hoofdofficier van justitie afgewezen....

Spong en Hammerstein zeggen te handelen op verzoek van het bestuur van de LPF. 'We hebben een geschreven opdracht van John Dost, de voorzitter van het bestuur van LPF', zegt Spong. 'Het beklag dat wij vanmiddag bij het gerechtshof hebben ingediend, is ook door hem ondertekend.'

De fractieleider van LPF, Mat Herben, zegt dat zijn fractie niets met deze vervolgactie heeft te maken. 'Zij doen dat zeker niet in onze opdracht. Ik vind het geen zaak voor de politiek. Het is iets tussen de familie en de vrienden van Fortuyn en de betrokkenen.'

Herben deed een oproep aan de politici en journalisten tegen wie Spong en Hammerstein aangifte hebben gedaan om een minnelijke regeling te treffen. In ruil voor hun excuses zou het vervolgingsverzoek kunnen worden ingetrokken, suggereerde de fractievoorzitter.

De Rotterdamse hoofdofficier H. van Brummen legt in een brief aan de advocaten uit waarom het OM geen strafrechtelijk onderzoek instelt. De uitspraken van de politici en journalisten zijn volgens hem gericht op het politieke gedachtegoed van Fortuyn en dat valt niet onder de reikwijdte van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht, dat volgens Spong en Hammerstein was overtreden.

Dit artikel gaat volgens de hoofdofficier alleen over de bescherming van een groep personen tegen het aanzetten tot haat of discriminatie op grond van ras, godsdienst of levensovertuiging. Volgens Van Brummen blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever geen bescherming wilde bieden tegen discriminatie op grond van politieke overtuiging. Dat werd onwenselijk geacht met het oog op het beginsel van vrijheid van meningsuiting.

De hoofdofficier vindt ook dat er in het geval van Pim Fortuyn en zijn lijst geen sprake is van 'een op godsdienst gelijkende existentiële opvatting over de betekenis van het bestaan en de wijze waarop moet worden geleefd, dat van een levensovertuiging kan worden gesproken'. Volgens Van Brummen is de politieke overtuiging van Fortuyn c.s. niet van die aard. 'Het gaat er immers niet om in welke mate het dagelijkse leven van iemand wordt beheerst door politiek, maar of de politieke overtuiging een verband heeft met de overtuiging over de grondslagen van het bestaan, waarnaar vervolgens wordt geleefd.'

Spong en Hammerstein zijn het niet eens met de beslissing en hebben daarover meteen hun beklag gedaan bij het gerechtshof. Volgens hen valt de politieke overtuiging wel onder de reikwijdte van de bepaling. 'Immers, de opvattingen over onder meer de invloed van de islamitische cultuur op Nederlandse normen en waarden, de opvattingen over de menselijke maat in het maatschappelijke leven en de opvattingen over de vernieuwingen in het democratische bestuur, zijn zonder enige twijfel als fundamenteel aan te merken. Het bewijs voor het fundamentele karakter van al deze opvattingen wordt geleverd door de heftige reacties van diverse politieke partijen en hun pertinente weigering die opvattingen te delen.'

De strafpleiters willen dat vervolging wordt ingesteld tegen onder andere politici en journalisten. Volgens hen moest met de aangifte 'het ongenoegen worden weggenomen dat in brede lagen van de bevolking bestaat tegen de wijze waarop politici jegens Fortuyn zijn opgetreden'.

Meer over