Nouvelle naar

Jongerenliteratuur verlegt in hoog tempo de grenzen van de gruwelijkheid. Met de nieuwe Kevin Brooks en Anna Woltz komen er twee fraaie exemplaren uit die gemeenheidsgolf bij.

PJOTR VAN LENTEREN

Linus wordt wakker in een ondergrondse bunker met zes kamers, een keukentje, een lift en een klok. Naast elk bed staat een nachtkastje met een bijbel. Eerst is hij een paar dagen alleen, dan krijgt hij gezelschap van het basisschoolmeisje Jenny, de drugsverslaafde bouwvakker Fred, makelaar Anja, consultant Bird en ten slotte de homoseksuele natuurkundige Russell. In Bunkerdagboek van Kevin Brooks vertelt Linus hun uitzichtloze verhaal.

De lift brengt elke dag een verrassing. Heroïne en een injectienaald voor de net afgekickte Fred, sigaretten voor Anja, vergiftigd eten, schoonmaakmiddelen en op een ochtend een dolle dobermann, die zijn tanden zet in de keel van Bird. Dan weer een hele tijd niets. Pogingen om te ontsnappen of de camera's onklaar te maken, zijn zinloos: ze worden afgestraft met een bijtend zuur uit het plafond. Fred komt zo ver dat hij een fles bleek opdrinkt, Linus zet zijn tanden in de bijbel.

Kan het nóg gemener? Dat is de vraag die elk nieuw buikpijnboek van Kevin Brooks oproept. De Britse schrijver heeft het niet zo op met de mensheid en weet in de kleur zwart meer schakeringen te ontdekken dan gewone mensen in de regenboog. Zijn negentiende boek in twaalf jaar is zo cynisch, dat sommige lezers het ook grappig zouden kunnen vinden. Het won twee weken terug in Engeland de prestigieuze Carnegie Medal. Dat leverde een storm aan bezorgde brieven op van ouders en jeugdboekendeskundigen. Bunkerdagboek zou gevaarlijk zijn.

Er is een tijd geweest, dat dit soort straffe, nihilistische kost ook in Nederland was voorbehouden aan volwassenen. Als Floortje Zwigtman met het geniale Wolfsroedel (Fontein, 2002) feitelijk en zonder een oordeel te geven, laat zien hoe een groep jongens wordt meegesleurd in een maalstroom van geweld, krijgt ze tweeslachtige reacties. Het boek wordt met mitsen en maren besproken, maar wint ook een Gouden Uil en een Zilveren Zoen. Met de jongeren in Prikkeldraad van Derk Visser (Gottmer, 2011) en de gemene novelle met de veelzeggende titel Niets (Clavis, 2010) van Janne Teller loopt het ook al niet goed af. Maar ze brengen de wenkbrauwen tien jaar later al nauwelijks meer in beweging.

Reacties of geen reacties, sommige auteurs blijven de grenzen van wat kan in jeugdboeken steeds verleggen. Brooks is van die schrijvers ongetwijfeld de meest fanatieke. Zijn nieuwste stomp in de maagstreek heeft net als zijn andere werk last van haast en losse eindjes. De armoedige vorm-geving van zijn overigens uitstekend vertaalde boeken maakt het extra lastig hier een kwaliteitsauteur aan het werk te zien en niet een onverzadigbare thrillerschrijver. Zonde: Bunkerdagboek is een van zijn meest intrigerende boeken tot nu toe.

Kan al dat grenzen verleggen in de jongerenliteratuur niet zónder die nietsontziende uitzichtloosheid? Ja, hoor. Het scherpe Honderd uur nacht van jongerenauteur Anna Woltz deelt bij Brooks vergeleken een vriendelijk, maar gevoelig tikje uit. Toch is ook Woltz er zo een die met zichtbaar plezier het allervreselijkste verzint dat een tiener kan overkomen en pas daarna uitvogelt hoe haar personages zich daaruit redden. Of niet.

De 14-jarige Emilia ontdekt dat de rector, haar vader, is vreemdgegaan met een meisje van school. Ze slaat op de vlucht voor de haat-mail en pesterijen, pikt zijn creditcard en boekt een reis naar New York. Meteen als ze aankomt, blijkt ze opgelicht. Het appartement dat ze vooruit heeft betaald, wordt bewoond door Seth en zijn lastige zusje Abby. Ineens is Emilia dakloos in New York, waar net orkaan Sandy losbarst.

De storm is, hoe kan het ook anders, een metafoor voor alles wat er in haar omgaat. De woede op haar vader, de desinteresse van haar moeder, haar smetvrees en de angst voor de twee jongens op wie ze verliefd wordt, ook al maakt het idee ze aan te raken haar al bij voorbaat misselijk. Uiteindelijk blijkt al die ellende en dat schoppen tegen een oneerlijke wereld een heerlijke opmaat naar een zoen. Lekker, maar misschien ook wel een beetje veel.

Wat het boek sterk maakt, is dat ze dit avontuur deels zelf heeft beleefd. Woltz woonde in het najaar van 2012 in New York en je kunt duidelijk merken waar ze haar grimmige dagboekaantekeningen overschrijft en zo aan haar verhaal een echtheid toevoegt, die jongeren in de meeste andere voor hen bedoelde lectuur wordt onthouden. Ze heeft wat daar met haar gebeurt niet zomaar uit haar duim gezogen.

Woltz weet rechttoe-rechtaan meidenthematiek iets rauws, poëtisch én filosofisch mee te geven. Haar boeken worden stapje voor stapje beter en de transfer naar een van de strengste kinderboekenredacteuren van het land heeft Woltz zeker goed gedaan: haar zinnen zijn fris en origineel en hebben een prettig ritme.

Brooks schurkt aan tegen de thriller, Woltz tegen de chicklit en dat maakt ze heel geschikt voor de vakantiekoffer. Toch geven ze allebei méér. Boeken die je niet weghalen uit de werkelijkheid, maar je er met de neus op drukken en je er daarna op een fascinerende, nieuwe manier naar laten kijken. Die vragen durven stellen, waarop de schrijvers het antwoord ook nog niet weten.

undefined

Kevin Brooks: Bunkerdagboek

****

Vertaald uit het Engels door Jenny de Jonge

De Harmonie; 248 pagina's; euro 17,50

Vanaf 14 jaar

undefined

Anna Woltz: Honderd uur nacht

****

Querido, 214 pagina's,

euro 13,99

Vanaf 14 jaar

undefined

Meer over