Om erger te voorkomen

Er bestaat een paradoxale relatie tussen democratie en etnische zuivering. Dat is althans de stelling van The Dark Side of Democracy: Explaining Ethnic Cleansing, waarin de Amerikaanse historisch-socioloog Michael Mann in ruim 500 dicht bedrukte pagina's zijn licht laat schijnen op de moorddadigste etnische zuiveringsacties van de vorige eeuw: de...

Geen van de regimes die voor deze misdaden tekenden, kan met goed fatsoen als democratisch worden beschouwd, meent ook Mann. Net zo min trouwens als de communisten in Rusland onder Stalin, in China onder Mao en in Cambodja onder Pol Pot. Maar ze lieten zich allemaal wel leiden door een democratiebegrip dat op perverse wijze invulling gaf aan de idee van volkssoevereiniteit. Ze geloofden met andere woorden in de 'proletarische democratie' of in een andere exclusieve interpretatie van de begrippen volk, democratie en natie, die andere groepen buitensluit.

Volgens Mann is genocide - het begrip werd eind jaren veertig gemunt door de Poolse jurist Rafael Lemkin - een typisch 'modern verschijnsel'. De geschiedenis van alle volkeren en werelddelen is weliswaar vergeven van bloedige vervolgingen, moordpartijen en strafexecuties (soms van hele steden), maar pas in de moderne tijd - zeg maar vanaf de Verlichting en de Franse en Amerikaanse revoluties - ontstaat er een politiek en cultureel klimaat waarin complete etnische groepen kunnen worden uitgesloten en, als de nood aan de man komt, 'legitiem' kunnen worden vernietigd.

Dit hangt samen met de opkomst van de natiestaat. Democratie kan volgens Mann op twee manieren worden uitgelegd. In de eerste betekenis verwijst het begrip naar demos (Grieks voor het gewone volk) dat wordt opgevat als een breed geschakeerd geheel van belangengroepen. Deze opvatting kreeg, na decennia van politieke strijd, de overhand in Noordwest- Europa en uiteindelijk ook in de postkoloniale Nieuwe Wereld.

Maar er bestaat nog een tweede interpretatie van democratie, waarin demos wordt vereenzelvigd met het eveneens Griekse begrip etnos en verwijst naar een exclusieve etnische groep met een gemeenschappelijk erfgoed en cultuur.

Dat begon al in het 16de-eeuwse Spanje, toen Ferdinand en Isabella (bekeerde) joden en moslims om religieuze redenen met geweld het land uitdreven. Het kreeg later een vervolg in acculturatieprocessen waarin streekgebonden identiteiten en nationale minderheden via de verbreiding van de Schrift, het onderwijs en de dienstplicht werden omgesmeed tot een overkoepelende nationale identiteit.

In de Nieuwe Wereld werden bovendien in de loop van de 18de en 19de eeuw de oorspronkelijke bewoners, indianen en aboriginals, massaal over de kling gejaagd. Niet slechts omdat zij van oudsher land gebruikten dat de kolonisten voor zichzelf wilden hebben, maar ook uit naam van een, zoals Mann in het geval van de VS laat zien, door tenminste zes Amerikaanse presidenten gesteunde racistische ideologie, waarin de indianen werden beschouwd als een minder soort mensen wier uitroeiing, in de woorden van Theodore Roosevelt, 'uiteindelijk even heilzaam, als onvermijdelijk was'.

Mann richt zich vooral op de grote 20ste-eeuwse massamoorden. Hij analyseert, op basis van onder meer interviews en processtukken, de sociologische achtergrond van de daders en toont aan dat genocide in de regel vooraf wordt gegaan door een factiestrijd binnen de heersende etnische groep, waarin gematigde elementen worden uitgeschakeld.

Burgeroorlogen zoals in voormalig Joegoslavië en Rwanda, waarin gematigde burgers door terreur in de armen van de eigen etnische groep worden gedreven, spelen daarbij een belangrijke rol. Volgens Mann wordt het gevaarlijkste stadium bereikt als twee historisch gewortelde etnische groepen beide een legitieme claim hebben op soevereiniteit.

Het probleem met deze analyse is dat ze in elk geval niet opgaat voor de genocide op Duitse en Europese joden. Die claimden immers geen soevereiniteit (hooguit gelijke rechten), en kregen daarvoor al helemaal geen steun van buitenaf.

Mann lost dit op door te verwijzen naar het 'perspectief van de daders'. Hitler en zijn trawanten geloofden namelijk wél dat de joden naar macht streefden. Ze waren er bovendien van overtuigd dat die zich verbonden hadden met de vijanden van het Reich, het internationale 'joodse' kapitalisme en de dito (communistische) arbeidersbeweging.

Een van de meest controversiële stellingen van Mann luidt dat genocide meestal niet het resultaat is van een weldoordacht plan, maar van een escalatie in een oorlogssituatie waardoor de daders menen dat hen geen andere middelen meer te beschikking staan.

Daarmee suggereert hij niet dat de genocide niet moedwillig was, maar wel dat de meeste genocidale regimes eerst naar andere oplossingen voor hun minderheden streefden: gedwongen assimilatie, intrekken van burgerrechten, roof, dwangarbeid en deportatie.

Dat geldt in zijn ogen zelfs voor de nazi's met hun expliciet antisemitische vernietigingsideologie. Ook de nazi's gingen pas tot hun Endlösung over toen andere oplossingen (Madagaskar, deportatie naar de nieuw veroverde Lebensraum op de Russische steppen) door het hardnekkige verzet van het Rode Leger (Stalingrad) onmogelijk was geworden.

Aan het slot van zijn studie brengt Mann de conflictsituaties in kaart die in de huidige wereld het gevaar van genocide met zich meebrengen. Het goede nieuws is dat die in West-Europa en de Nieuwe Wereld nauwelijks nog te vinden zijn. Ook Centraal Europa heeft in zijn ogen het ergste gehad. De meeste Oost-Europese staten worden tegenwoordig net als de West-Europese geregeerd door een dominante etnische groep die het zich kan permitteren nationale minderheden gelijke rechten toe te kennen.

Zelfs daar waar, zoals in de voormalige Sovjet-Unie en het voormalige Joegoslavië, de conflictstof nog ligt opgestapeld, vormt het lonkend perspectief van deelname aan de Europese Unie een belangrijke rem op de escalatie van conflicten.

Het slechte nieuws is evenwel dat dit in grote delen van Afrika, Azië en het Midden-Oosten anders ligt. Denk aan Atjeh en West-Papoea (Indonesië), Kasjmir (India), de Koerden (Irak, Iran en Turkije), de Tamils (Sri Lanka) en de Tibetanen (China), om over de Tsjetsjenen en de Palestijnen nog maar te zwijgen.

Hoe te voorkomen dat deze conflicten uitlopen op genocide? Anders dan menigeen in het Westen denkt, lukt dit volgens Mann zeker niet met de toekenning van individuele (en politieke) burgerrechten alleen. Langdurige onderdrukking, zoals de dominante regimes praktiseren, biedt al helemaal geen soelaas. Collectieve politieke rechten, al dan niet in de vorm van autonomie of een eigen (con)federale staat, zijn geboden.

In een enkel geval kan het zelfs onontkoombaar zijn bevolkingsgroepen in een milde en goed georganiseerde vorm van zuivering te scheiden in eigen staten of autonome gebieden. Want alles is beter dan een herhaling van de bloedige Europese geschiedenis van de vorige eeuw.

Meer over