Olifanten doden om ze te beschermen

Drie landen in zuidelijk Afrika willen de handel in ivoor hervatten. Door de extra inkomsten zijn ze in staat de olifant in de reservaten beter te beschermen....

MARIEKE AARDEN

EEN NIEUW conflict bedreigt zuidelijk Afrika. Niet een oorlog tussen rivaliserende bevolkingsgroepen, maar een territoriaal conflict tussen twee diersoorten: de mens die land opeist en de Afrikaanse olifant die grote leefgebieden nodig heeft om zijn honger te stillen.

De komende twee weken zal het debat over dit conflict oplaaien tijdens de tiende Cites-conferentie (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna) die maandag begint in Harare (Zimbabwe). De 136 bij Cites angesloten landen komen daar bijeen om te praten over bedreigde planten- en diersoorten.

Om uitsterven van soorten te voorkomen, kunnen de landen die lid zijn van Cites, de handel in deze planten en dieren aan banden leggen. Staat een soort op lijst 1, het strengste regime, dan is handel in deze dieren en producten ervan verboden. Is een soort zeldzaam maar staat zij nog niet op het randje van de afgrond, dan kan met mildere regels worden volstaan, bijvoorbeeld gecontroleerde uitvoer.

De gemoederen zijn enigszins verhit geraakt door een voorstel van Zimbabwe, Botswana en Namibië ter gelegenheid van deze bijeenkomst. Ze willen af van het verbod op export van ivoor dat op de Cites-conferentie in 1989 werd afgekondigd nadat het aantal Afrikaanse olifanten door de jacht op ivoor in één decennium kelderde van 1,2 miljoen naar 300 duizend exemplaren.

De drie landen willen niet terug naar de oude situatie. Ze willen jaarlijks één scheepslading ivoor uit hun voorraad slagtanden naar Japan sturen. Onafhankelijke controleurs moeten toezicht houden en het ivoor mag Japan niet meer verlaten.

Japan heeft behoefte aan ivoor, vooral aan het hardste deel van de slagtand waarvan de hanko wordt gemaakt, het handtekeningstempel. Met de opbrengst uit de ivoorverkoop willen de landen hun olifanten beter beschermen.

Het Wereld Natuur Fonds en Greenpeace zijn tegen. 'Hoe kun je ivoor uit Zimbabwe onderscheiden van ivoor uit Kenya', zegt J. Jonkman van het WNF. 'Het lokt stropers om, net als in de jaren tachtig, olifanten te doden voor het ivoor. Zo lang de controle niet sluitend is, moeten de regels niet worden versoepeld.'

De drie landen stellen dat bij hen de olifant geen bedreigde soort meer is en lijst 1 mag geen symbolische lijst worden, vinden ze. De populaties groeien als kool. Zimbabwe telt nu bijna 75 duizend olifanten - in 1989 waren het er 52 duizend. Volgens de minister voor Milieu en Toerisme is 35 duizend exemplaren het maximum aantal dat in de parken van Zimbabwe kan overleven. Een jaarlijkse groei van 7 procent kan niet gepaard gaan met meer leefgebied voor de dieren.

Voor de groeiende bevolking in de omgeving kan het traumatisch zijn als olifanten de reservaten verlaten. Ze vernietigen oogsten, halen fruitbomen omver, vernietigen dammen, beschadigen gebouwen en als ze worden bedreigd, doden zij ook mensen.

Om de belangen van mens en natuurbehoud op één lijn te krijgen, steunen de Amerikanen in Zimbabwe al jaren Campfire (Communal Areas Management Programme for Indigenous Peoples). De plaatselijke bevolking is opgeleid voor ecotoerisme en is getraind in het bewerken van huiden.

Fotosafari's en meerdaagse jachttochten leveren inkomsten; per dag betaalt de jager negenhonderd tot duizend dollar en voor elk dier dat wordt geschoten, wordt apart afgerekend: tienduizend dollar voor een olifant, drieduizend voor een leeuw en vijftienhonderd voor een buffel. De dorpsraad krijgt ongeveer eenderde van dit bedrag. In 1995 kregen ongeveer tachtigduizend families bijna een miljoen dollar in handen.

Op andere plaatsten is er echter een duidelijk conflict tussen mens en olifant. 'Er zijn te veel mensen en te veel olifanten', zegt W. Bergmans van de World Conservation Union (IUCN), die met het WNF onderzoekt of soorten bescherming verdienen en dus op de Cites-lijsten geplaatst moeten worden. 'Je kunt het ermee oneens zijn, maar olifanten worden afgeschoten.

'Iedereen vindt dat Botswana, Namibië en Zimbabwe hun olifanten goed hebben beheerd en dat ze daardoor zijn toegenomen in aantal. Je kunt die drie landen niet eeuwig straffen voor het ontbreken van beleid elders. Kenya maakt veel stampei over het voorstel de ivoorhandel beperkt toe te staan, maar daarmee probeert het land de aandacht af te leiden van het feit dat het zelf niet zo goed voor zijn olifanten zorgt', aldus Bergmans.

Over één ding is iedereen het eens; de Afrikaanse olifanten gaan een zware tijd tegemoet. Als ze niet sterven door de jacht, gericht afschot om de populatie in toom te houden of door stropers, zullen veel olifanten door verhongering sterven als gevolg van snelle toename in aantal.

Soms kan een andere aanpak, zoals overplaatsen naar andere reservaten of minder bedreigde gebieden, een bruikbare tactiek zijn. Twee jaar geleden werden 222 olifanten verdoofd en binnen Zuid-Afrika verplaatst. Maar dat biedt hoogstens tijdelijk soelaas. Zuid-Afrika telt nu 9900 olifanten en het beschikbare leefgebied kan 13- tot 14 duizend exemplaren hebben. Als de olifantenpopulatie jaarlijks met 7 procent groeit, zal de ruimte over vier à zes jaar volledig zijn benut.

Anticonceptie kan het probleem misschien verminderen. Er wordt geëxperimenteerd in het Krugerpark in Zuid-Afrika. 21 Olifanten zijn ingespoten met een eiwit dat afkomstig is van de buitenkant van de eicellen van varkens. Daardoor worden antistoffen tegen dit eiwit gemaakt, die zich vervolgens aan de eicel van de olifant hechten, zodat bevruchting wordt verhinderd. 'Anticonceptie bij olifanten is erg duur', schrijft de Zuid-Afrikaanse parkraad, 'Zo duur dat, zelfs als het werkt, het alleen in kleine nationale parken toepasbaar is.'

Ondanks alle inspanningen blijft in zuidelijk Afrika de hoeveelheid olifanten toenemen en zelfs het grootste reservaat is onvoldoende vergeleken bij de vroegere leefgebieden. Om een catastrofe te vermijden, pleiten veel onderzoekers voor een gereguleerd afschot, bijvoorbeeld van een hele kudde tegelijk. Dat zou de minst wrede aanpak zijn. Olifanten schijnen enorm te lijden als een lid van de kudde sterft, aldus een onderzoeker van het World Watch Institute.

De westerse landen hebben volgens Schürmann veel geleerd van de opstelling van Botswana in 1994. Moe als de ontwikkelingslanden waren van het westerse 'eco-kolonialisme' kwam Botswana met een verrassende zet: de haring moest op lijst 1 want die dreigde door overbevissing op de Noordzee uit te sterven.

Botswana vertolkte daarmee de gevoelens van onbehagen over de westerse arrogantie. Zijn voorstel was bedoeld als ernstige vermaning, maar het land wilde er ook mee laten blijken hoe het is als landen aan de andere kant van de wereld zich indringend met andermans zaken bemoeien. Het heeft in Nederland nog geen effect gesorteerd. De Nederlandse regering is tegen de hervatting van de ivoorhandel, zo liet minister Van Aartsen van Natuurbeheer deze week weten.

Niettemin verwacht Schürmann veel rumoer rond de bijeenkomst. 'Het pijnlijke is dat mensen in het Westen geen onderscheid maken tussen bescherming van individuele dieren en bescherming van de soort of een ecosysteem. Als olifanten bloederig worden afgemaakt of een walvis minutenlang ligt te creperen, doet dat hun pijn. Toch heeft dat meer met dierenwelzijn te maken dan met natuur- en soortenbescherming.'

Marieke Aarden

Meer over