'O Sole Mio

Wij zijn geboren om te zingen, zegt Fabrizio. Wij zingen om te vergeten. Want wij Napolitanen moeten veel dingen vergeten....

Fabrizio is de zoon van de 73-jarige Aurelio Fierro, tot in Japan bekend als vertolker van het Napolitaanse lied. Pappa treedt vanavond op in Catania, en Fabrizio kan alleen een foto van hem laten zien: een ronde man met melancholieke ogen onder zijn Borsalino. Fabrizio en ik drinken een glas spumante op het Piazza Santa Maria la Nova. Zijn band zet 'O Sole Mio in:

Ma n'atu sole

cchi'u bello, oi ne',

'o sole mio

sta nfronte a te!

Mijn zon, er is niet één zon zo mooi als jij. Ouders wiegen hun baby's op de maat van de muziek, spumante-kurken ploppen, en dan begint het: 'Ik ben zo alleen', jankt een vrouwenstem op driehoog. 'Help me. Ik wil naar jullie toe' Er valt een stilte. Alle hoofden kijken omhoog, naar een oud vrouwtje dat op haar balkon verschijnt.

'Ik kom naar jullie toe', gilt ze. En dan verandert het plein in een kippenhok waar een vos is binnengeslopen. De vrouwen rennen naar het gebouw: 'Signora, signora, niet springen, alsjeblieft niet springen' Twintig mannen beuken tegen het ijzeren hek van de hoofdingang. Eentje probeert door een gat in het hek te kruipen. Alles wat nog zit, pakt zijn telefoon om familie live verslag te kunnen doen van een zelfmoordpoging. Dit is drama optima forma, en Italianen zijn gek op drama.

Drie mannen drukken tegelijkertijd op alle bellen van het gebouw. Niemand reageert. Iedereen met geld ontvlucht Napels in de benauwde maand augustus. Twee obers trekken een ladder uit de kelder en klimmen op het eerste balkon, in hun heldendrift vergetend dat ze nog twee balkons hoger moeten. Sirenes loeien: daar komen de brandweermannen, het ambulancepersoneel en de carabinieri.

De politie forceert de deur en blauwe, witte en zwarte pakken dringen binnen in de woning van het vrouwtje. 'Stelletje idioten', pesten de brandweermannen de obers op het balkon, en ze halen een ladder te voorschijn om deze amateurs op hun beurt weer te redden.

Het leven van de vrouw is veilig gesteld. Het terraspersoneel zet een bandje op: Walking on the moon. Het publiek ontspant. Plop, zegt een nieuwe fles spumante. Drie brandweermannen steken een sigaret op en verrekken bijkans hun nekken als er twee schoonheden langs paraderen. 'Haar Poolse oppas is weggelopen', verklaart Fabrizio de wanhoopsdaad van de vrouw. 'Ach wat, de hitte is haar gewoon in de kop geslagen', zegt een vrouw tegen hem . 'Mag ik je telefoon? Dan kan ik je moeder bellen.'

'O Sole Mio, galmt Salvatore, en de auto verandert in een kleine concertzaal. Je had zanger moeten worden, zeg ik. Salvatore lacht trots. 'Wij Napolitanen houden van alles te veel: van zingen, van eten, van voetbal, van vrouwen. Ik heb alleen pech: mijn vrouw houdt niet meer van de liefde.'

Hij heeft een licht schuldgevoel. De nacht daarvoor heeft hij tot vier uur in de ochtend Canzone Napoletana gezongen met zijn vrienden. Tussen de regels door begrijp ik dat hij daarna naar een vrouw is gegaan die wel houdt van de - betaalde - liefde.

Salvatore loopt de kerk van Ges'u Nuovo in, doopt zijn vingers in het wijwater en slaat tot drie keer toe een kruisje. De pastoor in de biechtstoel zit er even ongeïntereseerd bij als een lokettist op het postkantoor, maar Salvatore heeft zijn geweten weer schoongewassen.

Hij pakt de hand van het bronzen beeld van dokter St. Joseph Moscati, de heilige doker van Napels, die mensen met zijn aanraking kon genezen van allerhande kwalen. Vrouwen laten zich huilend tegen het beeld aanvallen, mannen knielen voor de bronzen dokter.

Om welke gunst heb jij de dokter verzocht?, vraag ik Salvatore. 'Dat het vandaag een mooie dag wordt voor iedereen, voor mezelf in het bijzonder', zegt hij.

Steffie Kouters

Meer over