Nostalgie, daar leeft Engeland van

Bibury werd onlangs uitgeroepen tot mooiste dorp van Engeland. Castle Combe werd recentelijk eveneens uitgeroepen tot mooiste dorp van Engeland....

door Bert Wagendorp

OP een avond, toen ik op de BBC naar de Last Night of the Proms zat te kijken, gingen mijn ogen open en zag ik Engeland. Toen het orkest aanzette voor de finale en de eerste tonen van Land of Hope and Glory door de prachtige Royal Albert Hall klonken, alle aanwezigen met vlaggetjes gingen zwaaien en je hier en daar iemand een traan zag wegpinken, toen wist ik het opeens - ook omdat ik zelf een brok in de keel kreeg en voelde dat ik hopeloos besmet was geraakt.

Opeens wist ik dat je met één woord heel Engeland kunt typeren en verklaren. Eén woord, waarmee je kunt uitleggen waarom Tony Blair met zoveel tromgeroffel en paukenslagen het New en het Cool Brittannië erin probeerde te hameren: Tony Blair was dood- en doodziek van dat andere woord, daarom. Opeens wist ik dat er een wonder - of een bloedige revolutie of zoiets - nodig zou zijn om Groot-Brittannië aan de euro te krijgen.

Plotseling snapte ik ook waarom ik in een in 1984 gebouwd mock-Tudorhuis woon, met een namaak-houtskelet en van die kleine namaak glas-in-loodramen, zodat je zelfs op een zonovergoten dag nog in het kunstlicht zit te modderen; een huis waar ik Engelsen altijd bij weg zag dromen.

Ik begreep de hordes stadse ramblers die ik tijdens mijn schaarse wandelingen op zaterdag tegenkwam, allemaal op weg naar een benauwde dorpspub met imitatie-haardvuur waar je je kop stootte aan de uit 1217 stammende eiken balken van het waanzinnig lage plafond en waar de landlord, terwijl het buiten 34 graden was en je leren tong om ijskoude pils smeekte, een lauwe ale tapte.

Natuurlijk. Dat alles, en nog veel meer, liet zich maar met één woord verklaren.

Nostalgie.

Overal, in het denken, het bouwen en het eten, in het praten, het lezen en schrijven, in kleding, interieur en tuin, in sport en automobiel: nostalgie.

Dat ik er drie jaar over had gedaan om tot dat inzicht te komen, pleitte, besefte ik, niet voor mijn observatievermogen. Ik troostte me met de gedachte dat de mens de dingen die zich recht voor zijn neus afspelen, pleegt te overzien, omdat zijn ogen zijn gefocust op allerlei afleidend gerommel in de verte.

Ik besloot het er niet bij te laten zitten, stapte in de auto, en reisde spoorslags af naar de Cotswolds, ergens achter Oxford en boven Bath, in Gloucestershire, maar ook in Oxfordshire, een gebied waarvan niemand precies wist waar het begon of ophield, maar dat je, zei iedereen, niettemin onmiddellijk zou herkennen als je er was gearriveerd.

Daar, zo had ik bij geruchte vernomen, in dat magische gebied zonder strenge grenzen, lag het nostalgische Engeland pur sang, het Engeland van de brede lanen, de groene weiden en glooiende heuvels, van de slaperige dorpjes met de goudgele kalkstenen huizen rond de eeuwige kerk, waarvan het klokgelui ver droeg in de vredige vallei.

In de Cotswolds was het woord vlees geworden en het woord was nostalgie.

Ik had mij, om eerlijk te zijn, ingesteld op iets verschrikkelijks. Op een Disneyland van heimwee, een Efteling van weemoed. Op een plaats waar de lijkengeur van het verleden verstikkend zou zijn.

Maar toen ik in het donker Broadway binnenreed, en slechts de uitgelichte huizen zag, wist ik al dat ik me had vergist. En toen ik de volgende morgen door de High Street wandelde, was de betovering door de Cotswolds al in volle gang.

Misschien kwam het omdat het nog vroeg was, en de buskaravanen Broadway nog niet hadden bereikt. Er was niemand op straat en ik begreep wat Bill Bryson had geschreven, over het kalksteen in het prille licht, dat 'gouden gesteente uit de Cotswolds, dat het zonlicht absorbeert en dan weer teruggeeft'.

Bij het zien van de rij huizen langs de doorgaande weg, snapte ik zelfs John Curtiss, die constateerde dat 'het geheim van de schoonheid van de architectuur van de Cotswolds wordt geopenbaard in het woord ''onbedorven'' - onbedorven door architecten.' Curtiss, die had gezegd dat alles hier een menselijke maat had, de cultuur zo goed als de natuur.

Gloeiende conservatief, die Curtiss, maar ik moest erkennen dat Broadway (voor het eerst genoemd in 972) iets had dat je alleen kon omschrijven als 'organisch'. Broadway klopte.

Toegegeven, ik was er nog maar één ochtend en ik had een lichte hoofdpijn van de ale in de lage pub van het Broadway Hotel (uit 1575, het hotel), moest oppassen voor al te snelle conclusies en blijven kijken met de ogen van de eind-twintigste-eeuwse scepticus in dienst van een moderne krant. Maar ik voelde dat het klikte tussen mij en de Cotswolds.

Ik liep langs Tudor House (uit 1660), waar tegenwoordig de wereldberoemde - dat stond tenminste in mijn gidsje - antiquair H.W. Keil was gevestigd, die stukken had die zo prijzig waren dat eigenlijk alleen het Getty-museum ze kon kopen. Aan het einde van de High Street liep de weg een beetje omhoog, omzoomd door juwelen.

I N de vorige eeuw was Broadway al 'het beroemdste onontdekte dorp van Engeland'. Van heinde en verre kwamen de schilders om het vast te leggen, op de green moesten de artiesten een plaatsje huren voor hun schildersezels.

Als het toeristenseizoen echt losbarstte, had de waard in de pub gezegd, was het hier nog steeds dringen geblazen. Engelsen, maar ook Amerikanen en Japanners, busladingen vol werden in Broadway gedumpt, waarna ze als horzels op de talloze antiekzaakjes en winkels met prullaria afzoemden. Nergens buiten Londen, las ik, waren in Engeland zoveel antiquairs als in de Cotswolds.

Ik verliet Broadway, ging naar Chipping Campden, en voelde de verbazing verder toenemen. Chipping Campden was in de Middeleeuwen schatrijk geworden door de wolhandel. En van dat geld hadden ze kennelijk de mooiste kalksteen laten aanrukken. De kleuren van de steen varieerden van goudgeel tot honingbruin en speelden met elkaar, zodat in de High Street een feest voor het oog werd aangericht.

Ik ging naar Northleach en Stroud - waar ze ooit de beroemde Stroutwater Scarlet-wol fabriceerden, voor Wellingtons redcoats, die bij Waterloo Napoleon te grazen namen. Ik ging naar Bibury, recentelijk nog uitgeroepen tot 'het mooiste dorp van Engeland'. Ik ging naar Castle Combe, recentelijk ook nog uitgeroepen tot 'het mooiste dorp van Engeland' en daarna naar Painswick, pas benoemd tot 'de koningin van de Cotswolds'.

Ik moest toegeven dat ik mij hier in de eredivisie van de 'mooiste dorpen van Engeland' bevond. Met instemming las ik wat C. Henry Warren in 1940 had geschreven: The best of England is a village.

Tussen de dorpen in keek ik mijn ogen ook uit. Als er in Engeland nog zoiets als de countryside bestond, dan vormden de Cotswolds het Engelse platteland par excellence; heuvels en valleien, met daarin, als uit de grond gewassen, de dorpen, gehuchten en stadjes.

Ik probeerde het nog wel even, maar kon het toch niet beter formuleren dan William Morris, grondlegger van de Arts en Crafts Movement van de negentiende eeuw, die verzot was op de Cotswolds. 'Alles is afgemeten, vermengd, gevarieerd, gemakkelijk glijdend van het een in het ander, kleine riviertjes, kleine vlaktes, kleine heuvels, kleine bergen, gevangenis noch paleis, maar een fatsoenlijk thuis.'

De Cotswolds, begon ik zo langzamerhand te concluderen, vormden het essentiële Engeland, het Engeland zoals de Engelsen het diep in hun hart overal nog graag zouden zien. Het Engeland dat oud-premier Major in 1993 nog zo fijnbesnaard had omschreven als 'het land van de lange schaduwen over landerijen, warm bier, hondenliefhebbers en tuinsproeiers, van - zoals George Orwell zei - oude dienstmeiden, fietsend naar de heilige communie in de ochtendmist.'

De Cotswolds waren hét Engelse platteland van een van Majors voorgangers, Stanley Baldwin. 'Voor mij is Engeland het platteland, en het platteland is Engeland. De geluiden van Engeland, de tik van de hamer op het aambeeld in de plattelandssmidse, de kwartelkoning op een dauwachtige ochtend, het gezicht van de ploeg over de heuvel, het eeuwige gezicht van Engeland.'

Enfin, ik zag noch hoorde een en ander, zomin als Baldwin vermoedelijk zijn idylle ooit in werkelijk had mogen aanschouwen, maar daar ging het ook niet om. Major en Baldwin droomden van een Engeland dat ooit ergens moest hebben bestaan, toen iedereen nog gelukkig was en tevreden zonder e-mailadres.

Ze droomden de nostalgische droom van geborgenheid en veiligheid, ergens ver voor de oorlog - de Tweede of de Eerste of nog een andere oorlog.

Die droom zochten de Engelsen in de Cotswolds, besefte ik. En als kleine handleiding lazen ze dat prachtige boek van Laurie Lee, Cider with Rosie, die elegie van een verloren tijd, van een verloren droom, over een jeugd in de Cotswolds, tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog, in de schemering van een nieuwe tijd. 'Ik behoorde bij toeval tot een generatie die het einde zag van een duizendjarig leven', schreef Lee. Zes miljoen exemplaren werden er van Cider with Rosie verkocht.

Lee was al een oude man, toen hij zich verzette tegen nieuwbouw in de Slad Vallei, de vallei bij Stroud die hij mythologiseerde. Want de Cotswolds stonden ook op het lijstje van gebieden waar vóór 2016 4,4 miljoen nieuwe huizen gebouwd moesten worden.

Niet alle Cotswoldenaren waren daar trouwens per se tegen, als ik de Financial Times mocht geloven. Er waren er ook die het allemaal al lang zat waren, dat hun gebied was uitgeroepen tot een nationale bedevaartsplaats der nostalgie. In Upper Warble werden in één rampzalige nacht in 1997 alle honderden aan huizen, palen en hekken bevestigde idyllische bloembakken gestolen, om nooit meer te worden teruggevonden.

U PPER WARBLE, schreef de krant, was niet meer zo geschokt geweest, sinds de nacht waarop kolonel Philpot de la Strange terugkeerde uit de oorlog, zijn vrouw aantrof in de armen van de dierenopzetter, in een vlaag van woede en door malaria gevoede waanzin zijn landhuis in brand stak en met zijn Maleisisch zwaard zijn wereldberoemde verzameling bonzaiboompjes in mootjes hakte.

De daders van de Aanval op de Bloembakken, zo ging het gerucht in Upper Warble, waren leden van een bende die er genoeg van had. Van de fotograferende Japanners en de antiekjagende Amerikanen, en van de rijke Londenaren die overal in de Cotswolds de huizen opkochten, om er in de weekeinden naar toe te rijden in hun Range Rovers en Jeep Cherokees, en bordjes op de muur te spijkeren met Ye Olde Bakery of Ye Olde Schoolhouse erop.

'Engeland wordt een themapark', schreef één van de vermoedelijke bendeleden, Arthur McCoy, in de plaatselijke krant. 'Het alles maar mooier maken dreigt het leven in onze gemeenschappen te verstikken. Dorpjes zijn netjes, zelfvoldaan en levenloos. Ze zijn niet langer om in te leven, maar, als Babylonische bordelen, alleen nog bedoeld om te worden bezocht.'

Tja, ik moest toegeven dat daar wat inzat. In Bourton-on-the-Water (het 'Venetië van de Cotswolds') hadden ze in een klein themaparkje Bourton-on-the-Water al nagebouwd, met daarin een klein themaparkje met Bourton-on-the-Water, waarin weer een themaparkje met Bourton-on-the-Water. Je kon natuurlijk ook overdrijven.

Maar toen ik de Cotswolds verliet, verkeerde ik toch in een merkwaardige stemming. Ik neigde er zelfs toe te denken dat het vroeger allemaal veel beter was en besefte, tot mijn niet geringe schrik, dat ik een beetje Engelsman met de Engelsen was geworden.

Ik snapte plotseling heel goed waarom kroonprins Charles, vorst der nostalgie, een landgoed had gekocht in de Cotswolds. Charles was helaas honderdvijftig jaar te laat geboren, en had er maar het beste van proberen te maken, door te gaan wonen op een plek waar hij kon dromen dat het nog steeds 1850 was.

'De Engelsen lopen achterstevoren richting toekomst', schreef Jeremy Paxman in The English, 'hun ogen gericht op een punt, ergens rond de eeuwwisseling.'

In de Cotswolds, het Hotel Nostalgia van Blairs New Britain, konden ze eventjes gewoon recht vooruit lopen en toch een glimp op het verleden werpen, mijmerend over this blessed plot, this earth, this realm, this England, this nurse, this teeming womb of royal kings, en wat daarvan was geworden.

Meer over