Nu zwaait er wat

OVER WAT poëzie is zullen we hopelijk tot in lengte van dagen van mening blijven verschillen. Weliswaar zijn u en ik het er gloeiend over eens dat Homeros, Sappho, Dante, T.S....

Piet Gerbrandy

Nog ingewikkelder wordt het als we aan dit lijstje ook Martialis, Willem van Focquenbroch en Jan Hanlo zouden willen toevoegen.

Wat hebben deze personen gemeen, behalve dat we hun gepubliceerde taaluitingen gedichten noemen? Bijna niets. Omdat poëzie een artefact is, heeft het geen wezen. Iedereen kan het predikaat 'poëzie' straffeloos toekennen aan ongeacht welke mededeling.

Wil ik mijn gevoelens uiten? Een filosofische bewering doen? Een vrouw versieren? Bier verkopen? Zodra ik de mededeling in een boek zet en dit als gedichtenbundel aan de man breng, wordt de lezer geacht een poëtische leeshouding aan te nemen. Iedereen die een beetje letterkundig onderwijs heeft genoten is in staat ook circulaires van ministeries of gebruiksaanwijzingen van keukenmachines als poëzie te interpreteren. Wie nog in Het Ideale Gedicht gelooft, heeft niets van poëzie begrepen.

Toch wil dat niet zeggen dat er geen onderscheid tussen goede en slechte poëzie gemaakt mag worden. Niet voor niets zullen in lijstjes als de bovenstaande de namen van Manilius, Jan Frederik Helmers en drs. P altijd blijven ontbreken. De verklaring daarvoor schuilt wellicht in een belangrijk principe, dat we met een variant op de slogan van De Milliano zouden kunnen omschrijven als: ieder woord telt. Wat de bedoelingen, poëticale opvattingen of stijlkenmerken van een dichter ook zijn, er is één ding dat streng verboden is: hij mag niet maar wat leuteren. Tenzij het natuurlijk gaat om een welbewuste poging geleuter aan de kaak te stellen, maar dan hebben we eerder te maken met meta-poëzie dan met echte poëzie.

Esther Jansma schrijft echte poëzie. Dat blijkt uit het feit dat haar bundels door een gerenommeerde uitgever worden verspreid, dat ze prijzen wint en zo langzamerhand tot het establishment van de Nederlandse poëzie behoort. En, wat belangrijker is, haar werk wordt ook echt gelezen en in brede kring gewaardeerd, wat bij dichters als Nachoem Wijnberg, Jacq Vogelaar en Frans Budé helaas nooit zal gebeuren. Toch bewijst dit alles niet dat Jansma ook een groot dichter is.

Jansma's vorige bundels waren van een zeer wisselend gehalte. Was haar vroegste werk persoonlijk en emotioneel van karakter, in de loop der jaren is ze meer afstand gaan nemen, met als gevolg een verlies aan intensiteit. Dat behoeft op zichzelf geen bezwaar te zijn, maar in Hier is de tijd (1998) dreigde de balans door te slaan naar enigszins vrijblijvende intellectuele spelletjes. Haar jongste pennenvrucht, die de prettig hoogdravende titel Dakruiters draagt, blijkt die ontwikkeling inderdaad te bevestigen. Het boek bestaat voor ongeveer de helft uit cerebrale exercities zonder enige kracht of urgentie. Zelfs dat behoeft geen bezwaar te zijn, als wat de dichter te melden heeft dan maar interessant is.

Is dit interessant? 'Visje, golf. Kust visje golf? Visje ademt. Sjaantje ademt 'huis, / jij', ademt, kust, ademt 'huis'.' Wilt u echt verder lezen? Als u een Bachliefhebber bent, zult u wel moeten, want dit gedicht volgt de partituur van een prelude uit Das Wohltemperierte Clavier. Ook heel boeiend zijn fractalen, die immers al jaren geleden in de Nederlandse poëzie werden geïntroduceerd door Leo Vroman. Jansma's ontdekking ervan leidt tot mededelingen als de volgende:

In al haar onderdelen is een roos

roos, in ieder blad is zij volledig

zoals de omtrek van dit continent

in elke millimeter steeds de hele kust

het minste flardje damp

de grootste luchtvullende wolk gelijk is

Heel diepzinnig zijn Jansma's opmerkingen over realisme en nominalisme: 'Het is er niet tot ik het bedenk/ met een naam.' En: 'Liefst wordt een naam gezegd/ door wie het benoemde wil kennen als zichzelf.// Kersverse weduwen en moeders/ en oranjeklanten zijn er goed in.' Hier is zowaar nagedacht over het wezen van de taal.

Ook de geschiedenis is niet aan Jansma's aandacht ontsnapt, want de bundel wordt afgesloten met een maar liefst 69 kwatrijnen tellend epos over de laatste duizend jaar. De voornaamste indruk die men eraan overhoudt, is dat er in die periode best veel nare dingen zijn gebeurd. Er is een god 'die zwaait nu zwaait er wat', Franse edelen komen bedrogen uit: 'Waaruit? Uit hun leven', want de tijd is 'lang en wijd genoeg voor werkelijk alles alles alles'.

Staan er dan echt geen goede regels in de bundel? Jawel, want Jansma is in potentie een dichter van formaat, die sterke strofen als de volgende kan schrijven:

Voetlange vloertjes enkelhoog na elkaar

omhoog naar een kleine bodem met spijlen

zegt Sjaantje, zo is de trap daar en wij

gaan dat allemaal kennen, elke minimale verdieping

Dergelijke beelden zijn echter zeldzaam, en dwingende formuleringen die je bij de strot grijpen, zoals in vorige bundels van haar incidenteel gebeurde, ontbreken geheel.

Misschien moet Esther Jansma ophouden literatuurtje te spelen en terugkeren naar het hart van haar dichterschap: de nauwgezette exploratie van onze binnenwereld, de archeologie van het gevoelsleven, het pregnant vorm geven aan pijn.

Meer over