Nothing to kill or die for

In de eerste dagen na 11 september heerste er nog verdoofde stilte in New York, maar geleidelijk is het rouwritueel op gang gekomen....

Het uilachtige koppie was ouder geworden, maar de hoge ronde wenkbrauwen stonden nog even verbaasd als vroeger. Paul McCartney nam een slok, riep iets bemoedigends naar de mannen in uniform op de eerste rij, stapte naar de microfoon en zei: 'Yesterday'. Het was even stil. 'All my troubles seemed so far away.' De zaal liet een geluid los dat nog het meest leek op een duizendkoppige kreet van verwondering. Het beroemdste liedje van de vorige eeuw bleek opeens voor deze gelegenheid geschreven.

Op het Concert for New York City, afgelopen zaterdag, bewezen de klassiekers opnieuw hun waarde. In een stad waar mensen naar de psychiater gaan zoals wij naar de Albert Heijn, is de traumaverwerking in volle gang, zowel de collectieve als de individuele. De grote songs van de popmuziek werken op beide niveaus.

In het dagelijks leven afgezakt tot liftmuzak en straatmuzikantenrepertoire, krijgen ze in tijden van nood weer nieuwe betekenis. Juist omdat ze ons zo door en door bekend zijn, bijna tot de atmosfeer van de westerse samenleving horen, staan ze mensen toe er hun allerpersoonlijkste verdriet in onder te brengen en ze tegelijk het gevoel te geven dat ze niet alleen staan, dat ze deel uitmaken van een grotere gemeenschap. Yesterday was zaterdag tegelijk een soort volkslied en een eenzame mijmering over iemand die verdwenen is.

Het was al de derde sterrenparade op televisie gewijd aan de slachtoffers. Ze vormen een rouw ritueel voor de geschokte stad. Er wordt veel geld mee opgehaald, maar nog belangrijker is de morele wederopbouw. Zaterdag liep Bill Clinton onder massaal gejuich het podium op, met een autoriteit alsof de hele Madison Square Garden van hem was. 'Ik hoop dat Bin Laden en zijn vrienden hiernaar kijken', zei hij. 'Dan zien ze dat we niet gebroken zijn.' Dat klopt. Maar wat zien ze dan wel?

Om te beginnen: dat de amusementsindustrie, waarmee Amerika de wereld heeft overspoeld, in staat is tot momenten van grote schoonheid, naast absolute onzin en kleffe sentimenten. Dan: dat de rouw steeds rumoeriger is geworden, op het feestelijke af, en dat temidden van dat kabaal de klassieke autoriteiten hun gezag hebben hersteld. Ten slotte: dat de meeste New Yorkers ondanks dat alles nog steeds rondlopen in een staat van desolate verwarring.

Meneertje

In de eerste dagen heerste nog een verdoofde stilte. Daarom zongen de artiesten in hun Tribute to Heroes, het eerste herdenkingsconcert op 20 september, vanuit een studio zonder publiek. Hun optredens begonnen en eindigden geruisloos. Vanuit dat zwijgen stapte Paul Simon naar voren, het meneertje waarvan je wel eens geneigd bent te vergeten dat hij nog bestaat. Met zijn onopgesmukte ernst begon hij aan een spookachtige versie van Bridge over Troubled Water. Zulke nummers zijn oud en in een andere eeuw gemaakt, maar ze openen zich nu een nieuw moment het van ze vraagt en blijken het te kunnen omvatten, alsof ze de triestheid van deze tijd al in zich droegen.

Niemand anders dan Neil Young zou op zo'n avond Imagine mogen zingen. Je kon aan hem zien hoe zwaar het hem viel. Hij zat gebogen over de toetsen van de piano. Alles zou hij liever moeten doen dan dit, maar hij nam de verantwoordelijkheid. Elke zin van John Lennon bleek relevant, nu je er weer echt naar moest luisteren, omdat er het ideaal uit sprak dat vandaag zo pijnlijk afwezig is. 'Imagine there's no countries. It isn't hard to do. Nothing to kill or die for. No religion, too.' In zo'n wereld zou de bodem wegvallen onder bijna al het geweld dat we nu kennen.

Op 2 oktober werd er een hele avond aan het werk van Lennon gewijd, Come Together, twintig jaar na zijn dood. Veel van de artiesten leken bijna geïntimideerd door de plotselinge toepasselijkheid van wat ze zongen. Alanis Morissette niet: die herhaalde met een stalen glimlach en een onverzettelijke snik in haar stem 'We can work it out', net zo lang tot de oplossing in de lucht hing. Moby, de kleine vegetariër met het grote geweten, baste als een mantra achter Sean Lennon: 'Nothing's gonna change my world.' In Central Park zat Cyndi Lauper bij de gedenkplaats van Lennon; zij zong Strawberry Fields, en plotseling viel het op hoe onburgerlijk die liedjes eigenlijk zijn, hoe onaangepast en vrij in hun verbeelding. Bijna alle grote songs die nu de geschokte stad moeten troosten ontstonden in de jaren van Vietnam en de Koude Oorlog. Ze stammen uit een tijd dat popmuziek en de protestbeweging bijna synoniem waren. Het alternatief en de gevestigde orde waren twee gescheiden werelden. Nu zijn diezelfde liedjes te horen bij de herdenking van de gevallen politiemannen en brandweerlieden.

De nagedachtenis wordt gevierd: na die eerste stille Tribute werd het een gewoonte van de overlevenden om, tijdens hun gezamenlijke rouwrituelen, te juichen voor de doden en voor zichzelf. 'Tonight we party', riep iemand tijdens het Concert for New York City, 'tomorrow we go back to work!' De eerste rijen waren gereserveerd voor mannen en vrouwen in uniform, en daar stonden ze, de armen om elkaars schouders, meezingend met de muziek, dansend en heupwiegend, zwaaiend met de foto's van hun dode kameraden, de tranen in hun ogen.

Politiepet

Op het podium stonden Mick Jagger, de zanger van Street Fighting Man, Roger Daltrey, de zanger van My Generation, en Eric Clapton, die ooit nog eens een mooie versie zong van I Shot the Sheriff. De rebellen van vroeger zijn nu fans van de politie, en de politie is fan van de rebellen. Veel van de muzikanten zetten ook nog eens een politiepet op, het oude symbool van macht en machtsmisbruik. Na vijf zenuwslopende weken had New York helden nodig, en dat moesten mensen zijn die pal staan voor oude zekerheden: gebouwen, liedjes en de wet.

Sinds die dinsdagochtend zien New Yorkers, meestal niet erg gezagsgetrouw, zich plotseling weer afhankelijk van ordedragers. De stoere mannen redden hun het leven, de burgemeester troost ze en leidt de wederopbouw, de president gaat achter de daders aan. Vijfentwintig jaar na de val van Saigon is 11 september de rehabilitatie van de autoriteiten geworden.

Daarom werden zaterdagavond gouverneur Pataki en vooral burgemeester Giuliani zonder gêne toegejuicht. Het plaatste de sterren van de protestgeneratie, wilden ze hun geloofwaardigheid behouden, voor een dilemma. Ze gaan vaak al jaren vriendschappelijk met politici om. Presidenten winnen stemmen met popmuziek: Clinton maakte Don't Stop Thinking About Tomorrow van Fleetwood Mac tot zijn verkiezingsthema, George W. Bush kreeg Destiny's Child mee op zijn campagne. Maar letterlijk bombardementen steunen, dat gaat de zingende vijftigers nog net te ver. Daarvoor zijn ze te zeer geworteld in een vredescultuur. Ze hadden het dus in Madison Square Garden veel over solidariteit en weinig over oorlog. De nieuwe helden van de stad kenden minder scrupules. Eén schorre brandweerman las vanaf het podium eerst de namen van zijn dode brigadegenoten voor en beet toen in de camera: 'Osama bin Laden, you can kiss my royal Irish ass!' Hij zette zijn pet af zodat we hem recht in de rode ogen keken. 'I live in Rockaway Beach and this is my face, bitch.' Hij was niet bang om zijn gezicht te laten zien, hij niet. Van de tribune rolde het U-S-A, U-S-A!

Met elk spreekkoor werd de speelruimte voor de popmuziek kleiner. De ruimte die John Lennon zich nog toe mat bestaat al lang niet meer. Dat bleek al uit de keuze van de artiesten. Van het laatste decennium was er vrijwel niemand. De driftige nieuwe metalpunk van Limp Bizkit en Korn is te anti-autoritair. En veel populaire hip hop is wel goed in de zelfviering, maar floreert op verachting voor de politie en verheerlijking van geld, twee eigenschappen die nu juist in de morele reconstructie van Amerika niet kies worden geacht. Met zijn nieuwe heldenstatus haalt de politie sinds vorige maand weer vrijuit verdachten op huidskleur uit hun auto, het type goedgekeurd racisme waar Neil Young, Bob Dylan en John Lennon nu juist hun grootste protestsongs tegen hebben geschreven.

Grapje

De enige die zich een grapje over de nieuwe rolverdeling veroorloofde was James Taylor. Door Bill Clinton aangekondigd als 'a great friend of Hillary's and mine' was hij al bij opkomst ingekapseld. Maar hij hield een beschaafde afstand. Bij de aanblik van al die blauwe uniformen in het publiek merkte hij fijntjes op: 'Gee, the security's great at this gig.' Hij ging op een kruk zitten, bedekte zijn kaal geworden kruin niet met een politiepet en zette Fire and Rain in, nog zo'n versleten lied dat ineens een diepe troost openbaarde. Het gejuich viel ervan stil. 'I've seen fire and I've seen rain. I've seen sunny days that I thought would never end. I've seen lonely times when I could not find a friend. Oh, but I always thought I'd see you one more time again.' Op de achtergrond flonkerde het beeld van de voormalige skyline van Manhattan.

De slotparades van zulke evenementen zijn altijd mooi om naar te kijken. Ze zijn bedoeld om de totale eenheid en harmonie uit te stralen en bereiken precies het tegenovergestelde. Aan het slot van Tribute to Heroes, vorige maand, viel de waardigheid van de hele avond weg. De oude Willie Nelson zong met zijn akelige dreinstem America the Beautiful. Om hem heen probeerden de sterren zich de tekst te herinneren. Muhammad Ali stond te trillen als een heel groot blad in de wind. Michael Jackson hield een gitaar vast zonder erop te spelen. Mariah Carey gaf zich over aan misplaatst gejubel.

Zaterdagavond liep het niet veel beter af. Toen Paul McCartney achter de piano ging zitten en de eerste akkoorden aansloeg van Let It Be sloeg er een golf van verbroedering door de zaal. Op het podium kwamen alle artiesten nog een keer bij elkaar. Het niveau van de samenzang lag, zoals altijd, beneden ieder peil. Ronddwalend over het podium, op zoek naar een microfoon waar ze nog bijpasten, zagen de sterren er plotseling heel menselijk uit. Soms kwamen ze in duo's of trio's samen te staan, niet helemaal zeker van elkaar. Pete Townsend liep steeds naar de microfoon van Sir Paul, alsof hij iets wilde zeggen. Maar wat? De helden waren weer sterfelijke eenlingen. Ze verdwaalden in het rumoer. En eigenlijk boden ze toen pas, in de verwarring van een feest dat maar niet feestelijk wilde worden, een precieze afspiegeling van New York, een stad waar de overlevenden verdwaasd rondlopen en de doden nog bijna voelbaar aanwezig zijn.

Meer over