Oeverloos gepraat dat geen enkel moment raakt

De terugkeer van Frans Strijards op het Nederlandse toneelpodium na een afwezigheid van ruim twee jaar, is een kleine gebeurtenis....

Strijards terugkeer is op voorhand even beloftevol als nuttig. In een periode waarin het theater moet worstelen met een algemene hang naar oppervlakkigheid en gemakzucht, zijn Strijards diepgelaagde stukken en zijn zo befaamde fysiek-absurdistische speelstijl hard nodig.

Hoe teleurstellend is het dan ook dat zijn nieuwe stuk Ludmilla, in zijn eigen regie bij Het Nationale Toneel, een zo hopeloos mislukte voorstelling is geworden. De tekst van de schrijver Strijards bestaat uit oeverloos gepraat over het ziektebeeld van hoofdpersoon Ludmilla, dat geen moment raakt. De wanhopige poging van de regisseur Strijards om van deze medische casestudy theater te maken, is op voorhand gedoemd te mislukken.

De Ludmilla in het stuk is een jonge vrouw die lijdt aan synesthesie, een hersenafwijking waardoor haar zintuigen met elkaar overhoop liggen. Ludmilla hoort kleuren en ziet geluiden zo wordt gezegd. Maar er is meer mis: af en toe laat het spraakvermogen haar in de steek en op gezette tijden draait ze vervaarlijk met haar ogen.

Het toneelstuk Ludmilla wil de toeschouwer meenemen op een zoektocht naar de kern van deze gedragsstoornis. Als in een Teleac-cursus geeft Strijards een geceneerd college over een geestesziekte en hoe de gezonde mens daarmee omgaat. Daartoe heeft hij een kleine anekdote bedacht: in San Francisco wordt een congres over synesthesie gehouden. Ludmilla mag daar naar toe, maar eerst moet haar dokter doorgronden waar de oorsprong van haar ziekte ligt.

Daartoe heeft zij zich met de pati en drie van haar vrienden opgesloten in een ruimte die het midden houdt tussen behandelkamer en galerie. Want dat komt er ook nog bij Ludmilla schildert intense schilderijen om uiting te geven aan haar diepste gevoelens. Omdat de taal haar in de steek heeft gelaten, dienen de schilderijen als een samenvatting van haar leven.

Deze reconstructie van een ziekte duurt en duurt weer een nieuwe wending, weer een nieuw blikveld, misschien toch een andere invalshoek. En dat allemaal in een opeenstapeling van clichwaarin zowel de medische wetenschapals die van kunstkenners (Ludmilla's schilderijen worden aan een kunstzinnige analyse onderworpen) op de hak worden genomen.

Er worden termen gebezigd als 'temporale kwabben', 'bewustzijnsverdubbeling' en 'een extase zonder contouren', maar het slaat allemaal dood omdat elke dramatische structuur ontbreekt.

En waar is die fysieke en absurde speelstijl gebleven?

Zelden een zo gortdroge enscenering gezien. Vijf spelers, opgesloten in een geestdodende ruimte, hebben zo goed mogelijk een onmogelijke theatertekst uit hun hoofd geleerd.

Met grote ogen en veel gesticulatie proberen ze daar met een betekenisvolle ernst inhoud aan te geven, maar het is onbegonnen werk.

Nanette Edens speelt Ludmilla met een zekere terughoudendheid, maar ook zij ontkomt er niet aan: een geestesziekte op toneel verbeeld je met wegdraaiende ogen, trillende ledematen, slaan op het hoofd, verdraaiing van stem.

'Hoe is het nu met haar?', vraagt een van de vrienden na de pauze aan de dokter. Misschien is dat wel het meest bedroevende aan deze voorstelling: dat het in wezen niemand interesseert hoe het nu met haar is.

Niet de ziekte van Ludmilla is een raadsel, maar de vraag waarom dit stuk, in deze vorm en regie, bij dit gezelschap wordt gespeeld.

Meer over