Obsessie voor film

De actrice Thekla Reuten schittert op het witte doek naast John Malkovich en Carice van Houten naast Tom Cruise. Maar in Hollywood werken wel meer Nederlanders – achter de schermen....

Geregeld ziet Justin van der Lek (25) een stoet limousines onder zijn raam voorbijtrekken en zelfs een keer een dronken Britney Spears, achtervolgd door paparazzi. Wil ie net een hap van zijn hamburger nemen, gaat de acteur Samuel L. Jackson aan het tafeltje naast hem zitten. ‘Hier is het normaal, maar wennen doet het nooit echt’, zegt hij op de bank van zijn studio in een appartementencomplex in hartje Hollywood.

Van der Lek, afgestudeerd aan het grafisch lyceum in Utrecht, werkt in Los Angeles bij Digital Domain, een van de grootste visual effectsbedrijven ter wereld. ‘In Nederlandse films worden maar weinig special effects gebruikt. Los Angeles is voor mij echt de place to be.’

Op dit moment werkt Van der Lek aan de film Mummie 3. ‘Inhoudelijk misschien niet de beste film, maar ik klaag niet als ik een leger zombies mag laten exploderen.’ Zijn vrouw was in Nederland schoonheidsspecialiste. Nu werkt Jacqueline Makkée (24) als special effects make-upartiest. Van der Lek: ‘Zij is van de afgehakte armen, nepwonden, rondspattende ingewanden en monstermaskers.’ Samen wonen ze nu een jaar in Los Angeles.

Terwijl Thekla Reuten op het witte doek naast John Malkovich schittert en Carice van Houten naast Tom Cruise, werken er nog meer Nederlanders in Hollywood. Onzichtbaar voor het filmpubliek, achter de schermen. Specialisten op het gebied van special effects zoals Van der Lek en Makkée, maar ook editors, cameramensen, scriptschrijvers en regisseurs.

Ook special-effectsanimator Koen Vroeijenstijn (32) vond er werk. Hij is zelfs ‘gevraagd’ om de oversteek te maken; in 2006 volgde hij er een animatiecursus, waarna hij via een medestudent werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek bij DreamWorks, een van Amerika’s grootste animatiestudio’s, bekend van onder meer Shrek, Wallace & Gromit en Sharktale. Een paar maanden later vertrok hij, met twee koffers (‘eentje met kleren en eentje met boeken’) en een driejarig contract op zak.

Van der Lek en Makkée moesten wel lobbyen voor hun baan. Ook zij volgden een ‘fx’-opleiding (fx staat voor special effects) in Los Angeles. Van der Lek: ‘Daar leer je vakgenoten kennen, en soms komt er een baas van een fx-bedrijf langs.’ Hij werkte vervolgens een paar jaar als vrijwilliger bij de Special Effects Awards in LA. ‘Dan vloog ik speciaal een weekje hierheen.’ Dat leverde hem uiteindelijk een baan op bij een klein, maar toonaangevend fx-bedrijfje, waar hij meteen aan Pirates of the Caribbean 2 mocht werken. ‘Met grote stalen buizen wordt het piratenschip kapotgemaakt. Wij moesten dat weg retoucheren en dan het zeemonster toevoegen.’

Makkée vond werk bij een fx-atelier. ‘Laatst stond ik nog littekens aan te brengen op dokter Jack uit Lost. En ik heb ook de pus-applicaties gemaakt in de horrorfilm Cabin Fever.’

Vroeijenstijn werkte bij DreamWorks onder meer aan Shrek, Bee Movie en Kungfu Panda (die nog uit moet komen). ‘Voor Shrek moest ik een omgevallen kerstboom door een varken laten voortslepen. Dan bereken ik hoe de kerstballen moeten roteren en hoe de boom zo realistisch mogelijk kan slingeren. Daar ben je maanden mee bezig.’

In Nederland had Vroeijenstijn samen met een vriend een filmanimatiebedrijfje. Jarenlang werkte hij overdag als animator voor onder meer The Discovery of Heaven en de NPS. In de avonduren studeerde hij natuurkunde. ‘Ik ben mathematisch onderlegd én ik kan goed tekenen’, zegt hij. Die combinatie maakt hem voor Dreamworks zo aantrekkelijk.

De DreamWorks-studio’s zijn prachtig gelegen in een rustige wijk van LA. Het terrein doet denken aan een combinatie tussen een Mexicaans bergdorp en een Romeinse villa-enclave. Typisch Amerikaanse kitsch, noemt Vroeijenstijn het. Tussen de fonteinen en vijvers vol koikarpers staan op zonnige patio’s pingpong- en voetbaltafels. ‘We moeten elk uur tien minuten ontspannen, om RSI te voorkomen.’ Het personeel – op de animatieafdeling werken 900 mensen – komt van over de hele wereld. Japanners, Koreanen, Zuid-Amerikanen, en precies één Nederlander: Vroeijenstijn.

DreamWorks regelde alles voor zijn immigratie, zegt hij. ‘Om een visum te krijgen, moet je je uniciteit aantonen. Dus hebben zij een dik dossier over mijn ‘briljantheid’ samengesteld, haha.’

Met het ‘hele Hollywood-bekendheden-gedoe’ heeft animator Vroeijenstijn weinig op. ‘Het draait hier erg om mensen kennen, netwerken. Geld en beroemdheid zijn wel heel belangrijk. Daarom kun je hier maar beter niet te lang blijven, anders raak je nog besmet.’

Toch hoort het aflopen van ‘de feestjes’ er wel een beetje bij, geven de Nederlanders alle drie toe. ‘Hoewel die vaak vreselijk zijn, hoor’, zegt Makkée. ‘Meestal staan mensen zichzelf ongegeneerd te verkopen.’ Van der Lek: ‘Jochies met hele portfoliotassen en mooie meisjes die met producers slapen voor een minirolletje in een C-film: je ziet het allemaal.’

Niet iedereen redt het in Hollywood, vertelt editor Radu Ion (33). Ion (geboren in Roemenië, getogen in Amsterdam) woont en werkt al zeven jaar in LA. Hij kent in heel Hollywood zo’n dertig Nederlanders, waarvan de helft (vooral acteurs en actrices) amper werk heeft. ‘Veel mensen proberen het niet lang genoeg. Een paar maanden is niet voldoende, je moet hier minstens twee jaar zitten en bereid zijn in die tijd helemaal niks te verdienen. En je moet echt door je vak geobsedeerd zijn. Je gaat zo vaak op je bek, je moet weten waarvoor je het doet.’

De afgelopen jaren heeft ook regisseur Roel Reiné (38) veel Nederlanders zien komen en gaan in Los Angeles. Waarom hij het hoofd wel boven water weet te houden en zij niet? ‘Ik heb films voor 50.000 dollar staan maken, met een crew die amper betaald kreeg. Dat doe je zelfs in Nederland niet. En je kunt geen jaren over een film doen. Ik heb de afgelopen anderhalf jaar vier films gemaakt.’

Reiné is net terug van opnamen in Panama, voor zijn film Lost Tribe (over een groep drenkelingen op een eiland met vreemde bewoners). Vorig jaar maakte hij Marker, met martial arts-veteraan Steven Seagal. Net als editor Ion is hij ervan overtuigd dat je het in LA alleen redt als je soms ‘mindere klussen’ doet. ‘Met zo’n film dring ik door tot het studiosysteem. Door af en toe een Seagal-film te maken, behoud ik de vrijheid om ook onafhankelijke films te maken.’

In 2002 studeerde Radu Ion af aan het prestigieuze American Film Institute in Los Angeles. Tijdens zijn laatste studiejaar won hij een prijs voor de montage van een trailer voor Almost Famous. Dat leverde hem meteen een baan op als trailer editor, eerst voor Star Wars, later volgden films als Bowling For Columbine en The Bourne Supremacy.

‘Een editor is als een kok’, legt hij uit, terwijl hij in zijn cabrio over Rodeo Drive (‘de lokale PC Hooft’) glijdt. ‘Je moet het zien als het bereiden van een gerecht. De schrijver bedenkt het recept, de filmmakers kopen de ingrediënten en ik mag koken. Dat is monteren. Je kunt het leren, maar je moet wel een soort basis-beeldintuïtie hebben. En ik kan in hoog tempo werken – in een drukke keuken, zeg maar. Anders red je het hier niet.’

Volgens Ion is werken in Hollywood: jezelf schaamteloos durven verkopen (‘dat moet hier écht!’), keihard werken (‘veertien uur per dag is niet vreemd’) en bereid zijn ook rotklussen te doen (‘ik heb de allerslechtste horrorfilms gemonteerd’).

Het gaat goed met hem; hij kreeg steeds meer opdrachten en het geld stroomde binnen. Na een paar jaar als trailer editor voor Universal Pictures te hebben gewerkt, is hij onlangs voor zichzelf begonnen. Hij wil zich meer op de montage van speelfilms richten. Sindsdien is hij altijd met tien klussen tegelijk bezig. ‘De kans dat projecten doodlopen, is altijd groot hier, en dan heb je niks.’

Ook regisseur Reiné heeft meestal tien projecten tegelijk lopen, vertelt hij, achteroverleunend in een rode fauteuil in een chique hotellobby aan de rand van de Hollywood Hills. ‘Ik spreek hier graag af omdat het een beetje Europees is en geschiedenis ademt. Het is bijna honderd jaar oud, en dat is hier heel erg oud.’

De oversteek naar Hollywood, vier jaar geleden, is de beste beslissing in zijn leven geweest, zegt Reiné. ‘Ik maak het liefst sciencefiction- en actiefilms. Dan heb je in Nederland eigenlijk ook niets te zoeken.’ Inmiddels gaat het zo goed, dat hij geregeld ergens nee tegen moet zeggen.

Hoewel hij in 1999 een Gouden Kalf kreeg voor The Delivery, zijn Engelstalige film over jonge drugskoeriers, konden Nederlandse filmcritici en collega-filmmakers er weinig waardering voor opbrengen. ‘Mijn kop ging eraf. Slechte film, geen talent, platte pummel, wil Hollywoodje spelen, noem maar op. Op slag had ik geen werk meer.’

Ironisch genoeg leidde juist die in Nederland verguisde film tot zijn doorbraak in Amerika. The Delivery werd gekocht door Lionsgate, de grootste distributeur van onafhankelijke films in de VS. Reiné, lachend: ‘Hier vonden ze het een mooie Europese roadmovie’.

Meer over