Nu ben ik de vijand

Veel Syrische christenen steunen nog altijd het regime-Assad. Maarten Zeegers verbleef in 2010 vier maanden in het dorpje Maaloula en sloot vriendschap met een christelijke familie. Na het uitbreken van de opstand is daar weinig meer van over.

MAARTEN ZEEGERS

Een vriendschapsverzoek van iemand met de naam 'Syriër tot in de eeuwigheid'. Op Facebook, kort geleden. Zijn profielfoto: een Russische MiG, met als achtergrond de vlag van de Baath. Zonder twijfel een aanhanger van het regime van president Assad. Na acceptatie van het vriendschapsverzoek sprak hij me aan. Het was Sami, de jongste van vijf broers uit een christelijke familie waar ik vier maanden lang dagelijks over de vloer kwam. Ik had hem bijna twee jaar niet gesproken. 'Waarom hebben jullie zolang niets van jullie laten horen?', wil ik weten. 'Ik heb geprobeerd jullie te bereiken, maar niemand heeft gereageerd.'

'Dat komt door jouw politieke overtuiging', antwoordt Sami. 'Om eerlijk te zijn gaan wij liever niet om met tegenstanders. Bovendien zitten mijn broers allemaal in het leger. Dat maakt het extra ingewikkeld. Dat snap je toch wel? Maar nu heb ik dit account, zodat ik met jou kan praten zonder dat iemand erachter komt.'

Sami en zijn broers komen uit Maaloula, een klein dorpje verscholen tussen de bergen van de Qalamoun, zo'n zestig kilometer ten noorden van Damascus. De blauw geschilderde huisjes liggen ingeklemd tussen twee steile bergwanden aan het eind van een vallei met amandel- en abrikozenbomen. Het dorp heeft niet meer dan tweeduizend inwoners, maar er bevinden zich wel acht kerken, drie kloosters en twee moskeeën. Het is een van de weinige plekken ter wereld waar de mensen nog steeds de taal van Jezus spreken, het Aramees.

In de zomer van 2010 verbleef ik hier in het klooster van de heilige Thecla om de taal te bestuderen. In die periode kwam ik bij de familie van Sami. In de ochtend om conversatie te oefenen, 's middags om te lunchen (zeker wanneer de nonnetjes in het klooster vastten), en 's avonds om met Sami de game FIFA te spelen op de computer in de slaapkamer van zijn ouders. De gastvrijheid kende geen grenzen. Voor de familie was ik de tijdelijke zesde zoon.

Maar hoe pittoresk het dorp ook was, en hoe vriendelijk de bewoners, al gauw ontdekte ik dat de verhoudingen niet zo soepel waren als men wilde doen geloven.

Meer kinderen

Maaloula bestaat voor de helft uit christenen en voor de andere helft uit soennitische moslims. Tot in de jaren vijftig was Maaloula vrijwel volledig christelijk, maar door de migratie van christenen naar Europa of de VS, en met name door het feit dat moslims nu eenmaal meer kinderen krijgen, veranderde dat.

In Maaloula leefden de moslims en christenen langs elkaar heen. De christenen woonden in het oude centrum in lemen huizen, de moslims in betonnen woningen aan de rand van het dorp. Christenen kochten bij christelijke winkeltjes, gingen naar de christelijke snackbar en naar de christelijke huisarts. Moslims deden hun boodschappen bij de islamitische kruidenier. Onderlinge vriendschappen waren zeldzaam, gemengde huwelijken uitgesloten.

Op warme zomeravonden flaneerde de christelijke jeugd over het plein en de hoofdstraat, terwijl islamitische vrouwen na acht uur niet meer op straat kwamen. Soms kwamen moslimjongeren uit het nabijgelegen Ein Tineh naar Maaloula om christelijke meisjes te begluren. Dat leidde regelmatig tot vechtpartijen.

De bouw van de eerste moskee in de jaren zeventig leverde veel weerstand op bij de christelijke bewoners. Voor het eerst klonk de islamitische gebedsoproep door de straten. Bij de toegangspoort tot het dorp verrees enkele jaren geleden zelfs een tweede moskee. De christenen kregen het gevoel dat ze langzaam maar zeker hun dorp aan het verliezen waren.

De geestelijken deden hun uiterste best om de sfeer in het dorp verder te verpesten. De imam zette zijn vrijdagpreek en koranlezingen vol op de speakers, zodat het hele dorp kon meegenieten. Via de hoge rotswanden rond het dorp galmde het geluid nog eens extra door. De nonnetjes verspreidden op zondag hun toondove kerkgezang met een versterker en vanuit een Mariabeeld op de berg klonken vanaf zeven uur 's ochtends christelijke hymnen. Er woedde een ware geluidsoorlog.

De christenen in het dorp stonden vrijwel allemaal achter het regime. Zij geloofden dat Assad (als aleviet zelf afkomstig van een religieuze minderheid) hen beschermde tegen de oprukkende islam. Politieke vrijheid was onder de dictatuur van Assad dan wel ver te zoeken, het regime had zich altijd sterk gemaakt voor religieuze vrijheid van de niet-islamitische minderheden. De situatie van christenen in Syrië was in ieder geval een stuk beter dan in andere islamitische landen.

'Het is dankzij Assad dat wij hier in veiligheid kunnen leven', vertelde de moeder-overste van het klooster van St. Thecla mij. 'Als de moslims aan de macht komen, gaan we er allemaal aan. Nee, er is geen betere president dan Assad. Ma fi minnu! Hij is de beste.'

En toen brak de revolutie uit. Bij de christenen in Maaloula sloeg de angst onmiddellijk toe. Vanaf dag één geloofden zij dat de demonstranten moslimextremisten waren die Syrië wilden veranderen in een islamitische staat. Dat de betogers voornamelijk conservatieve soennieten waren en islamitische leuzen riepen, bevestigde hen in dit idee.

De regeringspropaganda ging er dan ook in als zoete koek. Vlak na de eerste rellen in Deraa ging ik op bezoek bij de familie van Sami. De staatstelevisie toonde die avond beelden van de centrale moskee van Deraa vol wapens en munitie. Ook zond ze de bekentenissen uit van een groep mannen die beweerden dat zij voor geld uit het buitenland op onschuldige burgers hadden geschoten.

Deze 'gevaarlijke terroristen' zaten relaxt een sigaret te roken en vertoonden geen enkel spoor van mishandeling. De meeste demonstranten die ik kende, konden na hun vrijlating uit de gevangenis nauwelijks meer lopen. Eén van de terroristen was zelfs een bejaarde man. Overduidelijk in scène gezet door het regime dus. Ik kon me haast niet indenken dat iemand deze onzin ook daadwerkelijk zou slikken. Maar de moeder van Sami zei: 'Zie je dat? Die oude man. Zo zie je maar weer dat je niemand kunt vertrouwen.' Op dat moment besefte ik dat het helemaal niet uitmaakte waar het regime mee op de proppen kwam. Deze mensen geloofden toch alleen maar wat ze wilden geloven.

Van veel christenen hoorde ik dat ze er zo over dachten. Zij waren het hartgrondig eens met de reactie van het regime. 'Ze moeten die demonstranten tot de grond toe afbranden', sprak een vriendin uit het christelijke Sayednaya en lid van de Baath-partij. 'En als zij het niet doen, doe ik het zelf wel.'

Vier maanden na het uitbreken van de revolutie werd ik opgepakt en het land uitgezet, omdat ik in de Nederlandse media verslag had gedaan over de revolutie. 'Eigen schuld', merkt Sami nu, anderhalf jaar later, via Facebook op over mijn arrestatie. 'En je mag nog blij zijn dat je het er zo vanaf hebt gebracht.'

Volgens Sami had ik me schuldig gemaakt aan 'journalistieke misleiding'. Dergelijke desinformatie van westerse media, maar ook een zender als Al-Jazeera is volgens hem de reden dat het nog steeds oorlog is in Syrië. Wanneer ik tegenwerp dat ik toch met mijn eigen ogen heb gezien dat militairen het vuur openden op demonstranten, wuift hij dit weg. 'Wie zegt jou dat dat geen terroristen waren, vermomd als militairen? Jullie denken dat Bashar een misdadiger is, maar dat is niet waar. Ma fi minnu.'

Het is zinloos om hier tegenin te gaan. 'Het regeringsleger beschermt ons en brengt enorme offers', vervolgt Sami. 'Je weet hoe koud het bij ons in Maaloula kan zijn, en desondanks staan de militairen op hun post. Dag in, dag uit. Sommigen hebben al anderhalf jaar hun families niet gezien.'

Ook de vier oudere broers van Sami dienen in het regeringsleger. Zij bemannen checkpoints in het centrum van Damascus.

Bende moordenaars

Voor mij is het regime niet meer dan een bende moordenaars. Maar mijn pleegfamilie, mijn vrienden, vechten voor dit regime. Vandaag nog zag ik beelden van opstandelingen, die na een aanval op een checkpoint van het leger, dansten op de lichamen van gedode militairen. Zal dit ook het lot zijn van Sami's broers? En zijn moeder? Zal zij verder kunnen zonder haar zonen? Ik voel tranen opkomen.

De mensen in Maaloula verkeren in een permanente staat van rouw, treurend om de gesneuvelde militairen. Sinds het uitbreken van de revolutie hebben de inwoners geen christelijke feestdagen meer gevierd. Ook dit jaar was er geen Kerst. Drie inwoners uit het dorp zijn ontvoerd. In christelijke wijken in Damascus kostten bomaanslagen het leven aan tientallen christenen.

De ironie is dat de retoriek van het regime een selffulfilling prophecy is. Door het extreme geweld radicaliseerden de soennitische opstandelingen. Brigades van het Vrije Leger kregen islamitische namen, salafistische vlaggen doken op. De komst van Al-Qaida, zelfmoordaanslagen, de roep om een islamitische staat, de christenen zagen het allemaal met lede ogen aan. En ze werden alleen maar banger. 'Heb je gehoord van die bomaanslag in de christelijke wijk van Damascus?', vraagt Sami. 'Is dat nou vrijheid? Vroeger leefden wij in vrijheid, nu leven we in angst.'

'Maar het is nu snel voorbij', hoopt Sami. 'Het leger heeft bijna het hele land weer in handen en elke dag doden zij meer dan duizend terroristen. Wij zijn alleen bang voor de zelfmoordenaars. Omdat je nooit weet waar ze zichzelf opblazen.'

Meer kan ik niet aanhoren. Ik neem afscheid.

Ik realiseer me dat de christenen in Maaloula nooit de kant van de revolutie zullen kiezen. Waar ik demonstranten en vrijheidstrijders zie, zien zij moslimfundamentalisten en terroristen. Waar ik een repressief en meedogenloos regime zie, zien zij een heldhaftige krijgsmacht die de noodzakelijke middelen inzet om het land te behoeden voor de ondergang. Dat beeld is haast onwrikbaar. Mijn hoop is slechts dat de christenen pragmatisch genoeg zullen zijn om te overleven. Na de val van het regime zullen zij toch ook verder moeten. Een val die nog wel een tijd op zich zal laten wachten overigens. Dan is het voor de broers van Sami misschien al te laat.

Maarten Zeegers is de auteur van Wij zijn Arabieren - portret van ondoordringbaar Syrië (Podium,2012).

ONDER DRUK

Christenen vormen steeds kleiner deel van de Syrische bevolking

De christenen in Syrië staan onder druk. Door migratie en lage geboortecijfers vormen zij een steeds kleiner deel van de bevolking. De aanwas onder soennitische moslims behoort daarentegen tot de hoogste ter wereld. In de jaren vijftig maakten christenen zeker 15 procent van de bevolking uit, nu 5 procent. Demografische cijfers liggen echter gevoelig. Het regime heeft om politieke redenen de aanwezigheid van religieuze minderheden altijd overdreven uit angst voor een soennitische opstand.

undefined

Meer over