Oefening in hardop denken

DE MANIER WAAROP de Nederlandse essayist J.H. de Roder over literatuur schrijft, heeft iets weg van een intellectuele puzzeltocht. In één enkel essay lukt het hem van Kees Fens via volkomen van elkaar verschillende denkers als Noam Chomsky, Ludwig Wittgenstein en Martin Heidegger uiteindelijk weer bij Fens uit te komen....

Zijn beschouwingen voldoen aan de eis die hij zelf aan een essay stelt. 'Een essay dat de indruk wekt dat de essayist het antwoord al had gevonden voordat met het schrijven van het antwoord werd begonnen, is geen essay', schrijft hij in Het onbehagen in de literatuur, zijn nieuwe bundel. Zijn denken is, precies zoals hij over het denken van Wittgenstein zegt, geen theorie en geen filosofisch systeem. Zijn denken is een methode - de methode van de associatieve hink-stapsprong.

Met die methode lukt het De Roder het ene heilige huisje na het andere omver te schoppen. Vervolgens laat hij de brokstukken niet voor wat ze zijn, maar inspecteert hij ze zorgvuldig op mogelijk hergebruik.

In Het schandaal van de poëzie, dat in 1999 als brochure verscheen, weert hij zich tegen de opvatting dat er van poëzie een 'verheffende' werking uitgaat. De kracht van de poëzie, zegt hij, ligt niet in de betekenis van de woorden, maar in de klank ervan, en in het ritme van het gedicht.

Dat brengt hem op het probleem van het ontstaan van taal, en als hij dat aan de hand van verschillende denkers en dichters heeft onderzocht, stelt hij vast dat filosofie, religie en literatuur direct voortkomen uit de manier waarop de eerste mensen zich uitten.

Dat is een zuiver formalistische opvatting van poëzie, die ingaat tegen de opvattingen van Fens en Oversteegen, voor wie het belang van een gedicht ook in de inhoud, de 'inhoud' van het ene gedicht zelf, ligt.

Midden in het essay ontstaat een opening in De Roders betoog. Daar citeert hij de dichteres Eva Gerlach, die ooit in een interview met Marjoleine de Vos vertelde dat ritme voor haar 'een eigen boodschap heeft' - een opmerking die mooi in De Roders straatje past. Gelukkig citeert hij ook de rest van Gerlachs uitspraak: 'maar zin ten koste van ritme is ook weer niet de bedoeling'.

Die laatste uitspraak, schijnbaar alleen vanwege de eerlijkheid vermeld, blijft hangen. Dat wil zeggen: de vraag naar de zin van een gedicht, en dus naar de zin van de taal, wordt eerst verachtelijk aan de kant gegooid, maar vervolgens toch weer opgepakt. Dan blijkt ze toch niet zo verachtelijk te zijn. Integendeel. Ze levert stof voor vier verschillende essays over 'literaire smetvrees' - de angst van de schrijver dat anderen vóór hem hetzelfde hebben gedacht.

In die essays stort De Roder zich zonder enige gêne in de psychoanalyse, onder het motto dat je Freud ook gewoon kunt laten voor wat hij is, 'al moet men dat bij Freud nooit te snel doen'.

En zo verandert de vormpurist in een tekstuitlegger die Fens' overtuiging dat de betekenis van een gedicht in het gedicht zelf te vinden is, met een grote boog van zich afwerpt: in zijn bespreking van Vestdijks gedichten over Rainer Maria Rilke bijvoorbeeld gaat De Roder uitgebreid in op allerlei oedipale motieven, die hij vervolgens ook bij Rilke zelf aantreft.

In Een verdediging van de poëzie (opnieuw), een schotschrift tegen Willem Jan Otten, keert De Roder terug naar het belang van de vorm van een gedicht. Dat doet hij echter niet dan nadat hij Vestdijk met Thomas Mann heeft vergeleken, de Shakespearevertalingen van Hugo Claus letterlijk van alle kanten heeft bekeken, en Patricia de Martelaeres afscheid van het rationele denken heeft bekritiseerd. Ook die volgorde ligt in de lijn van De Roders methode. In zijn essays over Mann, Claus en De Martelaere stipt hij kort het probleem van de overwaardering van de inhoud van een gedicht aan. Dat probleem komt in zijn kritiek op Otten weer aan de orde, en zo ontstaat ook dit essay weer vanuit een restbestand van De Roders niets en niemand ontziende literatuurkritiek: Ottens overtuiging dat alleen religieuze poëzie goede poëzie is, is in dit boek de allerlaatste steen des aanstoots.

Daarmee is niet gezegd dat De Roder is uitgedacht. Ook het opstel over Otten biedt zonder twijfel stof voor minstens vier nieuwe essays die in scherpzinnigheid, vindingrijkheid en eruditie niet voor de eerdere essays onderdoen.

Toch is niet alles botertje tot de boom. De essays van De Roder zijn oefeningen in het hardop denken, en dit is hardop denken in zijn mooiste en zuiverste soort: als De Roder denkt, mag de lezer meedenken. Dat is plezierig, maar problematisch is het ook. Als je niet net zoveel weet als De Roder, verlies je hem makkelijk uit het oog.

Maar vervelender is dat zijn methode geen ruimte voor tegenspraak laat: als De Roder denkt, mag de lezer niet ook zelf denken. Dat probleem wordt paradoxaal genoeg duidelijk wanneer De Roder in een essay over Richard Wagner zo'n banale, semi-metafysische verklaring van 'het fenomeen' Hitler geeft, dat het lijkt alsof hij bij Harry Mulisch in de leer is geweest. Dat is even schrikken, maar ook een enorme opluchting: hier mag je als lezer even je eigen mening formuleren.

Meer over